← België

ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181116.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 november 2018

Art. 1- 39 ELI link Pub nr 1995009425 Wetboek van Koophandel - 10-09-1807 - Art.

2, zevende streepje Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Handelsagent - Verbintenissen voor het bemiddelen of afsluiten van zaken - Aard Wettelijke bepalingen:

Art. 1- 39 ELI link Pub nr 1995009425 Wetboek van Koophandel - 10-09-1807 - Art.

2, zevende streepje Fiches 3 - 4 De weerlegging van het vermoeden van winstoogmerk heeft slechts tot gevolg dat de verbintenissen van de handelsagent voor het bemiddelen of afsluiten van zaken niet kunnen worden beschouwd worden als daden van koophandel, zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de kwalificatie van de overeenkomst als handelsagentuurovereenkomst

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Handelsagent - Verbintenissen voor het bemiddelen of afsluiten van zaken - Vermoeden van winstoogmerk - Weerlegging - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 1- 39 ELI link Pub nr 1995009425 Wetboek van Koophandel - 10-09-1807 - Art.

2, zevende streepje Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Handelsagent - Verbintenissen voor het bemiddelen of afsluiten van zaken - Vermoeden van winstoogmerk - Weerlegging - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 1- 39 ELI link Pub nr 1995009425 Wetboek van Koophandel - 10-09-1807 - Art.

2, zevende streepje Tekst van de conclusie C.18.0106.N Conclusie van advocaat-generaal Vandewal: Situering en procedurevoorgaanden Volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zijn tussen eiseres en verweerster twee overeenkomsten tot stand gekomen: enerzijds, een overeenkomst "mandaat voor het onthaal van de aangeslotenen van Partena-OZV" waarbij aan verweerster mandaat werd verleend om de in de overeenkomst beschreven handelingen te verrichten in een agentschap te Deinze, en anderzijds, een overeenkomst van machtiging waarbij eiseres er zich toe verbond aan verweerster een vergoeding te betalen, bestaande uit een commissie van 225 euro per aansluiting bij de verplichte ziekteverzekering en een commissie van 25 euro per dossier Hospitalia. Bij brief van 21 december 2012 beëindigde eiseres de overeenkomst "mandaat voor onthaal van de aangeslotenen van Partena-OZV" met ingang van 1 april 2013. Zij betaalde aan verweerster een opzeggingsvergoeding van 29.152,20 euro. Bij brief van 14 januari 2013 deelde de raadsman van verweerster aan eiseres mee dat zijn cliënte, ingevolge de wederrechtelijke verbreking van de handelsagentuurovereenkomst, recht heeft op een opzeggingsvergoeding van 82.597,05 euro, een uitwinningsvergoeding van 94.040,70 euro en een bijkomende provisionele schadevergoeding van 25.000 euro. Bij brief van 3 februari 2013 betwistte eiseres de kwalificatie van de overeenkomst als een handelsagentuurovereenkomst. Op 12 november 2013 dagvaardde verweerster eiseres voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde eiseres te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 172.485,55 euro ingevolge de wederrechtelijke verbreking van de handelsagentuurovereenkomst. Bij vonnis van 10 maart 2014 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering van verweerster tegen eiseres ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Op 22 april 2014 tekende verweerster hoger beroep aan tegen het vonnis van 10 maart 2014 bij het hof van beroep te Gent. Het hof van beroep te Gent heeft bij het bestreden arrest van 25 oktober 2017 het hoger beroep van verweerster ontvankelijk verklaard en gegrond in de mate dat de overeenkomst van machtiging die tussen partijen werd gesloten, dient gekwalificeerd te worden als een handelsagentuurovereenkomst. Het hof van beroep heeft voorts de vordering tot het verkrijgen van een bijkomende schadevergoeding van 25.000 euro afgewezen als ongegrond en heeft beslist om, alvorens recht te doen over de overige vorderingen van verweerster, ambtshalve het debat te heropenen teneinde verweerster toe te laten de nodige stukken voor te leggen met betrekking tot de door haar jaarlijkse verworven inkomens uit hoofde van de overeenkomst van machtiging over de periode van 2005 tot en met 2012 en standpunt in te nemen omtrent het verweer van eiseres met betrekking tot de uitwinningsvergoeding. Het cassatieberoep van eiseres tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure. Het enige cassatiemiddel In het enige cassatiemiddel komt eiseres op tegen de beslissing van de appelrechters om de overeenkomst van machtiging te kwalificeren als een handelsagentuurovereenkomst. Eiseres voert aan dat de overeenkomst van machtiging niet kan worden gekwalificeerd als een handelsagentuurovereenkomst vermits alle verbintenissen van handelsagenten voor het bemiddelen of afsluiten van zaken daden van koophandel zijn en in wezen het bestaan van een winstoogmerk veronderstellen, terwijl het afsluiten van voormelde aansluitingen bij de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen, in naam en voor rekening van ziekenfondsen, dient te geschieden zonder winstoogmerk en dus geen voorwerp van een handelsagentuurovereenkomst mag zijn. Bespreking van het enige cassatiemiddel De vraag rijst of de aanwezigheid van een winstoogmerk een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de kwalificatie van een overeenkomst als handelsagentuurovereenkomst. Artikel 1 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst omschrijft de handelsagentuurovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal. De handelsagent deelt zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken in en beschikt zelfstandig over zijn tijd. Een handelsagentuurovereenkomst wordt aldus gekenmerkt door

(1)de afwezigheid van een band van ondergeschiktheid,
(2)de aanwezigheid van een permanente band,
(3)de betaling van een vergoeding,
(4)het optreden in naam en voor rekening van de principaal,
(5)het bemiddelen en eventueel afsluiten van zaken. De wet geeft geen definitie van het begrip bemiddelen. Het bemiddelen van zaken veronderstelt dat men actief tussenbeide komt om een overeenkomst tot stand te brengen. Het sluiten van de overeenkomst wordt als bijkomstig voorgesteld
(1). Uit de definitie van een handelsagentuurovereenkomst kan niet worden afgeleid dat het bemiddelen en eventueel afsluiten van zaken met een winstoogmerk dient te geschieden. Het vereiste van een winstoogmerk wordt door eiseres afgeleid uit artikel 2 van het Wetboek van Koophandel. Krachtens artikel 2, zevende streepje, van het Wetboek van Koophandel verstaat de wet onder daden van koophandel alle verbintenissen van handelsagenten voor het bemiddelen of afsluiten van zaken. De toevoeging van deze verbintenissen aan de lijst van objectieve daden van koophandel had tot doel alle twijfel omtrent de hoedanigheid van handelaar van de zelfstandige agent uit te sluiten
(2). Voorheen was zijn hoedanigheid van handelaar immers betwist, meer bepaald wanneer de agent handelde zonder over een eigen organisatie te beschikken
(3). Met verwijzing naar artikel 2 van het Wetboek van Koophandel wordt thans unaniem aanvaard dat de handelsagent, die van het bemiddelen en eventueel afsluiten van zaken zijn gewone hoofd- of nevenactiviteit maakt, een handelaar is
(4). De verbintenissen van de handelsagent voor het bemiddelen of afsluiten van zaken worden, krachtens artikel 2, zevende streepje van het Wetboek van Koophandel, vermoed objectieve daden van koophandel te zijn, dit zijn daden waarvan de wetgever vermoedt dat ze met een winstoogmerk geschieden
(5). Het zijn de verbintenissen van de handelsagent die vermoed worden daden van koophandel te zijn. Het bestaan van een handelsagentuurovereenkomst wordt dus verondersteld en het zijn de verbintenissen die daaruit voortvloeien, in het bijzonder de verbintenissen van de handelsagent voor het bemiddelen of afsluiten van zaken, die vermoed worden daden van koophandel te zijn. De aanwezigheid van een winstoogmerk bij het bemiddelen of afsluiten van zaken lijkt mij derhalve geen voorwaarde te zijn voor het bestaan van een handelsagentuurovereenkomst, maar wordt door het bestaan van dergelijke overeenkomst wel vermoed. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden
(6). Bijgevolg kan nog worden bewezen dat de handelingen waarvan sprake in artikel 2 van het Wetboek van Koophandel, en waaronder dus ook de verbintenissen van de handelsagent voor het bemiddelen en afsluiten van zaken, zonder winstoogmerk geschieden, in welk geval die handelingen niet worden beschouwd als daden van koophandel. Een weerlegging van dat vermoeden heeft tot gevolg dat de handelsagent geen handelaar is, maar niet dat hij geen handelsagent is in de zin van artikel 1 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst
(7). Uit artikel 2, zevende streepje, van het Wetboek van Koophandel kan m.i. enkel worden afgeleid dat als er sprake is van een handelsagentuurovereenkomst in de zin van artikel 1 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, de verbintenissen van de handelsagent op weerlegbare wijze vermoed worden daden van koophandel te zijn, en dus met een winstoogmerk te zijn gesteld, maar niet dat de aanwezigheid van een winstoogmerk een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de kwalificatie van een overeenkomst als een handelsagentuurovereenkomst in de zin van artikel 1 van voormelde wet. Het middel dat ervan uitgaat dat een overeenkomst bij gebrek aan winstoogmerk niet kan worden gekwalificeerd als een handelsagentuurovereenkomst, faalt m.i. dan ook naar recht. Conclusie: Verwerping. _________________________
(1)P. NAEYAERT, Distributeurs en handelstussenpersonen: met focus op beëindiging, Brugge, Die Keure, 2012, 143, nr. 171.
(2)MvT bij Ontwerp van wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst, Parl. St. Senaat 1991-92, nr. 355-1, 22.
(3)J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, IV, Brussel, Bruylant, 1981, nr.171.
(4)L. FRÉDÉRICQ, Traité de droit commercial belge, I, Rombaut-Fecheyr, 1946, 366; J. STUYCK e.a., De handelsagentuurovereenkomst: de nieuwe wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, Brugge, die Keure, 1995, 19; E. DURSIN, "Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst", AJT 1995-96,
(13)16; E. DIRIX en M.E. STORME, "De nieuwe handelsagentuurovereenkomstenwet", RW 1995-96,
(1393)1396; P. DEMOLIN en Y. BRULARD, La nouvelle loi sur le contrat d'agence: loi du 13 avril 1996, Diegem, Kluwer, 1996, 10; G.L. BALLON, "Art. 2 W.Kh." in Comm.Handel. 2000, 26; M. WILLEMART en S. WILLEMART, Le contrat d'agence commerciale (Loi du avril 1995 modifiée par celles des 4 mai 1999, 1er juin 1999 et 21 février 2005) in Les dossiers du journal des tribunaux, Brussel, Larcier, 2005, 13; S. WILLEMART en M. WILLEMART, "Examen de jurisprudence 1995-2004 - le contrat d'agence commerciale (loi du 13 avril 1995)", JT 2005, 91; P. NAEYAERT, De handelsagentuur, Gent, Story, 2007, 22; C. DELFORGE, "Le contrat d'agence commerciale: la qualification et ses principales incidences" in C. DELFORGE (ed.), Le contrat d'agence commerciale: qualification et clauses particulières¸ Brugge, Vanden Broele, 2008, 14; Y. VAN COUTER, E. VAN PARYS en G. DRIESEN, "Commentaar bij art. 28 wet 13 april 1995" in Comm.Handel., 2010, afl. 52, 1; P. DEMOLIN, Le contrat d'agence. Droits et obligations, Mechelen, Kluwer, 2014, 19, nr. 16; Y. VAN COUTER, P. DE SMEDT en F. PAUWELS, Artikel en commentaar. Handelsagentuur, Mechelen, Kluwer, 2015, 11; P. KILESTE en N. GODIN, Contrat d'agence commerciale in RPDB, Brussel, Bruylant, 2017, 44.
(5)Cass. 19 januari 1973, Arr.Cass. 1973, 515.
(6)Cass. 19 januari 1973, Arr.Cass. 1973, 515.
(7)E. DIRIX en M.E. STORME, "De nieuwe handelsagentuurovereenkomstenwet", RW 1995-96,
(1393)1396; P. NAEYAERT, Distributeurs en handelstussenpersonen: met focus op beëindiging, Brugge, Die Keure, 2012, 165, nr. 196; I. MEEUSSEN, "Nationale handelshuur" in Bestendig Handboek Distributierecht 2016, afl. 18, 33. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181116.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181116.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.