← België

ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181120.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 november 2018

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Rechtsmiddel - Verklaring van onontvankelijkheid of vervallenverklaring door strafrechter - Voorafgaandelijk horen van de partij die het rechtsmiddel heeft ingesteld - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Rechtsmiddel - Verklaring van onontvankelijkheid of vervallenverklaring door strafrechter - Voorafgaandelijk horen van de partij die het rechtsmiddel heeft ingesteld - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Recht op een eerlijk proces - Rechtsmiddel - Verklaring van onontvankelijkheid of vervallenverklaring door strafrechter - Voorafgaandelijk horen van de partij die het rechtsmiddel heeft ingesteld - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.18.0732.N Conclusie van advocaat-generaal Luc Decreus OVER DE PROCEDURE 1. Eiser werd vervolgd om zich, herhaaldelijk, tussen 26 maart 2013 en 20 november 2013, als mededader te hebben schuldig gemaakt aan A. valsheid in geschrifte, B. misbruik van vertrouwen, C. diefstal en D. bendevorming. Bij vonnis op tegenspraak van 29 maart 2017 van de correctionele rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd eiser vrijgesproken voor de telastleggingen A, C en D en veroordeeld voor de telastlegging B tot een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel voor 3 jaar en een geldboete van euro 500 evenals een definitieve vergoeding voor materiële en morele schade aan de burgerlijke partij met een rechtsplegingsvergoeding. Op 30 maart 2017 tekende eiser hoger beroep aan tegen alle beschikkingen van het vonnis en legde hij door tussenkomst van een advocaat, die optrad loco zijn raadsman in de beroepsprocedure, een grievenformulier hoger beroep neer conform de toen geldende bijlage van het Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 204, derde lid van het Wetboek van Strafvordering

(1). Op het grievenformulier werden op strafgebied en op burgerlijk gebied alle grieven aangekruist met uitzondering van de respectieve rubrieken "andere". Het openbaar ministerie stelde op 26 april 2017 eveneens hoger beroep in en verklaarde in zijn grievenformulier het door eiser ingestelde hoger beroep te volgen, ook wat de lastens eiser uitgesproken straf betreft. De partijen werden op 15 september 2017 gedagvaard om op 3 oktober 2017 te verschijnen voor het hof van beroep om er te horen beslissen over dat beroep waarna op de rechtszitting van 3 oktober 2017 conclusietermijnen werden bepaald en de behandeling van de zaak werd verdaagd naar 17 april
  1. Op 10 januari 2018 legde eiser een conclusie neer ter griffie van het hof van beroep daarin gevolgd door de burgerlijke partij die een beroepsconclusie neerlegde waarmee zij incidenteel beroep instelde, beperkt tot de telastlegging B. Op de rechtszitting van 17 april 2018 vorderde het openbaar ministerie, werd eiser gehoord en hebben de raadslieden gepleit waarna de zaak in beraad werd genomen en uitgesteld voor uitspraak op 29 mei 2018 waarna op die laatste rechtszitting de uitspraak naar 12 juni 2018 werd verdaagd.
  2. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 12 juni 2018 verklaarde het hoger beroep van eiser op strafrechtelijk en burgerlijk gebied niet ontvankelijk met betrekking tot de telastleggingen A, C en D en vervallen met betrekking tot de telastlegging B, het hoger beroep van het openbaar ministerie onontvankelijk, in de mate dat het door eiser ingestelde hoger beroep wordt gevolgd, het incidenteel beroep van de burgerlijke partij onontvankelijk en het hoger beroep van het openbaar ministerie, in de mate dat hoger beroep is ingesteld wat betreft de lastens eiser uitgesproken straf, ontvankelijk en niet vervallen. Op strafrechtelijk gebied wordt het beroepen vonnis bevestigd. De appelrechters steunen hun oordeel voor wat betreft de vervallenverklaring van het hoger beroep van eiser op de vaststelling dat eiser in zijn grievenformulier "zowel op strafgebied als op burgerlijk gebied, alle op het grievenformulier voorgedrukte grieven. - behoudens de rubriek ‘andere' onder de nummers 1.12 en 2.
  3. - heeft aangekruist, terwijl verschillende van deze grieven geen verband houden met het beroepen vonnis". De appelrechters besluiten daaruit "dat aan de vereiste van een nauwkeurige opgave van de grieven door de beklaagde niet is voldaan wanneer systematisch alle grieven werden aangekruist, inbegrepen grieven die geen verband houden met het bestreden vonnis. Er werd door de beklaagde bij het invullen van het grievenformulier gehandeld vanuit een automatisme waardoor de saisine van het hof niet duidelijk is en de burgerlijke partij op dat ogenblik niet wist waartegen zich te verdedigen".
  4. Eiser tekende cassatieberoep aan op 26 juni 2018 dat evenwel niet aan verweerster-burgerlijke partij werd betekend zoals vereist is door artikel 427 Wetboek van Strafvordering zodat in zoverre gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering, het cassatieberoep niet ontvankelijk is. Eiser legde op 24 augustus 2018 een memorie tot staving neer die hij niet ter kennis bracht aan de verweerster-burgerlijke partij zoals voorgeschreven door artikel 429 Wetboek van Strafvordering zodat in zoverre de memorie ook betrekking heeft op de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiser, deze niet ontvankelijk is. OVER HET MIDDEL
  5. Het enige middel van eiser voert de schending aan van de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 149 Grondwet, 204, 210, 211 en 211bis Wetboek van Strafvordering alsook de miskenning van het recht op een eerlijk proces omdat het bestreden arrest onvoldoende naar recht is gemotiveerd en eiser niet werd uitgenodigd om zich te verdedigen op de door de appelrechters weerhouden redenen om het hoger beroep van eiser vervallen te verklaren met betrekking tot de telastlegging B. Vooreerst preciseert het middel niet hoe en waarom het arrest niet voldoende naar recht gemotiveerd is noch waarom de artikelen 204, 210, 211 en 211bis Wetboek van Strafvordering zijn geschonden zodat in zoverre het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk is. Verder kan worden verwezen naar het oordeel van het Hof dat het grievenformulier een stuk van de rechtspleging is dat behoort tot het strafdossier en waarover de partijen dus tegenspraak kunnen voeren. Het Hof stelde specifiek dat voor wat betreft de verplichting het verzoekschrift of het grievenformulier te ondertekenen, dit uitdrukkelijk door artikel 204 Wetboek van Strafvordering is voorgeschreven, zodat elke appellant wordt verondersteld deze formaliteit te kennen en na te leven. Bovendien staat het aan de appelrechter de regelmatigheid te onderzoeken van de stukken die zijn saisine bepalen zodat bijgevolg de regelmatigheid van het grievenformulier in het debat voor die rechter ligt. Het feit dat de appelrechter het hoger beroep vervallen verklaart zonder de niet-ondertekening van het grievenformulier ambtshalve aan te voeren, levert dan ook geen schending op van artikel 6.1 EVRM
(2). Mutatis mutandis levert de beoordeling van de vereiste, gesteld door artikel 204 Wetboek van Strafvordering, van een nauwkeurige opgave van de grieven in het grievenformulier, zonder dat eiser door de appelrechters nog werd uitgenodigd zich hierover speciaal te verdedigen, evenmin een schending van laatstgenoemd artikel op. 2. Evenwel kan een ambtshalve middel van schending van artikel 204 Wetboek van Strafvordering worden aangevoerd op navolgende gronden. Het Hof stelde dat het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de lidstaten niet belet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel waarbij die voorwaarden niet ertoe mogen leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast; bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden
(3). Krachtens artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt het verzoekschrift, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven, met inbegrip van de procedurele grieven waarvoor een formulier kan worden gebruikt waarvan het model wordt bepaald door de Koning. Het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Dit voorgedrukt grievenformulier bevat een lijst van mogelijke grieven tegen de beschikkingen op strafgebied (1.1 tot 1.12) en op burgerlijk gebied (2.1 tot 2.5) en het vermeldt dat de gebruiker van het formulier het toepasselijke vakje moet aankruisen, hij desgevallend moet schrappen wat niet past en hij desgevallend moet aanvullen met opmerkingen. Het Hof oordeelde dat de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering aan een appellant opgelegde verplichting om op straffe van vervallenverklaring van het hoger beroep nauwkeurig de grieven op te geven tegen de beroepen beslissing, aldus in overeenstemming is met artikel 6 EVRM
(4). 3. Over de nauwkeurigheid van de grieven, als de specifieke aanwijzingen door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt, oordeelt de rechter onaantastbaar in feite of deze voldoende nauwkeurig zijn. Het Hof gaat evenwel na of de appelrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(5). Het Hof heeft weliswaar reeds overwogen dat bij de beoogde beoordeling de appelrechter in aanmerking kan nemen dat een appellant die gebruik maakt van het grievenformulier ook grieven heeft aangevinkt die geen enkele relevantie hebben voor de beroepen beslissing
(6)maar ook dat wanneer het verzoekschrift andere onnauwkeurige grieven bevat, de omstandigheid dat bepaalde grieven gericht tegen het beroepen vonnis zonder voorwerp zijn op zich geen vervallenverklaring van het hoger beroep rechtvaardigen
(7). In een zaak die leidde tot de vernietiging van het bestreden vonnis dat het hoger beroep vervallen verklaarde wegens het onvoldoende nauwkeurig zijn van de grieven, werd door de appelrechters vastgesteld dat de appellant verschillende, namelijk acht, grieven had aangekruist terwijl op de rechtszitting namens de appellant werd verklaard dat het hoger beroep enkel gericht was tegen de bewezenverklaring van de feiten onder de telastleggingen A en B en dat met uitzondering van de grief "1.1 schuldigverklaring" alle andere grieven werden aangekruist om "zeker" te spelen. Het Hof oordeelde daarmee dat de rechters een streng formalistisch standpunt hadden ingenomen om het beroep van de appellant vervallen te verklaren wegens het verzuim al zijn grieven nauwkeurig te omschrijven
(8). Ook werd door het Hof geoordeeld dat uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven betrekking hebben op alle telastleggingen waarvoor hij werd veroordeeld of dat de motieven die hij opgeeft voor zijn grieven weinig of nietszeggend zijn, niet kan worden afgeleid dat de grieven niet nauwkeurig zijn
(9). Tenslotte oordeelde het Hof dat de aanduiding van grieven nauwkeurig is in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering wanneer deze de appelrechters en partijen met zekerheid toelaat de beslissingen van de beroepen uitspraak waarvan de appellant de hervorming vraagt te bepalen, met andere woorden om de saisine van de appelrechters te bepalen
(10). Om de bedoelde nauwkeurigheid te beoordelen kan de rechter de omstandigheid in aanmerking nemen dat een appellant ook grieven heeft aangevinkt op het grievenformulier die geen enkel verband hebben met de beroepen beslissing en dus zonder voorwerp zijn of gericht zijn tegen onbestaande beslissingen of beslissingen vreemd aan het geschil en dus zonder belang zijn. Wanneer evenwel andere grieven worden aangegeven, die op een nauwkeurige wijze één of meer beslissingen van de beroepen uitspraak beogen, kan de omstandigheid dat bepaalde grieven zonder voorwerp of belang zijn de vervallenverklaring van het beroep niet rechtvaardigen
(11).
  1. Zoals supra weergegeven steunen de appelrechters in deze zaak hun oordeel op de vaststelling dat eiser in zijn grievenformulier op straf- en burgerlijk gebied, alle op het grievenformulier voorgedrukte grieven. - behoudens de rubriek ‘andere' onder de nummers 1.12 en 2.
  2. - heeft aangekruist, terwijl verschillende van deze grieven geen verband houden met het beroepen vonnis wat wijst op een automatisme van de beklaagde bij het invullen van het grievenformulier waardoor de saisine van het hof van beroep onduidelijk is en de burgerlijke partij op dat ogenblik niet wist waartegen zich te verdedigen. Uit de vaststelling in het bestreden arrest dat "verschillende van deze grieven geen verband houden met het bestreden vonnis" blijkt evenwel dat de appelrechters geoordeeld en onderscheiden hebben dat verschillende grieven wél verband houden met het bestreden vonnis op grond waarvan de saisine van het hof duidelijk is. Afgezien van het feit dat het openbaar ministerie een volgappel instelde, waardoor het te kennen geeft dat het binnen de perken van zijn hoger beroep dezelfde grieven aanvoert als de beklaagde en zich deze eigen maakt
(12), en de burgerlijke partij haar incidenteel beroep beperkte tot de telastlegging B, werd de eventuele onnauwkeurigheid van de opgave der grieven in de grievenformulieren door de partijen in de beroepsprocedure klaarblijkelijk niet aangevoerd. Het bestreden arrest kan bijgevolg, in het licht van de supra (punt 3. - bespreking middel) geciteerde rechtspraak van het Hof, niet wettig oordelen dat de eiser niet heeft voldaan aan de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering opgelegde verplichting zijn grieven voldoende nauwkeurig op te geven en kan op die grond de eiser niet vervallen verklaren van zijn hoger beroep. Het bestreden arrest dient te worden vernietigd. ________________________
(1)Op 1 december 2017 verscheen in het Belgisch Staatsblad het KB van 23 november 2017 een nieuw model van grievenformulier ter vervanging van het formulier dat bij KB van 18 februari 2016 was vastgesteld en samen met de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II") werd gepubliceerd (BS 19 februari 2016, vierde editie, p. 13170); S. VAN OVERBEKE, "Een nieuw model van grievenformulier voor het hoger beroep in strafzaken: ander en beter?", RW 2017-18, 802.
(2)Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0123.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.9, AC 2017, nr. 361.
(3)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263; B. MEGANCK, "Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering, tris: het Hof van Cassatie bepaalt nu heel duidelijk: nauwkeurig is niet overdreven soepel, maar vooral niet overdreven formalistisch in te vullen" (noot onder Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0105.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6, AC 2017, nr. 264; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0147.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11, AC 2017, nr. 266; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0031.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4, AC 2017, nr. 262), T.Strafr. 2017/3, 220-224 (hierna B. MEGANCK, "Grieven in hoger beroep").
(4)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263.
(5)B. MEGANCK, "Grieven in hoger beroep", T.Strafr. 2017/3, 220-224.
(6)Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263.
(7)Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427.
(8)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0105.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6, AC 2017, nr. 264; B. MEGANCK, "Grieven in hoger beroep", T.Strafr. 2017/3,
(220)222-223.
(9)Cass. 3 mei 2017, AR P.17.0145.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4, AC 2017, nr. 305 met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE, in Pas. 2017, nr. 305; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0031.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4, AC 2017, nr. 262; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 141 met concl. OM.
(10)Cass. 31 oktober 2018, AR P.18.0394.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181031.2, AC 2018, nr. 595 met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, in Pas. 2018, nr. 595.
(11)Cass. 31 oktober 2018, AR P.18.0394.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181031.2, AC 2018, nr. 595 met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, in Pas. 2018, nr. 595.
(12)Cass. 18 september 2018, AR P.18.0369.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.8, AC 2018, nr. 477. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181120.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181031.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.