id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181123.2 Rolnummer: F.16.0090.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-01-08 Raadplegingen: 313 - laatst gezien 2026-06-28 14:51 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181123.2 Fiche 1 Nationale domeingoederen die voor vrijstelling van onroerende voorheffing in aanmerking komen op grond van artikel 253, 3° WIB92, zijn al de goederen die toebehoren aan de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of aan de ondergeschikte besturen, alsmede aan alle instellingen die door die overheden zijn opgericht en belast zijn met een openbare dienst of een dienst van algemeen nut
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Vrijstellingen - Nationale domeingoederen - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 253, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 De onroerende goederen die worden aangewend voor de behartiging van de aan de Orde der Architecten toevertrouwde diensten zijn nationale domeingoederen als bedoeld in artikel 253, 3° WIB92 en genieten van de vrijstelling van onroerende voorheffing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Vrijstellingen - Nationale domeingoederen - Goederen toebehorend aan de Orde der Architecten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 253, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie D.16.0090.N Conclusie van procureur-generaal Dirk Thijs:
- De eiseres werd voor het aanslagjaar 2012 aangeslagen in de onroerende voorheffing met betrekking tot een bebouwd onroerend goed, (...) voor een bedrag van 2.673,20 euro. Zij meende aanspraak te kunnen maken op de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor nationale domeingoederen op grond van artikel 253, 3°, WIB92 en diende tegen deze aanslag bezwaar in dat bij beslissing van 6 december 2012 werd afgewezen. De eiseres stelde vervolgens een fiscaal verhaal in bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Bij vonnis van 30 juni 2014 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond, vernietigde de bestreden aanslag, veroordeelde het Vlaamse Gewest tot terugbetaling van alle eventuele ten onrechte geïnde sommen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten, en veroordeelde het Vlaamse Gewest tot de kosten van het geding. Op het door het Vlaamse Gewest ingestelde hoger beroep verklaarde het hof van beroep te Gent, bij arrest van 2 februari 2016, het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigde het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de eiseres ontvankelijk verklaarde, deed opnieuw recht, verklaarde de vordering van de eiseres ongegrond en veroordeelde haar tot het betalen van de gerechtskosten van beide instanties.
- In het bestreden arrest oordeelde het hof van beroep met betrekking tot de toepassing van artikel 253, 3°, WIB92 als volgt: "Nationale domeingoederen zijn onder meer de eigendommen toebehorend aan maatschappijen, verenigingen, instellingen of organismen van publiek recht die krachtens een uitdrukkelijke bepaling van hun oprichtingswet, gelijkgesteld zijn met de Staat voor de toepassing van de inkomstenbelastingen of vrijgesteld zijn van de inkomstenbelastingen of van elke aanslag op de inkomsten ten voordele van de Staat. Ook bijzondere wetten andere dan de oprichtingswetten kunnen in dergelijke gelijkstelling/vrijstelling voorzien. Er moet vastgesteld worden dat de wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van Architecten, noch het KB van 18 april 1985 tot goedkeuring van het door de Nationale Raad van de Orde der Architecten vastgestelde Reglement van beroepsplichten, noch enige andere bijzondere wet voorzien in de voornoemde gelijkstelling/vrijstelling. Nationale domeingoederen zijn ook alle goederen van de Staat, het Gewest, de Provincies, de Gemeenten en de openbare instellingen (vergelijk o.m. met de conclusie van toenmalig advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie W. Ganshof van der Meersch, onder Cass. 12.10.1954, Pas. 1955, p. 107 e.v.). De [eiseres] verdedigt de stelling dat zij een openbare instelling is en het onroerend goed waarvoor zij vrijstelling van onroerende voorheffing vraagt een nationaal domeingoed is in de zin van het artikel 253, 3° WIB/
- Zo de [eiseres] te beschouwen is als een publiekrechtelijke beroepscorporatie met rechtspersoonlijkheid (vergelijk met Mast, A., Dujardin, J., Van Damme, M., Vande Lanotte, J., "Overzicht van het Belgisch Administratief Recht", Kluwer - België, 14e druk, nr. 103, p. 109-110), kan zij evenwel niet beschouwd worden als een hierboven bedoelde openbare instelling. Dergelijke openbare instelling heeft als kenmerk onder meer dat zij onder voogdij en controle van de oprichtende openbare macht blijft, ook al is zij organiek, technisch, administratief en financieel autonoom (COM.IB/1992, nr. 253/84; zie ook de definitie van "openbare instelling" van het Hof van Cassatie in Cass. 15 februari 2015, rolnr. D.14.0011.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150212.9, vindplaats http://jure.juridat.just.fgov.be; vergelijk ook met De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, Brussel, Bruylant, 1933, nr. 506, p. 450-451). Dergelijke voogdij en controle zijn bij de [eiseres] niet aanwezig. De wet van 26 juni 1963 noch enig KB, bijzondere wet of enige andere wettelijke bepaling voorzien hierin. Gelet op hetgeen voorafgaat moet aangenomen worden dat het onroerend goed waarvoor de [eiseres] vrijstelling nastreeft niet de aard van nationaal domeingoed heeft in de zin van artikel 253, 3° WIB/1992, zodat de vrijstelling terecht werd geweigerd door [de verweerder]. Gezien deze vaststelling dient ook het vervuld zijn van de overige voorwaarden voor de vrijstelling voorzien bij het artikel 253, 3° WIB/1992 niet te worden onderzocht."
- In haar enig cassatiemiddel voert de eiseres de schending aan van de artikelen 1, 2, 4, 6 tot en met 40, inzonderheid de artikelen 34, 38, 39 en 40, 46, 48, 49, §1 en 49bis van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten, van artikel 14, §1, 1° van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State en van artikel 253, 3°, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest vóór zijn opheffing bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december
- In wezen voert de eiseres aan dat het hof van beroep, dat oordeelt dat zij geen openbare instelling is waarop de vrijstelling van artikel 253, 3°, WIB92 van toepassing is omwille van het ontbreken van controle en voogdij, aldus voorbijgaat aan de wijze van oprichting, het doel, de wijze van werking, de daarbij in acht te nemen principes en de beperkte voogdij van de bevoegde minister en zijn beslissing bijgevolg niet naar recht verantwoordt.
- Naar luid van artikel 253, 3°, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest vóór zijn opheffing bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt van de onroerende voorheffing het kadastraal inkomen vrijgesteld van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt. De vrijstelling is van de drie voorwaarden afhankelijk. Onder nationaal domein wordt verstaan: al hetgeen aan de gemeenschap toebehoort, al hetgeen eigendom is, niet alleen van de hele natie, maar ook van een aan deze laatste ondergeschikte overheid. Nationale domeingoederen omvatten bijgevolg niet alleen de goederen van de Staat, maar ook deze van het Gewest, de provincies, de Gemeenten en de openbare instellingen (Cass. 12 oktober 1954, Pas. 1955, I, 106, conclusie advocaat-generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH; Com.IB 253/83). Het nationaal domein omvat zowel het openbaar als het private domein. Goederen die toebehoren aan openbare instellingen kunnen bijgevolg ook als nationale domeingoederen worden bestempeld.
- Over de inhoud van de notie "openbare instelling" stelt de administratieve commentaar het volgende: "De openbare instellingen zijn stichtingen die een openbare dienst ten doel hebben en, op initiatief van de openbare overheid, door een wet of krachtens een wet werden opgericht en een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten. Met andere woorden, zij spruiten voort uit de bijzondere juridische aanwending, door een openbare macht en voor een openbare dienst, van een patrimonium onderscheiden van het algemeen patrimonium van de openbare macht door wie de openbare instelling werd opgericht. Alhoewel zij organiek, technisch, administratief en financieel autonoom zijn, blijven de openbare instellingen onder voogdij en onder controle van de oprichtende openbare macht" (Com.IB 253/84). In een arrest van 12 februari 2015 omschreef uw Hof een openbare instelling als een rechtspersoon van publiek recht of in een privaatrechtelijke vorm, die is opgericht, erkend of goedgekeurd door de federale overheid, de gemeenschappen of de gewesten, die een opdracht van openbare dienstverlening vervult, waarvan de werking bepaald en gecontroleerd wordt door de overheid en die over bevoegdheden van het openbaar gezag beschikt, met name die waarbij zij beslissingen kan nemen die derden binden (Cass. 12 februari 2015, AR D.14.0011.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150212.9, AC 2015, nr. 108). Het begrip "openbare instelling" is een ruim begrip, waaronder alle openbare diensten met rechtspersoonlijkheid worden gerekend. Het gaat immers niet enkel om de zelfstandige dienst die bij wijze van stichting werd gecreëerd (door een eenzijdige beslissing van de openbare overheid), maar om iedere gedecentraliseerde openbare dienst, ongeacht of deze bij wijze van stichting of van vereniging tot stand is gebracht.
- Beroepscorporaties zijn met rechtspersoonlijkheid beklede organismen, waarvan zij die een bepaald beroep uitoefenen, moeten deel uitmaken, en hebben tot taak degenen die daartoe de wettelijk gestelde voorwaarden vervullen tot de uitoefening van het beroep toe te laten, hun beroepsplichten te bepalen en de nakoming ervan te verzekeren door het opleggen van tuchtstraffen. Aldus oefenen de beroepscorporaties een openbare dienst uit. Het gaat om publiekrechtelijke instellingen, opgericht door een eenzijdige beslissing van de gezagdragers. Alleen de wet kan particulieren verplichten tot zodanige organisaties toe te treden en deze het recht geven om verplichte bijdragen te heffen.
- De Orde van Architecten werd opgericht bij wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten en geniet als publiekrechtelijke beroepscorporatie rechtspersoonlijkheid op grond van artikel 1 van voornoemde wet. De wijze van samenstelling van haar organen en de vergoeding van haar leden worden bepaald door de wet. Meerdere leden worden door de Koning benoemd. Hoewel er strikt genomen geen sprake is van een administratief toezicht op alle handelingen van de organen van de Orde, komt de Koning tussen om bindende kracht te verlenen aan de voorschriften van de plichtenleer en het stagereglement (artikel 39 van de wet van 26 juni 1963). De reglementen van de Orde kunnen zelfs worden gewijzigd door de Koning. Artikel 46 van deze wet bepaalt dat de eindbeslissingen van de raden van beroep en van de nationale raad bij aangetekende brief aan de minister van Middenstand worden medegedeeld. Tegen de beslissingen van de raad van beroep kan cassatieberoep worden ingesteld (artikel 33). De wetgever voorziet bovendien in een administratief toezicht op de begroting en het bedrag van de te betalen bijdragen, dat wordt uitgeoefend door de minister van Middenstand (artikel 49). Ten slotte wordt een regeringscommissaris aangesteld bij de Orde. Nu de Orde van Architecten als publiekrechtelijke beroepscorporatie een opdracht van openbare dienstverlening vervult onder controle door de overheid, lijkt het m.i. aangewezen dat de Orde als openbare instelling wordt aangemerkt voor de toepassing van artikel 253, 3°, WIB
- Dit standpunt wordt gedeeld in de doctrine. Zo stelt auteur ROSSIGNOL, met verwijzing naar het standpunt ingenomen door de appelrechters in het bestreden arrest, dat zij "dit standpunt [betwijfelt], aangezien beide instellingen [de Orde der Artsen en de Orde van Architecten] zowel voor de vrijstellingen op het vlak van de registratie- en successierechten (zie lijst I van bijlage II van het RepertoriumRJ), als de (niet-)btw-plichtigheid op grond van art. 6 WBTW als ‘openbare instellingen' worden beschouwd" (K. ROSSIGNOL, De (on)belastbaarheid van de overheid, Brugge, die Keure, 2016, p. 203).
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet naar recht verantwoord is waar het oordeelt dat de Orde van Architecten geen openbare instelling is waarop de vrijstelling van artikel 253, 3°, WIB92 van toepassing is. Besluit: VERNIETIGING. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181123.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181123.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150212.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div