id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181210.3 Rolnummer: S.13.0034.N Kamer: 3F - troisième chambre Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-01-24 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-06-29 10:27 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181210.3 Fiches 1 - 2 Wanneer een werknemer die door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur gebonden is, ontslagen wordt met een ontoereikende opzeggingstermijn, ontstaat te zijnen voordele, overeenkomstig artikel 39, §1, Arbeidsovereenkomstenwet, een recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vanaf de kennisgeving van het ontslag, hoewel de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan totdat de in acht genomen opzeggingstermijn verstrijkt; dit recht dat ertoe strekt de werknemer in staat te stellen in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien in de bijkomende periode die nodig wordt geacht om spoedig een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden, heeft geen bestaansreden meer indien de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt ten gevolge van de opzegging gegeven met een ontoereikende opzeggingstermijn, maar wel ten gevolge van een latere beëindiging waardoor het recht op de opzegging zelf uitdooft; het onderdeel dat ervan uitgaat dat het recht op de aanvullende opzeggingsvergoeding alleen tenietgaat indien de arbeidsovereenkomst gedurende de in acht genomen te korte opzeggingstermijn wordt beëindigd door een fout van de werknemer, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien naar recht
(1)
(2)
(3).
(1)Zie concl. OM.
(2)Vergelijk Cass. 5 januari 2009, AR S.08.0013.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.6, AC 2009, nr. 3.
(3)Artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet voor de wijziging ervan door de wet van 26 december 2013, B.S. 31 december 2013. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Ontstaan van het recht - Tijdstip Tenietgaan van het recht - Tijdstip Fiche 3 Wanneer de bediende met toepassing van artikel 84 Arbeidsovereenkomstenwet een einde aan de arbeidsovereenkomst maakt met een verkorte opzeggingstermijn, wordt de termijn van de door de werkgever gegeven opzegging niet verkort, maar eindigt de overeenkomst als gevolg van de door de bediende gegeven opzegging bij het verstrijken van de door hem in acht genomen opzeggingstermijn; aangezien het recht op de door de werkgever gegeven opzegging hierdoor uitdooft, gaat bijgevolg ook het recht op de aanvullende opzeggingsvergoeding erdoor teniet
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet voor de wijziging ervan door de wet van 26 december 2013, B.S. 31 december 2013. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Vrije woorden: Opzeggingsvergoeding - Tegenopzegging door werknemer - Gevolg Fiche 4 Het recht op de in artikel 10 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs, bepaalde vergoeding ontstaat zodra de werkgever overgaat tot de beëindiging van de overeenkomst zonder de in deze wet voorgeschreven procedures na te leven; dit recht dat ertoe strekt het in het gedrang brengen van de onafhankelijkheid van de preventieadviseur te voorkomen en sanctioneren, gaat niet teniet doordat, nadat de werkgever tot het ontslag van de preventieadviseur is overgegaan, aan de arbeidsovereenkomst een einde komt ingevolge een door de werknemer in toepassing van artikel 84 Arbeidsovereenkomstenwet gegeven tegenopzegging; het arrest dat anders oordeelt, verantwoordt zijn beslissing dat de eiser geen recht heeft op de bijzondere ontslagvergoeding niet naar recht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Vrije woorden: Preventieadviseur - Beschermingsvergoeding - Tegenopzegging door werknemer - Gevolg Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - VAN PUYVELDE, Ilse; Noot "Het verschil tussen een (zuivere) schadevergoeding en een sanctie" - 2019-20, nr. 11, p 418-
- Tekst van de conclusie S.13.0034.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, gewezen op 12 oktober
- Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd.
- Inleiding. In het kader van de beoordeling van de middelen die aangevoerd worden in huidige voorziening is het aangewezen om een zicht te hebben op het opzet van de diverse vergoedingen die het voorwerp uitmaakten van de vorderingen van eisende partij. Het gebeurlijke verschil in opzet kan immers een invloed hebben op de oplossing die zich zal opdringen. Aan de orde in huidig geding zijn twee soorten vergoedingen. Men heeft enerzijds het aspect aanvullende opzeggingsvergoeding in het kader van de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet en anderzijds de beschermingsvergoeding in het kader van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs. Eerst wat betreft de aanvullende opzeggingsvergoeding. Ingevolge de bepalingen van artikel 37, §1, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet is het iedere partij toegestaan om aan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een einde te stellen door opzegging aan de andere. Het, in deze nog toepasselijke, artikel 82 van dezelfde wet regelt de opzegtermijnen die in acht moeten worden genomen. Deze termijnen verschillen naargelang de opzegging uitgaat van de werkgever of van de werknemer. Het doel is immers onderscheiden. Zo de opzegging uitgaat van de werkgever dan dient de opzeggingstermijn de werknemer in staat te stellen in zijn levensonderhoud te voorzien terwijl hij op zoek gaat naar een andere, gelijkwaardige en passende, dienstbetrekking. Zo de opzegging uitgaat van de werknemer, dan dient de opzeggingstermijn de werkgever in staat te stellen om een andere arbeidskracht in dienst te nemen
(1). De desbetreffende bepaling vrijwaart dus zowel de rechten van de werkgever als die van de werknemer. Indien bij de opzegging een te korte termijn wordt in acht genomen door de persoon die de opzegging doet, ontstaat er in hoofde van de andere een recht op een vergoeding. Deze vergoeding heeft geen punitief karakter doch beoogt het herstel van een schade. Vervolgens, wat betreft de beschermingsvergoeding. Een tweede soort van vergoedingen betreft deze van de beschermingsvergoedingen. Dit type van ontslagvergoedingen komt enkel tegoed aan een specifieke categorie van werknemers, te weten zij die genieten van een bijzondere ontslagbescherming. Het gaat dan hier om werknemers voor wiens ontslag bijzondere voorwaarden gelden, zoals een verbod om ontslag om bepaalde redenen of het ontslag slechts toestaan in bepaalde omstandigheden
(2). Het betreft dus ontslagverboden die de werknemers beschermen. De beschermingsvergoeding die de werkgever dient te betalen aan zijn werknemer heeft niet tot doel om een schade te vergoeden, doch heeft het karakter van een civiele sanctie die ten laste van de werkgever komt die een ontslagverbod heeft overtreden. Het doel van deze beschermingsvergoeding is immers om een ontradend effect te hebben
(3). Het dient om de werkgever ertoe aan te zetten om het ontslagverbod te respecteren, en in voorkomend geval, de opgelegde ontslagprocedure te volgen. De tweede vergoeding in huidig geschil betreft zo'n beschermingsvergoeding namelijk die inzake de preventieadviseurs. Het ontslag van deze werknemers is onderworpen aan bijzondere voorwaarden en dit zowel wat betreft de gronden die tot ontslag kunnen leiden alsook de procedure die gevolgd dient te worden. Een en ander is aan te treffen in de wet van 20 december 2002 betreffende de preventieadviseurs. In deze wet gaat het niet enkel om een bescherming tegen ontslag, maar ook tegen een verwijdering uit de functie
(4). 3. Beoordeling 3.1 Eerste middel a. Eerste onderdeel. Het eerste onderdeel kan niet worden aangenomen. In tegenstelling tot waar het onderdeel van uitgaat houden de appelrechters, bij het bepalen van de opzeggingstermijn waarop eiser aanspraak kan maken, en de hieraan verbonden opzeggingsvergoeding, geen rekening met omstandigheden van na de opzegging. De appelrechters oordelen dat eiser het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding verliest omdat hij een handeling stelt waardoor de schade, die deze vergoeding zou dekken, zich nooit zal voordoen. Het oordeel betreft dus de effectieve gerechtigdheid, doch niet het bepalen van de omvang van de opzeggingstermijn of -vergoeding. Er moet inderdaad een onderscheid gemaakt worden tussen, enerzijds, het bepalen van de opzeggingstermijn, en de gebeurlijk aanvullende opzeggingsvergoeding, en, anderzijds, het effectief gerechtigd zijn op deze vergoeding. Bij het bepalen van de omvang van de opzeggingstermijn/aanvullende opzeggingsvergoeding geldt de regel dat de rechter hierbij enkel rekening mag houden met de op het ogenblik van de opzegging bestaande criteria en niet met latere omstandigheden
(5). Dit geldt evenwel niet wanneer het gaat over de vraag over het effectief gerechtigd zijn op deze vergoeding. Dit laatste kan inderdaad beïnvloed worden door een latere omstandigheid, zo bijvoorbeeld het ontslag om dringende reden van de betrokken werknemer tijdens de opzeggingstermijn. Anders geformuleerd, bij het bepalen van het bedrag van de aanvullende opzeggingsvergoeding stelt de rechter zich op het ogenblik van het geven van de opzegging. Bij de becijfering houdt hij dus enkel rekening met de criteria die op dat ogenblik voorhanden zijn.
(6)Echter, of de betrokken werknemer ook effectief zal kunnen genieten van het aldus bepaalde bedrag kan worden beïnvloed door feiten die zich lopende de uitvoering van de opzegtermijn voordoen. b. Tweede onderdeel. Het onderdeel faalt naar recht daar het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. In tegenstelling tot waar het onderdeel van uitgaat, gaat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding niet enkel teniet indien de te korte opzeggingstermijn wordt beëindigd door een fout van de werknemer die zodoende het recht verliest op de vergoeding die de ontoereikende duur van de termijn compenseert. Zoals hoger aangegeven betreft de aanvullende opzeggingsvergoeding een schadevergoeding die het tekort aan opzeggingstermijn compenseert. Het principe is dat de opzeggingstermijn die termijn dekt die de ontslagen werknemer nodig heeft om een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden. De opzeggingstermijn zorgt er voor dat de werknemer, in tussentijd, in zijn levensonderhoud en dat van zijn familie kan voorzien. Zo de gegeven opzeggingstermijn te kort is en er een aanvullende opzeggingsvergoeding moet betaald worden dan strekt deze vergoeding tot hetzelfde doel. Namelijk het voorzien in een levensonderhoud tijdens het zoeken van een andere dienstbetrekking. Er is echter slechts gerechtigdheid op een schadevergoeding indien er effectief schade is. Dus telkenmale de arbeidsovereenkomst eindigt op een wijze waardoor het recht op de opzegging uitdooft, dan verdwijnt tevens het recht van de werknemer op de aanvullende opzeggingsvergoeding. Zo kan er hier gedacht worden, naast het ontslag in hoofde van de werknemer om dringende reden tijdens de opzegtermijn, aan de beëindiging in onderling akkoord, de tegenopzegging door de werknemer,...
(7)De schadepost, namelijk het tekort aan opzeggingstermijn, zal in die gevallen niet meer voorhanden zijn zodat er geen reden van bestaan meer is voor een schadevergoeding. Hiervoor kan een vergelijking gemaakt worden met de situatie waar er wel een voldoende opzeggingstermijn werd gegeven. Iedere beëindiging daarvan, op een wijze die het recht op de opzegging teniet doet, zal tot gevolg hebben dat de opzeggingstermijn ophoudt te lopen zonder dat er een gerechtigdheid is op een vergoeding voor de nog resterende termijn
(8). c. Derde onderdeel. Het derde onderdeel faalt naar recht daar het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Lopende de opzeggingstermijn, ingevolge het door de werkgever gegeven ontslag, kan de werknemer, in het kader van het hier nog toepasselijke artikel 84 Arbeidsovereenkomstenwet, een einde maken aan de overeenkomst, met een verkorte opzeggingstermijn, zo hij een andere betrekking heeft gevonden. Ter zake kan verwezen worden naar een passage van de conclusie van Procureur-generaal Lenaerts voor het arrest van Uw Hof van 26 november 1990: "... Wanneer de bediende met toepassing van artikel 84 een einde aan de arbeidsovereenkomst maakt met verkorte opzeggingstermijn, vervangt deze vorm van beëindiging de opzegging door de werkgever. Het gaat niet om een verkorting van de door de werkgever gegeven opzeggingstermijn, maar om een nieuwe opzegging gegeven door de bediende. ..."
(9). Uw Hof oordeelde in dit arrest in dezelfde zin. De tegenopzegging van de werknemer beëindigt derhalve de arbeidsovereenkomst en niet de initieel, door de werkgever, betekende opzegtermijn
(10). Deze handeling, uitgaande van de werknemer, substitueert zich dus aan, en primeert op, het voorafgaande ontslag uitgaande van de werkgever. De gevolgen, die aan de eerste opzegging verbonden waren, verliezen zodoende hun gelding
(11). Door de tegenopzegging van de werknemer, op grond van artikel 84 Arbeidsovereenkomstenwet, dooft het recht op de door de werkgever gegeven opzegging uit en dus tevens het recht op de aanvullende opzeggingsvergoeding. 3.2 Tweede middel. Het tweede onderdeel. Het tweede onderdeel is gegrond. De beschermingsvergoeding is een civiele sanctie die de werkgever beteugelt zo hij een ontslagverbod heeft overtreden of de in het kader van dit ontslag voorziene wettelijke procedure niet heeft nageleefd. Het ontradend effect dat wordt nagestreefd, vindt - in het kader van de situatie van de preventieadviseur - zijn grondslag in de onafhankelijkheid waarover deze dient te beschikken; en dus dit laatste te waarborgen
(12). Deze onafhankelijkheid geldt zowel ten aanzien van de werkgever als van de werknemers
(13). Zij wordt gehanteerd in het algemeen belang, meer in het bijzonder dient zij het welzijn op het werk. De beschermingsvergoeding is sanctionerend van aard. Dienvolgens ontstaat de verschuldigdheid op het ogenblik dat het wettelijk gebod of verbod wordt miskend. Van zodra het verbod/gebod niet wordt nageleefd, treedt het sanctiemechanisme in werking en is de werkgever de sommen verschuldigd. De sanctie, en dus het verschuldigd zijn, wordt enkel opgeheven volgens de modaliteiten die, gebeurlijk, aan te treffen zijn in de wet
(14). Feiten die zich later voordoen, zoals bijvoorbeeld een ontslag om dringende reden in hoofde van de werknemer, lopende de opzegtermijn, doet - in tegenstelling tot wat geldt voor de aanvullende opzeggingsvergoeding - geen afbreuk aan het verschuldigd zijn van de beschermingsvergoeding. Het betreft immers geen schadevergoeding en het vereist derhalve niet het bestaan van een schadepost. Het punitief karakter heeft tevens tot gevolg dat de sommen onmiddellijk opeisbaar zijn
(15). Deze vergoeding blijft dan ook verschuldigd zelfs indien aan de opzeggingstermijn, ingevolge de opzegging door de werkgever, een einde komt door tegenopzegging van de werknemer. De appelrechters die er anders over oordelen, verantwoorden niet naar recht hun beslissing. Conclusie: cassatie op het tweede onderdeel van het tweede middel. _______________________
(1)Conclusie toenmalig advocaat-generaal Lenaerts voor Cass. 8 september 1980, in Grote arresten van het Hof van Cassatie gewezen op conclusie van Em. Procureur-generaal H. Lenaerts, Maklu, Antwerpen, 1998, p. 351; Conclusie toenmalig advocaat-generaal Lenaerts voor Cass. 10 oktober 1977, in Grote arresten van het Hof van Cassatie gewezen op conclusie van Em. Procureur-generaal H. Lenaerts, o.c., p. 332 en Cass 17 september 1975, AC 1976, p. 82.
(2)J. HERMAN, Bijzondere bescherming tegen ontslag, Kluwer, Mechelen, 2004, p. 3.
(3)L. ELIAERTS, Beschermde werknemers - Ondernemingsraad en Comité voor preventie en bescherming op het werk, Larcier, Brussel, 2002, p. 298.
(4)J. HERMAN, o.c., p. 141.
(5)Conclusie toenmalig advocaat-generaal Lenaerts voor Cass. 8 september 1980, in Grote arresten van het Hof van Cassatie gewezen op conclusie van Em. Procureur-generaal H. Lenaerts, o.c., p. 351.
(6)K. SALOMEZ, "Het ontstaan en tenietgaan van het recht op een aanvullende opzegvergoeding", TSR, 2012, p. 10 en 20.
(7)T. CLAEYS en I. VERHELST, "De opzegtermijn voor bedienden: recente knelpunten", in Actuele problemen van het arbeidsrecht 8, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 103.
(8)W. VANDEPUTTE, "Knelpunten bij het bepalen van de opzeggingstermijn en de opzeggingsvergoeding voor bedienden. Brengen het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie licht in de duisternis?", RW, 2009-10, p. 1291-1292.
(9)Conclusie Procureur-generaal Lenaerts voor Cass. 26 november 1990, in Grote arresten van het Hof van Cassatie gewezen op conclusie van Em. Procureur-generaal H. Lenaerts, Maklu, Antwerpen, 1998, p. 489-490.
(10)T. CLAEYS en I. VERHELST, o.c., p.104.
(11)I. PLETS, "Beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor het begin van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en tijdens de opzeggingstermijn", TSR, 1998, p. 581.
(12)L. ELIAERTS, "De bescherming van de preventieadviseur", Soc. Kron., 2004, p.183.
(13)J. HERMAN, o.c., p. 144 en L. ELIAERTS, o.c., p. 183.
(14)Zo kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de regeling die aangetroffen kan worden in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Meer in het bijzonder de figuur van de re-integratie en de gevolgen hiervan, zoals geregeld in de artikelen 14 en 15 van de wet.
(15)In die zin deel ik dan ook niet het standpunt dat ingenomen werd in het arrest van uw Hof van 22 juni 2009 (AR S.09.0003.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.9, AC 2009, nr. 431). Er werd geoordeeld dat de in de artikelen 16 en 17 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden voorziene vergoedingen slechts aan de werknemer verschuldigd zijn van zodra de arbeidsovereenkomst effectief tot einde komt ingevolge de opzegging door de werkgever. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181210.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181210.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div