← België

ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181210.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181210.4 Rolnummer: S.13.0118.N-S.13.0119.N Kamer: 3F - troisième chambre Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2019-01-24 Raadplegingen: 156 - laatst gezien 2026-06-28 04:59 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181210.4 Fiche 1 De rechter die uitspraak doet over een voorwaardelijk gestelde vordering niettegenstaande de (gestelde) voorwaarde niet is vervuld, doet uitspraak over niet-gevorderde zaken en miskent het beschikkingsbeginsel

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Uitspraak over niet-gevorderde zaken - Verbod om uitspraak te doen Fiche 2 Uit de redactie van artikel 19, §2, 4°, tweede lid, aanhef en b) van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet en de bedoeling van deze bepalingen volgt dat de mobiliteitsvergoeding (in gebruik in bedrijfstakken waar de werkplaats niet vast bepaald is,) slechts van bijdrageheffing voor de sociale zekerheid is vrijgesteld indien deze is vastgesteld overeenkomstig de berekeningswijze die is bepaald in de algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van de bedrijfstak waaronder men ressorteert
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Loon - Beperking - Terugbetaling kosten woon-werkverkeer - Mobiliteitsvergoeding - Voorwaarden Tekst van de conclusie S.13.0118.N-S.13.0119.N Conclusie van de advocaat generaal Genicot: Feiten en retroacten
  1. Verweerster in de zaak AR S.13.0118.N, tevens eerste verweerster in de zaak S.13.0119.N, is een onderneming die sinds 2002 in uitvoering van opeenvolgende algemeen verbindend verklaarde cao's gesloten in het paritair comité voor het bouwbedrijf aan haar arbeiders mobiliteitsvergoedingen toekende. Na een onderzoek van de sociale inspectie ging de RSZ, eiser in de zaak S.13.0119.N op 2 augustus 2007 over tot een regularisatie voor de periode van het tweede kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2006, omdat deze meende dat de bedragen die verweerster als mobiliteitsvergoedingen had uitgekeerd, integraal onderworpen waren aan sociale zekerheidsbijdragen en deze dus onterecht niet waren betaald. De RSZ dagvaardde verweerster op 2 november 2007 tot betaling van achterstallige rsz-bijdragen. Verweerster vorderde van haar kant te horen zeggen voor recht dat de berekening van de mobiliteitsvergoedingen binnen haar onderneming daarentegen correct gebeurde, zodat de regularisatie ongegrond is en vorderde dat de RSZ zou worden veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding voor de schade die zij ingevolge de onjuiste toepassing van de regelgeving inzake mobiliteitsvergoedingen leed. Voor het geval zij de mobiliteitsvergoedingen niet correct zou hebben berekend, vorderde zij een provisionele schadevergoeding van haar sociaal secretariaat (eiseres in de zaak S.13.0118.N, tevens tweede verweerster in de zaak S.13.0119.N).
  2. Het beroepen vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 26 maart 2009 verklaarde de vordering van de RSZ tegen de verweerster ontvankelijk en gegrond en de vorderingen van verweerster ten aanzien van de RSZ ongegrond. Verweerster tekende tegen deze uitspraak hoger beroep aan. Bij tussenarrest van 10 november 2012 verklaarde het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en beval het de heropening van het debat. Bij eindarrest van 12 december 2012 oordeelden de appelrechters dat verweerster de mobiliteitsvergoedingen die zij aan haar arbeiders had toegekend correct had berekend. Daarenboven verklaarden ze de vorderingen van de verweerster ten aanzien van de RSZ en haar sociaal secretariaat gegrond. Voeging
  3. Aangezien beide cassatieberoepen (minstens)
(1)gericht zijn tegen het eindarrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 12 december 2012, bestaat er grond om deze te voegen. I. Het cassatieberoep AR S.13.0118.N Enig middel.
  1. Volgens het middel doet het arbeidshof dat de subsidiaire vordering van de verweerster ten aanzien van haar sociaal secretariaat gegrond verklaart, uitspraak over niet-gevorderde zaken, omdat de verweerster deze vordering maar stelde voor het geval zij zou worden veroordeeld tot regularisatie en bijgevolg tot betaling van bijkomende bijdragen aan de RSZ, terwijl het hof de vorderingen van de RSZ in die zin precies heeft afgewezen door het vonnis van de eerste rechter te hervormen.
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster in haar "Syntheseberoepsbesluiten na heropening van de debatten" van 28 maart 2012 vorderde dat, in de mate dat zij tot regularisatie wordt veroordeeld
(2)of werd vastgesteld dat ze verkeerde berekeningen inzake mobiliteitsvergoedingen heeft ingediend
(3), haar sociaal secretariaat volledig aansprakelijk zou worden gesteld voor alle schade die zij ondervindt door het verkeerde advies en de verkeerde berekeningen die deze haar heeft gegeven en heeft gemaakt.
  1. De appelrechters die oordelen dat "[de eiseres] tekortgeschoten [is] in [haar] contractuele verplichtingen, zodat de subsidiaire vorderingen van [de verweerster] opzichtens [de eiseres] gegrond voorkomen", niettegenstaande de verweerster niet tot regularisatie ten aanzien van de RSZ werd veroordeeld, doen mijns inziens, bij gebreke aan het zich voordoen van de voorwaarde waaronder deze vordering werd gesteld, inderdaad uitspraak over een vordering die de verweerster niet heeft gesteld en schenden zodoende artikel 1138, 2° Gerechtelijk Wetboek. Het middel lijkt me mitsdien in zoverre gegrond.
  2. Omdat de overige grieven in de zaak S.13.0118.N niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, behoeven deze hier geen nader antwoord. II. Het cassatieberoep AR S.13.0119.N
  3. Het cassatieberoep AR S.13.0119.N omvat twee middelen, waarbij het tweede middel uiteenvalt in vier onderdelen. Eerste middel (...) Tweede middel. Eerste onderdeel.
  4. In het eerste onderdeel voert de RSZ aan dat opdat de mobiliteitsvergoeding niet als loon zou worden beschouwd in de zin van artikel 19, §2, 4° Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, deze moet berekend zijn volgens de voorschriften van een algemeen verbindend verklaarde sectorale collectieve arbeidsovereenkomst (artikel 19, §2, 4°, sub b), waarbij de aldus berekende vergoeding het in artikel 19, §2, 4°, sub c) bepaalde maximumbedrag niet mag overschrijden. Aangezien uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de mobiliteitsvergoeding niet was berekend zoals voorgeschreven in de toepasselijke cao's, met name in functie van de afstand per dag bepaald in vogelvlucht, maar in functie van een gemiddelde afstand per dag bepaald op basis van de werkelijk afgelegde afstand per maand, oordeelden de appelrechters volgens het onderdeel niet naar recht dat de eerste verweerster de mobiliteitsvergoeding op een correcte wijze had berekend en niets anders heeft gedaan dan uitvoering te geven aan de algemeen verbindend verklaarde sectoriële collectieve arbeidsovereenkomst uit het paritair comité
  5. Ontvankelijkheid.
  6. De tweede verweerster voert in haar memorie van antwoord aan dat het tweede middel in zijn geheel niet ontvankelijk is. Ten eerste meent zij dat de in het middel bestreden beslissingen en in het bijzonder de beslissing tot afwijzing van de vordering van de RSZ, zouden gedragen worden door de als dusdanig niet aangevochten beslissingen dat de RSZ het zorgvuldigheidsbeginsel of het voorzichtigheidbeginsel heeft miskend, eerste verweerster hierdoor schade heeft geleden en die schade kan worden bepaald op het bedrag waartoe zij ten opzichte van de RSZ zou kunnen gehouden zijn, zodat het middel dat in zijn geheel gericht is tegen overtollige motieven niet tot cassatie kan leiden. Het arrest van 12 december 2012 laat in elk geval zijn beslissing dat de eiser het zorgvuldigheidsbeginsel of het voorzichtigheidsbeginsel heeft miskend steunen op het door het bekritiseerd oordeel dat de eerste verweerster de mobiliteitsvergoedingen op een correcte wijze had berekend overeenkomstig de toepasselijke CAO's. Deze grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  7. Tegen dit onderdeel voert ook de tweede verweerster bijkomend twee gronden van niet-ontvankelijkheid aan.
  8. Volgens een eerste grond van niet-ontvankelijkheid is aan de voorwaarde vermeld in artikel 19, §2, 4°, tweede lid, b Uitvoeringsbesluit RSZ-wet voldaan zodra de forfaitaire regeling van terugbetaling van verplaatsingskosten, zoals in casu het geval is, in een algemeen verbindend verklaarde CAO is opgenomen. Het onderdeel dat aanvoert dat de berekening van de mobiliteitsvergoeding volgens de toepasselijke CAO's op grond van een afstand in vogelvlucht had moeten gebeuren, kan bijgevolg bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid valt mijns inziens niet te onderscheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf, zodat deze moet verworpen worden.
  9. Volgens een tweede grond van niet-ontvankelijkheid voerde de eiser voor de appelrechters niet aan dat de eerste verweerster de mobiliteitsvergoeding niet berekende in functie van de afstand in vogelvlucht tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, noch dat de berekening niet gebeurde aan de hand van de werkelijk afgelegde afstand per dag in vogelvlucht, zodat het onderdeel nieuw is en om die reden eveneens onontvankelijk moet worden verklaard.
  10. Niettegenstaande uit de stukken waarop het Hof vermag acht te staan, inderdaad blijkt dat de RSZ niet aanvoerde dat de eerste verweerster de mobiliteitsvergoeding niet berekende in functie van de afstand in vogelvlucht tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, noch dat de berekening niet gebeurde aan de hand van de werkelijk afgelegde afstand per dag in vogelvlucht, stelden de appelrechters niettemin vast dat de mobiliteitsvergoeding niet werd berekend in functie van de afstand per dag in vogelvlucht, maar in functie van een gemiddelde dagelijkse afstand, bepaald op basis van de werkelijk afgelegde afstand per maand zoals blijkt uit de tachograafschijven van de vrachtwagens
(4).
  1. Aangezien de als geschonden aangewezen bepalingen de openbare orde raken en de appelrechters daarenboven voormelde feitelijke gegevens hebben vastgesteld, kan de eiser de schending ervan mijns inziens voor het eerst voor het Hof opwerpen en moet ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid verworpen worden. Gegrondheid
  2. Krachtens artikel 14, §1 RSZ-wet worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op grond van het loon van de werknemer. Overeenkomstig §2 van voormeld artikel wordt het begrip loon bepaald bij artikel 2 Loonbeschermingswet, welk artikel onder loon verstaat: 1° het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever, 2° de fooien of het bedieningsgeld waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking of krachtens het gebruik en 3° de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Krachtens §3 van artikel 14 RSZ-wet kan de Koning het aldus bepaalde begrip, bij in Ministerraad overlegd besluit, verruimen of beperken. De Koning maakte van laatstgenoemde mogelijkheid gebruik in artikel 19, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet.
  3. Krachtens artikel 19, §2, 4°, eerste lid Uitvoeringsbesluit RSZ-wet worden, met afwijking van artikel 2, eerste lid, Loonbeschermingswet niet als loon aangemerkt: de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft verricht om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, alsook de kosten die ten laste van zijn werkgever vallen. Overeenkomstig het tweede lid wordt met een terugbetaling van de kosten, in de zin van het eerste lid, gelijkgesteld, de mobiliteitsvergoeding die wordt betaald aan de werknemers bij toepassing van een forfaitaire regeling van terugbetaling van verplaatsingskosten, in gebruik in bedrijfstakken waar de werkplaats niet vast bepaald is, in zoverre volgende voorwaarden vervuld zijn: a) (...) (deze voorwaarde werd vernietigd door de Raad van State bij arrest van 31 januari 2002 (nr. 103.050); b) de forfaitaire regeling van terugbetaling en de vergoedingen die zij vaststelt moeten worden omschreven bij collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de schoot van een paritair orgaan en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit; c) het bedrag van de vergoeding mag de som van ... euro per kilometer afstand tussen de woonplaats en de werkplaats, te berekenen op de afstand heen en terug, niet overschrijden. Dit bedrag bedroeg vóór 1 januari 2004 0,0744 euro. Tussen 1 januari 2004 en 31 december 2008 bedroeg het 0,1076 euro.
(5)Sinds 1 januari 2009 bedraagt dit bedrag 0,1316 euro
(6). 22. Uit het gebruik van de bewoordingen "bij toepassing van een forfaitaire regeling van terugbetaling" in artikel 19, §2, 4°, tweede lid Uitvoeringsbesluit RSZ-wet volgt naar mijn mening dat een mobiliteitsvergoeding slechts met een terugbetaling van werkelijke kosten wordt gelijkgesteld (en dus niet als loon wordt beschouwd) indien zij berekend is volgens de berekeningswijze die ter zake werd uitgewerkt en welke krachtens punt
  1. b)verplicht in een algemeen verbindend verklaarde cao moet zijn opgenomen. Anders gezegd wordt een mobiliteitsvergoeding slechts niet als loon beschouwd indien zij is berekend volgens de voorschriften van een algemeen verbindend verklaarde sectorale cao, waarbij het aldus bekomen bedrag het in artikel 19, §2, 4°, sub
  2. c)bepaalde maximumbedrag niet overschrijdt. 23. Op de voorliggende zaak zijn volgende algemeen verbindend verklaarde cao's betreffende de arbeidsvoorwaarden, gesloten in het paritair comité voor het bouwbedrijf, van toepassing: - tot 31 december 2002: de cao van 5 juli 2001, algemeen verbindend verklaard bij KB van 12 januari 2006
(7); - van 1 januari 2003 tot 31 december 2004: de cao van 8 mei 2003, algemeen verbindend verklaard bij KB van 5 maart 2006
(8); en - vanaf 1 januari 2005: de cao van 2 juni 2005, algemeen verbindend verklaard bij KB van 27 september 2006
(9).
  1. De artikelen 31 van deze cao's omvatten telkens het recht op en de berekeningswijze van de mobiliteitsvergoeding. Uit deze artikelen, alsook uit de bijlagen bij voormelde cao's, volgt dat de hoogte van de mobiliteitsvergoeding afhankelijk is van de afstand in vogelvlucht tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling en dat de in aanmerking te nemen forfaitaire wettelijke afstand die hiervan afhankelijk is, per dag moet worden bepaald.
  2. De appelrechters stelden vast dat de eerste verweerster de mobiliteitsvergoeding met behulp (en na advies) van haar sociaal secretariaat op een correcte wijze berekende, met name op basis van de reële afstanden en op basis van de afstand heen en terug
(10). Deze afstanden werden berekend op basis van de bijgehouden tachograafschijven, waarbij de eerste verweerster het aantal kilometer dat door de vrachtwagen in één maand was afgelegd, deelde door het aantal gewerkte dagen om op die manier tot een gemiddeld aantal kilometer per dag te komen
(11).
  1. Gelet op voormelde vaststellingen verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de eerste verweerster de mobiliteitsvergoeding op een correcte wijze had berekend, met name op basis van de reële afstanden en op basis van de afstand heen en terug, niet naar recht. Het onderdeel lijkt mij gegrond.
  2. De overige grieven uit de zaak S.13.0119.N kunnen mijns inziens niet tot ruimere cassatie leiden en behoeven mitsdien geen antwoord meer. Besluit. De cassatieberoepen S.13.0118.N en S.13.0119.N hebben, met uitzondering van de beslissing om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, naar mijn mening de vernietiging van de bestreden arresten tot gevolg. ________________________
(1)Het cassatieberoep AR S.13.0119.N is tevens gericht tegen het tussenarrest van 10 november 2010.
(2)Zie pag. 14 en 35.
(3)Zie pag. 48.
(4)Zie pag. 12, nr. 6.1 eindarrest.
(5)Zie artikel 1 iuncto 2 KB 27 september 2006 (BS 10 oktober 2006).
(6)Zie artikel 1 iuncto 4 KB 13 februari 2009 (BS 12 maart 2009).
(7)BS 6 april 2006.
(8)BS 11 april 2003.
(9)BS 9 november 2006.
(10)Zie pag. 16, nr. 9 tussenarrest en artikel 16, nr. 10 eindarrest.
(11)Zie pag. 12, nr. 6.1 eindarrest. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181210.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181210.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.