id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.1 Rolnummer: C.14.0175.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 356 - laatst gezien 2026-06-19 02:07 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.1 Fiche 1 Opdat de termijn van drie jaar voor het inleiden van een procedure tot navordering van niet-geheven rechten een aanvang kan nemen op de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt, is vereist dat oorspronkelijk bij de invoer een bedrag werd opgeëist en dat dit bedrag werd geboekt; bij gebrek aan zulke boeking, gaat de termijn in op de dag waarop de douaneschuld is ontstaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Procedure navordering van rechten - Verjaringstermijn van drie jaar - Aanvang op de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: EEG-verordening - 24-07-1979 - Art. 2.1 - 35 Link Justel databank 19790724-35 Fiche 2 Uit de artikelen 1999 en 2000 B.W. en artikel 13 van de Wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het wetboek van koophandel betreffende het pand en de commissie volgt dat de douane-expediteur, ongeacht of de overeenkomst met zijn opdrachtgever als een lastgeving dan wel als een commissieovereenkomst dient te worden gekwalificeerd, de invoerrechten en anti-dumpingrechten tot betaling waarvan hij jegens de administratie gehouden is, kan verhalen op zijn opdrachtgever
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douane-expediteur - Invoerrechten - Betaling aan de administratie - Verhaal op de opdrachtgever - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1999 en 2000 Wet - 05-05-1872 - Art. 13 - 01 ELI link Pub nr 1872050560 Fiche 3 Wanneer de rechter vaststelt dat de in artikel 1153, eerste lid B.W. bedoelde vertraging in de betaling mede te wijten is aan de schuld van de schuldeiser, kan de moratoire interest, die de vertraging in de betaling forfaitair vergoedt, niet integraal ten laste van de schuldenaar worden gelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Vrije woorden: Vertraging in de betaling - Foutief stilzitten - Medeschuld van de schuldeiser - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1153, eerste lid Tekst van de conclusie C140175N-F140057N-F140062N-F140063N Conclusie van advocaat-generaal m.o. Johan Van der Fraenen: (...)
- Zaak F.14.0057.N 3.
- Bespreking van het eerste middel EERSTE ONDERDEEL 3.1.
- In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat het bestreden arrest, door eiseres ten opzichte van eerste verweerder tot betaling te veroordelen nu diens vordering in verband met de douaneschulden ontstaan vóór 1 januari 1994 niet is verjaard, artikel 2, inzonderheid 1, tweede lid, van de EG-verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 schendt aangezien niet wordt gelet op het tijdstip van boeking van de oorspronkelijk van eiseres geëiste bedragen, doch wel op het tijdstip van boeking der bedragen van de navordering op 7 maart 1995 en de kennisgeving ervan op 29 september
- Minstens stelt het bestreden arrest niet vast, noch wanneer de douaneschulden zijn ontstaan, noch wanneer de van eiseres oorspronkelijk geëiste bedragen zijn geboekt, hetgeen Uw Hof belet zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd; aldus eiseres (schending van artikel 149 van de Grondwet). 3.1.
- Artikel 2 van de EG-verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, zoals van toepassing vóór de intrekking ervan door de EG-verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek bepaalt het volgende: "
- Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten. Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan.
- De procedure tot navordering in de zin van lid 1 wordt ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is." De tekst van dit artikel lijkt mij duidelijk en behoeft geen interpretatie. Uit deze bepaling volgt dat de procedure tot navordering dient te worden ingeleid binnen een termijn van drie jaar vanaf hetzij "de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt", hetzij "indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan". De door artikel 2.1, tweede lid, van de EG-verordening nr. 1697/79 voorziene "dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt" kan m.i. niet worden opgevat als zijnde de dag van de boeking van de van de belastingschuldige opgeëiste nagevorderde bedragen
(1). Opdat de driejarige termijn een aanvang zou kunnen nemen op de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, is m.i. vereist dat oorspronkelijk bij de invoer een bedrag werd opgeëist en dit bedrag ook werd geboekt. Zo dit niet het geval is, gaat de termijn in op de dag waarop de douaneschuld is ontstaan. Hierbij dient opgemerkt dat overeenkomstig de artikelen 2, lid 1, sub a, en 3, sub a, van verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld
(2)een douaneschuld bij invoer ontstaat op "het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen of de tijdelijke invoer van de goederen aanvaarden of waarop enige andere handeling plaatsvindt die volgens de geldende bepalingen dezelfde rechtsgevolgen heeft als deze aanvaarding". 3.1.3. De stelling van eerste verweerder
(3)dat voor de toepassing van artikel 2.1 van de Verordening nr.1697/79, geen onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de boeking van het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag, en anderzijds, de boeking van nagevorderde, voordien nooit geheven rechten omdat de verjaringstermijn in beide gevallen loopt vanaf de datum van de boeking, ongeacht de datum van het ontstaan van de douaneschuld, kan niet worden bijgetreden. Immers, indien ook de boeking van het nagevorderde bedrag als startpunt van de termijn van drie jaar zou kunnen gelden, valt niet in te zien in welk geval die termijn dan nog kan lopen vanaf het ogenblik dat de douaneschuld is ontstaan. Het tweede voorziene vertrekpunt van de driejarige termijn van artikel 2.1, tweede lid lijkt dan volstrekt inhoudsloos. Bovendien staat deze zienswijze haaks op de eerste twee overwegingen van de considerans van de Verordening nr. 1697/79: "Overwegende dat het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer waarvan de betaling is geëist van een belastingschuldige voor een goed waarvoor een aangifte voor een douaneregeling is gedaan waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, lager kan blijken te zijn dan het bedrag dat wettelijk verschuldigd was, hetzij ten gevolge van een rekenfout of een foutieve boeking door de bevoegde autoriteiten, hetzij doordat laatstgenoemden onjuiste of onvolledige heffingsgrondslagen in aanmerking hebben genomen, onder meer wat betreft de soort, de hoeveelheid, de waarde, de oorsprong of de bestemming van het betrokken goed; dat, gelet op het in wezen economische karakter van de in de Gemeenschap geldende rechten bij invoer of bij uitvoer, deze onvolledige heffing nadelige gevolgen heeft voor de economie van de Gemeenschap; dat het derhalve gerechtvaardigd is de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de nog verschuldigde rechten na te vorderen wanneer zij constateren dat een dergelijke vergissing is begaan; Overwegende dat navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer in zekere mate afbreuk doet aan de zekerheid die de belastingschuldige mag verwachten van administratieve besluiten die geldelijke gevolgen hebben; dat derhalve ter zake de mogelijkheden tot optreden van de bevoegde autoriteiten dienen te worden beperkt door het vaststellen van een termijn waarna de oorspronkelijke vereffening van de rechten bij invoer of bij uitvoer als definitief moet worden beschouwd; dat deze beperking op het optreden van de bevoegde autoriteiten evenwel niet kan gelden wanneer een strafrechtelijk vervolgbare handeling er de oorzaak van was dat de bevoegde autoriteiten bij de vrijmaking van de goederen niet het juiste bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer konden vaststellen; [...]". Hieruit blijkt m.i. duidelijk dat men, met het oog op rechtszekerheid, voor de navordering een vaste termijn lopende vanaf de aangifte heeft willen instellen, na verloop van dewelke de belastingplichtige niet meer zou kunnen worden aangesproken, tenzij er sprake is van strafrechtelijk vervolgbare handelingen (geval waarin de nationale verjaringstermijnen van toepassing zijn). 3.1.4. In acht genomen wat voorafgaat, meen ik dat de appelrechters, door te oordelen dat de vordering van de eerste verweerder met betrekking tot de vóór 1 januari 1994 ontstane douaneschulden niet is verjaard gelet op het tijdstip van de boeking van de bedragen van de navordering op 7 maart 1995 en de kennisgeving ervan op 29 september 1995, hun beslissing niet naar recht verantwoorden. Het onderdeel komt mij gegrond voor. (...) 3.4. Bespreking van het vierde middel 3.4.1. In het vierde middel voert eiseres aan dat het bestreden arrest aanvaardt dat het stilliggen van de procedure in graad van beroep ook het gevolg is van het foutief stilzitten van eerste verweerder. Door eiseres niettemin te veroordelen tot het betalen aan eerste verweerder van nalatigheidsintresten aan 9.6% over de gehele periode van 10 oktober 1995 tot volledige betaling van al het verschuldigde, schendt het bestreden arrest volgens eiseres het artikel 1153 B.W. 3.4.2. Artikel 1153, eerste lid, B.W., bepaalt dat inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders bestaat dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Krachtens artikel 1153, tweede lid, B.W., is die schadevergoeding verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies moet bewijzen. De in die bepalingen bedoelde vertraging is die welke te wijten is aan de schuld van de schuldenaar. Uw Hof oordeelde in een arrest van 3 oktober 2013
(4)dat wanneer de rechter vaststelt dat de vertraging in de betaling mede te wijten is aan de schuld van de schuldeiser, de moratoire interest, die de vertraging in de betaling forfaitair vergoedt, niet integraal ten laste van de schuldenaar kan worden gelegd. 3.4.3. De appelrechters stellen vast dat: * geen enkele partij na de inleiding van de zaak nog enig initiatief heeft genomen om de procedure verder te zetten, hoewel elke partij dit kan; * de zaak in juli 2010 op verzoek van eerste verweerder opnieuw werd geactiveerd en sedertdien een normaal verloop heeft gekend; * er niet kan worden gesteld dat de procedure heeft stilgelegen uitsluitend ingevolge een foutief stilzitten van de Belgische Staat. Vervolgens oordelen zij dat er in die omstandigheden geen redenen zijn om geen nalatigheidsinterest toe te kennen. Het lijkt mij dat de appelrechters aldus hun beslissing niet naar recht verantwoorden aangezien zij oordelen dat eerste verweerder mede schuld heeft aan de vertraging in de betaling, doch nalaten hiermee rekening te houden bij de toekenning van de moratoire interest. Het middel komt mij gegrond voor. 3.5. Bespreking van het vijfde middel EERSTE ONDERDEEL 3.5.1. Eiseres laat in het vijfde middel gelden dat zij in syntheseconclusie aanvoerde dat tweede verweerster op grond van de artikelen 1999 en 2000 B.W. hoe dan ook gehouden is om eiseres te vrijwaren, nu eiseres bij het verrichten van de invoerformaliteiten in opdracht en voor rekening van tweede verweerster steeds nauwgezet en correct de instructies van voornoemde vennootschap heeft uitgevoerd. De appelrechters verwerpen deze vordering op grond van de overweging dat ongeacht hun goede trouw, de douane-expediteurs gehouden zijn tot betaling van de verschuldigde invoerrechten en antidumpingrechten Door aldus te beslissen dat eiseres de kosten en verliezen die zij ter gelegenheid van de uitvoering van de opdracht geleden heeft niet kan verhalen op tweede verweerster, zonder daarbij vast te stellen dat eiseres bij de uitvoering van haar opdracht een fout heeft begaan, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht en schenden zij volgens eiseres de artikelen 1984, 1992, 1999 en 2000 B.W. In zoverre de appelrechters uit de artikelen 2, 3, 135, in de beide versies, en 202 van de algemene wet inzake douane en accijnzen evenals uit de artikelen 2.1,
- a)van Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld en 2.1,
- a)van Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld afleiden dat de douaneschuld definitief ten laste blijft van de douane-expediteur, schenden de appelrechters volgens eiseres deze bepalingen evenals de artikelen 132 en 136 AWDA, waaruit volgt dat de douane-expediteur door hem betaalde invoerrechten en antidumpingrechten wel degelijk kan verhalen op de werkelijke schuldenaar ervan, zijnde de invoerder. 3.5.2. Artikel 1999 B.W. bepaalt dat de lastgever de lasthebber de voorschotten en kosten moet vergoeden, die deze tot uitvoering van de lastgeving gedaan heeft, en hem zijn loon betalen wanneer er loon beloofd is. Indien de lasthebber geen schuld te wijten is, kan de lastgever zich aan deze teruggave en betaling niet onttrekken, al mocht de zaak ook mislukt zijn, noch het bedrag van de kosten en voorschotten doen verminderen, onder voorgeven dat zij geringer konden zijn. Krachtens artikel 2000 B.W. moet de lastgever de lasthebber ook schadeloos stellen voor de verliezen die deze ter gelegenheid van de uitvoering van zijn opdracht geleden heeft, indien hem geen onvoorzichtigheid te wijten is. Op grond van artikel 13 van de Wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het wetboek van koophandel betreffende het pand en de commissie, zijn deze bepalingen ook van toepassing op de commissieovereenkomst. 3.5.3. In het bestreden arrest wordt weliswaar niet vastgesteld wat de kwalificatie is van de overeenkomst tussen eiseres en tweede verweerster. Er wordt enkel vastgesteld dat eiseres in opdracht van tweede verweerster handelde en optrad als douane-expediteur. Gezien de douane-expediteur ofwel zijn opdrachtgever direct vertegenwoordigt (wanneer de vertegenwoordiger op naam en voor rekening van een andere persoon handelt), wat overeenstemt met de privaatrechtelijke rechtsfiguur lastgeving, ofwel indirect (wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam maar voor rekening van een andere persoon handelt), wat overeenstemt met de privaatrechtelijke rechtsfiguur commissie
(5), zijn de artikelen 1999 en 2000 B.W. m.i. hoe dan ook van toepassing en volgt hieruit dat de douane-expediteur de invoerrechten en antidumpingrechten tot betaling waarvan hij jegens de administratie gehouden is, kan verhalen op zijn opdrachtgever. De appelrechters die de vrijwaringvordering van eiseres tegen tweede verweerster afwijzen enkel op grond dat de douane-expediteurs ongeacht hun goede trouw gehouden zijn tot de betaling van de verschuldigde invoerrechten en antidumpingrechten, verantwoorden m.i. hun beslissing niet naar recht
(6). Het onderdeel lijkt mij dan ook gegrond. (...) 6. Besluit: VERNIETIGING _____________________
(1)Een andersluidende visie is af te leiden uit het arrest van Uw Hof dd. 19 april 2012, AR F.11.0017.N, AC 2012, nr. 238, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120419.6.
(2)Publicatieblad L 201/15.
(3)Zie memorie van antwoord, blz.5, voorlaatste alinea.
(4)Cass. 3 oktober 2013, AR C.13.0085.N, AC 2013, nr. 495, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131003.2; zie ook Cass. 17 oktober 2002, AR C.01.0272.F, AC 2002, nr. 549, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021017.7.
(5)Zie hierover CORNETTE, M., "Directe vertegenwoordiging voor de douane-expediteur, de doorbraak", AFT, 2013/4, p. 36.
(6)Vgl. Cass. 23 november 2017, AR C.15.0290.N, waarin soortgelijke problematiek aan bod kwam en het bestreden arrest vernietigd werd op grond van een motiveringsgebrek. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021017.7 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120419.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131003.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div