id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.3 Rolnummer: F.14.0111.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-06-18 13:01 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.3 Fiche Moratoriuminteresten worden toegekend telkens wanneer een door de Staat onterecht ontvangen som die door de belastingadministratie is ingehouden en die aan de belastingplichtige interesten ontzegt op de sommen die hem onterecht zijn ontnomen, aan de belastingplichtige wordt terugbetaald, ongeacht de reden waarom de terugbetaling van de ingekohierde belastingen en de aankleven daarop moet gebeuren
(1).
(1)Zie concl. OM. Het Hof heeft op dezelfde datum een tweede arrest in dezelfde zin uitgesproken (F.14.0188.N). Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Vrije woorden: Inkomstenbelastingen - Onterecht ontvangen nalatigheidsinteresten ingehouden door de fiscale administratie - Terugbetaling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 308 - 31 Link Justel databank 19640226-31 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 418 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.14.0111.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. Johan Van der Fraenen:
- Situering De voorliggende problematiek betreft de toepassing van de in artikel 308 WIB64 bedoelde moratoriuminteresten op de terugbetaling door eiser van de door eerste verweerster op 26 maart 1996, op grond van de afrekening die door de ontvanger werd overgemaakt op 25 maart 1996, gedane betaling aan nalatigheidsinteresten ten bedrage van 396.457,45 euro (na compensatie), die naderhand teveel bleken te zijn aangerekend en terugbetaald werden op 3 april
- Bij arrest van 5 maart 2014 van het hof van beroep te Brussel werd eiser veroordeeld tot betaling aan eerste verweerster van een hoofdbedrag van 221.751,12 EUR (moratoriuminteresten van 1 april 1996 tot 30 april 2003), te vermeerderen met de fiscale moratoriuminteresten aan 7% vanaf de aanmaning van 24 april 2003, meer de gerechtelijke interesten aan dezelfde rentevoet vanaf de dagvaarding. Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
- Bespreking van het enig middel EERSTE ONDERDEEL 2.
- Eiser voert in het eerste onderdeel aan dat de notie "terugbetaling van belastingen" in de zin van artikel 308 WIB64 (thans 418 WIB92) moet worden uitgelegd in de context van de teruggave van belastingen die bevolen kan worden bij toepassing van de artikelen 211, §2, WIB64/304 WIB92 (teruggave bij kohier), 277 WIB64/376 WIB92 (ambtshalve ontheffing), 267 tot en met 286 WIB64, thans 366 tot en met 385 WIB92 (ontheffing na bezwaar of voorziening bij hof van beroep of fiscaal verhaal bij de rechtbank van eerste aanleg). Buiten dit wettelijk kader kan volgens eiser geen sprake zijn van een teruggave of terugbetaling van belastingen. De terugbetaling aan eerste verweerster van de nalatigheidsinteresten die eiser teveel had aangerekend, maakte derhalve geen fiscale teruggave uit van belastingen, noch van nalatigheidsinteresten verschuldigd op belastingen, maar betreft louter een terugbetaling van een niet-fiscale geldsom, die onverschuldigd door eerste verweerster aan eiser was betaald. Bij de terugbetaling van die geldsom, die onverschuldigd was betaald in de zin van de artikelen 1235, 1376, 1377, 1378 B.W., en geen fiscale teruggave betreft, zijn geen fiscale moratoriuminteresten verschuldigd; aldus eiser. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig met toepassing van artikel 308 WIB64 moratoriuminteresten heeft toegekend op de nalatigheidsinteresten die eerste verweerster op 26 maart 1996 onverschuldigd aan eiser heeft betaald (schending van de artikelen 172 G.W., 1235, 1376, 1377, 1378 B.W., 211, §2, 267 tot en met 286, 308 WIB64, 304, 366 tot en met 385 WIB92, 418 WIB92) 2.
- De restrictieve benadering van eiser kan naar mijn mening om verschillende redenen niet worden bijgetreden. 2.2.
- Aanvankelijk werd het begrip "belastingen" in artikel 308 WIB64/418 WIB92 door de fiscale administratie en de rechtspraak vrij ruim geïnterpreteerd, en werden moratoriuminteresten toegekend in alle gevallen van terugbetaling, behoudens wanneer er sprake was van een van de uitzonderingen voorzien in artikel 309 WIB64/419 WIB92
(1). Na verloop van tijd werd in de cassatierechtspraak een striktere interpretatie gehanteerd. Zo werden voorheffingen en voorafbetalingen niet als belastingen beschouwd, zodat bij de teruggave ervan geen moratoire interesten dienden te worden toegekend
(2). In een arrest van 10 februari 1994 besliste uw Hof wel dat artikel 308 WIB64/418 WIB92 wel van toepassing was bij de terugbetaling van op de belasting ontvangen nalatigheidsinteresten
(3). Het Grondwettelijk Hof ontwikkelde in zijn rechtspraak evenwel een ruimere interpretatie van het begrip "belastingen". Zo oordeelde het onder meer: * Het kan worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd was of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen
(4). * Het is niet verantwoord moratoriuminteresten toe te kennen in geval van terugbetaling van een belasting en niet in geval van een belastingverhoging. In beide gevallen gaat het immers om het terugbetalen van een door de Staat onterecht ontvangen som, die door de belastingadministratie is ingehouden en die aan de belastingplichtige interesten ontzegt op de sommen die hem onterecht zijn ontnomen
(5). * Dezelfde beginselen m.b.t. de terugbetaling van roerende voorheffingen en belastingverhogingen, zijn ook van toepassing wanneer niet-verrekende beroepsvoorheffingen in het geding zijn. Het kan bijgevolg worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van niet-verrekende bedrijfsvoorheffing wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd is of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie, en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen die niet moeten worden verdeeld tussen verschillende belastingplichtigen
(6). Uit voormelde rechtspraak kan m.i. worden afgeleid dat artikel 308 WIB64/418 WIB92 dient te worden toegepast wanneer teveel belastingen (in de ruime zin van het woord; aankleven inbegrepen) werden betaald ingevolge een vergissing van de administratie en het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen. Essentieel lijkt mij dat het gaat om het terugbetalen van een door de Staat onterecht ontvangen som, die door de belastingadministratie is ingehouden, en niet spontaan is betaald, zoals in voorliggend geval. De reden waarom de terugbetaling moet gebeuren, is m.i. niet van belang. Deze visie vindt steun in een arrest van Uw Hof dd. 19 juni 2015 waarin werd geoordeeld dat de Staat geen enkele interest verschuldigd is bij de terugbetaling van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer betaald heeft dan hij verschuldigd was maar dat bij de terugbetaling van niet-verschuldigde bedrijfsvoorheffing, die bij gebrek aan spontane betaling werd ingekohierd, moratoriuminterest verschuldigd is op grond van artikel 418 WIB92
(7). 2.2.
- De tekst van artikel 308 WIB64/ 418 WIB92 zelf maakt overigens geen onderscheid ten aanzien van de reden waarom de terugbetaling van ingekohierde belastingen en aankleven daarop moet geschieden. 2.2.
- Volledigheidshalve kan daarenboven worden opgemerkt dat in Circulaire AAFisc Nr. 40/2016 (nr. Ci.701.539) van 2 december 2016 wordt aangegeven dat "deze moratoriuminteresten worden toegekend ingeval de terugbetaling wordt bevolen in een administratieve beslissing naar aanleiding van een bezwaarschrift of een vraag tot ambtshalve ontheffing, en bij een gerechtelijke uitspraak die een terugbetaling beveelt" (onder nr. 5, tweede alinea). De administratieve circulaire zelf maakt aldus geen onderscheid tussen de redenen waarom die gerechtelijke uitspraak de terugbetaling beveelt. 2.
- Op grond van wat voorafgaat, meen ik dat het eerste onderdeel dat ervan uitgaat dat geen moratoriuminteresten verschuldigd zijn op grond van artikel 308 WIB64 om reden dat een teruggave van belastingen enkel kan geschieden bij ontheffing na bezwaar van de belastingplichtige (eventueel gevolgd door een voorziening in rechte), in het kader van een ambtshalve ontheffing of in geval van teruggave bij kohier, faalt naar recht. (...)
- Besluit: VERWERPING ____________________
(1)DE RAEDT, S., (Ed.) Interesten bij het betalen en terugkrijgen van belastingen, Larcier, 2006, 108.
(2)Zie bijvb; Cass. 29 oktober 1987, AR F.810.F, AC 1987-1988, I, nr. 127, ECLI:BE:CASS:1987:ARR.19871029.15.
(3)Cass. 10 februari 1994, AR 9605, AC 1994, nr. 74, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940210.11.
(4)GwH. 17 maart 1999, nr. 35/99; 20 september 2001, nr. 113/2001; 25 januari 2007, nr. 20/2007 en 21 februari 2008, nr.24/2008.
(5)GwH., 12 mei 2004, nr. 85/2004.
(6)GwH. Hof, 21 februari 2008, nr.24/2008.
(7)Cass. 19 juni 2015, AR F.13.0056.N, AC 2015, nr. 421, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150619.4. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1987:ARR.19871029.15 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940210.11 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150619.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div