id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.5 Rolnummer: F.18.0093.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-06-28 14:34 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.5 Fiche 1 Het legaliteitsbeginsel staat er in beginsel niet aan in de weg dat de administratie gebruik maakt van bewijsmiddelen die eenieder ter beschikking staan, zoals het doen van materiële vaststellingen in de openbare ruimte, behoudens wanneer zulks in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur of een miskenning oplevert van de grondrechten zoals het recht op het privéleven; aldus kunnen fiscale ambtenaren in beginsel vanop de openbare weg met het oog op het bepalen van de belastingschuld ongemerkt de beroepsactiviteiten van een belastingplichtige observeren, evenals de beroepshandelingen die deze stelt met andere belastingplichtigen, ook al vinden deze observaties herhaaldelijk plaats
(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Vrije woorden: Observatie door fiscale ambtenaren in de openbare ruimte - Geoorloofdheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 170 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 2 De artikelen 47ter en 47sexies Sv. zijn niet van toepassing op fiscale ambtenaren, andere dan zij die ter beschikking zijn gesteld van de federale politie en de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, die observaties uitvoeren met het oog op het bepalen van de belastingschuld
(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Vrije woorden: Observatie door fiscale ambtenaren in de openbare ruimte - Artikel 47ter en 47sexies Sv. - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47ter en 47sexies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Het inzamelen door eigen waarnemingen van feitelijke gegevens in de openbare ruimte door de fiscale administratie met het oogmerk de waarachtigheid van bepaalde feiten te achterhalen teneinde de belasting te kunnen heffen, levert in beginsel geen inbreuk op het privéleven van de belastingplichtige op
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Eerbiediging privéleven van de belastingplichtige - Observatie door fiscale ambtenaren in de openbare ruimte - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Vrije woorden: Eerbiediging privéleven van de belastingplichtige - Observatie door fiscale ambtenaren in de openbare ruimte - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Annotaties Publicaties: Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] - DESTERBECK, Francis; Noot "De ene observatie is de andere niet" - 2019, nr. 2, p. 5-
- Tijdschrift voor Fiscaal Recht [T.F.R.] - DE CONINCK, Helena; Noot "De fiscale observatie als “impliciete” bevoegdheid" - 2019, nr. 567, p. 769-
- Tekst van de conclusie F.18.0093.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. Johan Van der Fraenen:
- Situering Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eerste eiser de uitbater was van een café en zich liet bevoorraden door drankenhandel Creve Drinks. De betwisting heeft betrekking op aanvullende aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 die werden gevestigd op basis van gegevens die door de fiscale administratie werden afgeleid uit het strafonderzoek tegen Creve Drinks. Daarbij werd verspreid over de verschillende jaren een niet-aangegeven omzet weerhouden van in totaal 192.458,12 euro en werd een belastingverhoging van 50% opgelegd. De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, verklaarde de vordering van eisers ongegrond bij vonnis dd. 13 januari
- Het hof van beroep te Gent verklaarde de vordering van eisers gedeeltelijk gegrond bij arrest dd. 5 december 2017; met name werd de opgelegde belastingverhoging gereduceerd naar 25%. Het cassatieberoep van eisers tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen tot cassatie aan.
- Bespreking van het eerste middel 2.
- Eisers voeren in het eerste middel aan dat de administratie niet over de wettelijke onderzoeksbevoegdheid beschikt om personen gedurende een bepaalde tijdspanne te observeren. Volgens eisers voorzien noch de artikelen 315 tot en met 338bis WIB92, noch de artikelen 61 tot en met 69 WBTW in een dergelijke onderzoeksbevoegdheid voor de belastingadministratie. Het in onderhavige zaak gevoerde fiscaal onderzoek en de daaruit voortvloeiende taxaties zijn volgens het middel derhalve nietig wegens machtsoverschrijding en schending van het legaliteitsbeginsel (schending van de artikelen 315 tot en met 338bis WIB92, 59 tot en met 69 WBTW, 170 G.W.). 2.
- De artikelen 315 tot en met 338bis WIB92 en de artikelen 59 tot en met 69 WBTW kennen de fiscale administratie een aantal specifieke onderzoeksbevoegdheden toe. Deze bepalingen zijn echter geenszins als een allesomvattend kader te aanzien waarin alle aspecten van de onderzoeksbevoegdheden van de fiscale administratie worden geregeld. Het gaat veeleer om een aantal basisregels en krachtlijnen die worden vastgelegd met betrekking tot specifieke onderzoeksbevoegdheden die op het vlak van de concrete invulling van de discretionaire bevoegdheid ter zake van de administratie
(1)verder dienen aangevuld aan de hand van de beginselen van behoorlijk bestuur en de grondrechten vervat in de grondwet en in de internationale verdragen. 2.3. In zoverre het middel er van uitgaat dat belastingambtenaren bij de uitvoering van een fiscale controle geen onderzoekshandelingen kunnen stellen die niet uitdrukkelijk toegelaten zijn door de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen, faalt het m.i. naar recht. Wanneer het de administratie krachtens haar wettelijke omschreven onderzoeksbevoegdheden toegestaan is om controle te verrichten binnen bedrijfslokalen en op alle andere plaatsen waar activiteiten worden uitgeoefend of vermoedelijk worden uitgeoefend, dan lijkt het mij dat hieruit volgt dat minder verregaande controlemaatregelen als het verrichten van waarnemingen op de openbare weg in de omgeving van de ondernemingsactiviteit eveneens in die onderzoeksbevoegdheden besloten zijn. Daarenboven beschikt de administratie naast de haar toegekende wettelijk geregelde onderzoeksbevoegdheden, met bijhorende discretionaire bevoegdheden, ook over de mogelijkheden waarover iedereen beschikt, met name kijken en luisteren wat er gebeurt op een voor het publiek toegankelijke ruimte
(2). Op deze waarnemingen in de openbare ruimte, die iedereen kan doen, rusten m.i. geen wettelijke beperkingen inzake de tijdspanne waarbinnen deze mogen gebeuren.
- Bespreking van het tweede middel 3.
- In het tweede middel voeren eisers de schending aan van het recht op privacy, zoals gewaarborgd door artikel 22 G.W., al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM en met artikel 47sexies Sv. Eisers menen dat de appelrechter niet wettig, op grond van de in het middel aangehaalde motieven, heeft beslist dat er geen schending van artikel 8 EVRM kan worden vastgesteld. Volgens het middel is er immers geen (kwalitatieve) wettelijke basis voorhanden die de fiscale observatie kan verantwoorden nu er in de fiscale wetgeving waarborgen tegen misbruiken ontbreken zoals die wel zijn voorzien in de artikelen 47sexies-47septies Sv. (voorziening p. 20, randnummer 20). 3.
- Artikel 8 EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op de eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen" Artikel 22 G.W. bepaalt: "Eenieder heeft recht op de eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht." Bij de redactie van de tekst van artikel 22 G.W. heeft de grondwetgever uitdrukkelijk gesteld dat het de bedoeling is aan de gebruikte termen dezelfde betekenis te geven als het EVRM
(3). 3.3. In de rechtspraak van het EHRM wordt het begrip privéleven ruim opgevat en omvat het eveneens het professioneel leven
(4). Volgens het EHRM kan het recht op privéleven ook worden toegepast in een publieke context
(5). 3.4. Volgens de rechtspraak van het EHRM kan er sprake zijn van een inmenging door de overheid zowel wanneer de overheid zich actief in mengt in het recht op privéleven (de overheid heeft de zogenaamde negatieve verplichting zich te onthouden van inmenging), als wanneer zij nalaat bepaalde maatregelen te nemen ter bescherming van het recht op privéleven (de zogenaamde positieve verplichting het recht op privéleven te garanderen). De inmenging wordt altijd in concreto beoordeeld
(6). Artikel 8, lid 2 EVRM bepaalt onder welke voorwaarden de overheid zich kan mengen in het recht op privéleven. Met name dient er een wettelijke basis voorhanden te zijn voor een dergelijke inmenging en dient de inmenging noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving om bepaalde legitieme doelstellingen te bereiken. Bij het nagaan of het overheidsoptreden in overeenstemming is met artikel 8 EVRM dient derhalve eerst onderzocht of er effectief sprake is van een overheidsinmenging in het recht op privéleven om dan vervolgens desgevallend te toetsen of voldaan is aan de voorwaarden die deze inmenging toestaan. 3.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: * uit de processen-verbaal die aan de strafklacht ten basis liggen, blijkt dat er een vermoeden bestond dat Creve Drinks zwarte leveringen deed; * er onder andere een horeca-uitbater was die zich door die praktijk benadeeld voelde omdat Creve Drinks zou knoeien met het afsluiten van contracten met caféuitbaters en ook stelde dat Creve Drinks biervaten in het zwart liet bijvullen; * het voor de administratie opvallend was dat Creve Drinks tot op grote afstand van haar vestiging talrijke klanten had; * een controleagent van de lokale controledienst, bijgestaan door een collega, daarop verschillende leveringen in de gaten heeft gehouden en daarvan op 18 januari 2006 een verslag heeft opgesteld; * het ging om 13 horecazaken aan de kust, waarbij van op de openbare weg werd gadegeslagen hoeveel volle vaten en bakken door de chauffeurs van Creve Drinks werden geleverd en hoeveel leeggoed werd teruggenomen; * de ambtenaren 17 vaststellingen uitvoerden, gespreid over een tijdspanne van 3 jaar; * tegen die achtergrond, die onregelmatigheden liet vermoeden met maatschappelijk belang, meer bepaald met betrekking tot het economisch welzijn, strafbare feiten en fiscale inbreuken het wel degelijk verantwoord was om een discreet onderzoek te voeren; * bovendien, en vooral, uit niets blijkt dat wat de controleagenten ter gelegenheid van deze observaties vaststelden in strijd zou geweest zijn met het privé-, familie- of gezinsleven van de klanten van Creve Drinks of van Creve Drinks zelf of haar chauffeurs, hun woning of hun correspondentie; * de controleagenten niets gezien hebben dat ook andere burgers niet hadden kunnen zien, terwijl wat ze gadesloegen in de regel niet tot de privésfeer behoort (het uit- en inladen van drank door een drankenhandelaar, zichtbaar vanaf de openbare weg). De appelrechter die aldus te kennen geeft dat geen inmenging plaats vond in het recht op privéleven en beslist dat er geen schending voorhanden is van artikel 8 EVRM, lijkt mij zijn beslissing naar recht te verantwoorden. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. (...)
- Besluit: VERWERPING ________________________
(1)Wat in de wet bijvb. niet wordt geregeld, is welke belastingplichtige geselecteerd wordt voor controle, hoe intensief de controle mag zijn, op welke wijze het controle-onderzoek dient gevoerd te worden, welke de prioritair aan te wenden controlemaatregelen zijn e.d. meer.
(2)MAUS, M., DELANOTE, M. en DE JONCKHEERE, M., De fiscale procedure, Brugge, Die Keure, 2010, p. 53-54 en 111-112.
(3)DE RAEDT, S., Recht op privé-leven, in "Fiscale rechtspraakoverzichten, Grondrechten in fiscalibus", Larcier, Brussel, 2016, p. 476 en de verwijzingen aldaar.
(4)EHRM 16 december 1992, Niemietz v. Duitsland, §29.
(5)EHRM 25 september 2001, P.G. &J.H. v. VK, §56.
(6)DE RAEDT, S., o.c., p.488. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241218.2F.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div