id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.1 Rolnummer: P.18.0641.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-15 Raadplegingen: 924 - laatst gezien 2026-06-29 11:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Met artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing over de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen
(1).
(1)Cass. 22 september 2015, AR P.15.0512.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.3, AC 2015, nr. 544.; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0398.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.2, AC 2015, nr. 543; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0397.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.7, AC 2015, nr. 540; zie F. VAN VOLSEM, "Cassatieberoep in strafzaken na ?Potpourri II'", in B. MAES en P. WOUTERS (eds.), Procederen voor het Hof van Cassatie, Cassatiebalie, pp. 249-261. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Vrije woorden: Betekeningsplicht van de partij die cassatieberoep instelt - Draagwijdte - Uitzondering Fiches 2 - 3 Uit de bepalingen van artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 6.1.41, §1, eerste lid, 6.1.41, §4, en 6.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening volgt dat hij tegen wie op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft genomen
(1).
(1)Cass. 22 september 2015, AR P.15.0512.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.3, AC 2015, nr. 544; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0398.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.2, AC 2015, nr. 543; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0397.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.7, AC 2015, nr. 540; zie F. VAN VOLSEM, "Cassatieberoep in strafzaken na ?Potpourri II'", in B. MAES en P. WOUTERS (eds.), Procederen voor het Hof van Cassatie, Cassatiebalie, pp. 249-261. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelmaatregel - Betekening van het cassatieberoep aan het openbaar ministerie en aan de herstelvorderende overheid - Verplichting - Voorwaarde Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelmaatregel - Betekening van het cassatieberoep aan het openbaar ministerie en aan de herstelvorderende overheid - Verplichting - Voorwaarde Fiche 4 Artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit
(1), bepaalt dat de erin vermelde vrijstelling van vergunning niet geldt voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, algemene plannen van aanleg, bijzondere plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen, die niet zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 4.4.1, §3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening opgestelde gemeentelijke lijst; uit de tekst van die bepaling, de ontstaansgeschiedenis ervan, de weglating in die opsomming van de algemene plannen van aanleg door artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016
(2)en de verantwoording die daarbij werd verstrekt, volgt dat artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit de voorschriften van de gewestplannen niet beoogt zodat de strijdigheid van een door artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde handeling met de gewestplanbestemming bijgevolg niet kan leiden tot de niet-toepasselijkheid van het Vrijstellingenbesluit op grond van artikel 1.4 van dit besluit
(3).
(1)Zoals van toepassing op het ogenblik van het feit waarop de vervolging betrekking heeft, met name januari, februari en april 2012.
(2)Het volledige opschrift van dit besluit luidt als volgt: "houdende wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaams Regering van 16 juli 2010 tot bepalingen van de handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater."
(3)Cass. 13 november 2018, AR P.18.0203.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.2, AC 2018, nr.
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Artikel 6.1.1, eerste lid, 1° - Uitvoeren van handelingen zonder voorafgaande vergunning - Artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit - Strijdigheid met de gewestplannen - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0641.N J D M H, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50 bus 1, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 23 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiseres vrij voor wat betreft de oprichting van de hou-ten berging op het perceel 233k en stelt vast dat de instandhouding van die ber-ging en van de afsluiting met poort op hetzelfde perceel (telastlegging A) niet meer strafbaar zijn. Het oordeelt dat de appelrechters onbevoegd zijn om kennis te nemen van de herstelvordering met betrekking tot de oprichting en de instand-houding van de houten berging op perceel 233k. In zoverre ook gericht tegen deze beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem in-gestelde burgerlijke rechtsvordering".
- Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing op de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen.
- Volgens artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning, zoals van toepassing tot 1 maart 2018, kan de rechtbank naast de straf de in dat artikel vermelde herstelmaatregelen bevelen. Dit gebeurt onder meer op vor-dering van de stedenbouwkundig inspecteur. De herstelvordering wordt volgens artikel 6.1.41, § 4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van toepassing tot 1 maart 2018, bij het parket ingeleid bij gewone brief. Volgens artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2018, - beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een herstelmaatregel zoals nader bepaald in dat artikel (§ 1, eerste lid); - wordt onder bevoegde overheid onder meer de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in naam van het Vlaams Gewest verstaan (§ 2); - wordt de herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in-geleid met een gewone brief bij het openbaar ministerie (§ 3, eerste lid).
- Het openbaar ministerie is bevoegd om de door de herstelvorderende over-heid per brief geformuleerde herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen, inclusief het aanwenden van rechtsmiddelen en dit ongeacht of de herstelvorde-rende overheid zich als procespartij heeft gemanifesteerd.
- De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende over-heid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niet-temin onder de strafvordering valt.
- Uit het voorgaande volgt dat hij tegen wie op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat be-treft die beslissing niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. In zoverre ook gericht tegen de beslissing waarbij lastens de eiseres een herstel-maatregel werd bevolen, is haar cassatieberoep niet ontvankelijk.
- In zoverre het eerste, het tweede, het derde en het vijfde middel betrekking hebben op de beslissing op de herstelvordering, waartegen het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk is, behoeven die middelen geen antwoord. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1.1.2, 9°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikelen 1.1, 8°, 1.4 en 3.1, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de hande-lingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (hierna Vrijstellin-genbesluit): het arrest oordeelt met betrekking tot de schuldigverklaring aan het oprichten of instandhouden van een afsluiting door palen met Bekaert-draad en een metalen poort en het op die grond inwilligen van de herstelvordering (telast-legging A) ten onrechte dat uit artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit volgt dat de strij-digheid met een gewestplanbestemming de toepasselijkheid van het Vrijstellin-genbesluit uitsluit; op de in artikel 4.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening principieel bepaalde vergunningsplicht heeft de Vlaamse regering op grond van artikel 4.2.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening met het Vrijstellingenbesluit in een aantal uitzonderingen voorzien; artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat de vrijstellingsregeling niet geldt indien de handelingen strijdig zijn met de voorschriften van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, algemene plannen van aanleg, bijzondere plannen van aanleg of verkave-lingsvergunningen die niet zijn opgenomen in de gemeentelijke lijst opgemaakt overeenkomstig artikel 4.4.1, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; met de wijziging van het Vrijstellingenbesluit door het besluit van 15 juli 2016 werden de algemene plannen geschrapt uit artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit; uit het Vrijstel-lingenbesluit, de ontstaansgeschiedenis en de wijziging ervan blijkt dat een strij-digheid met de gewestplanbestemming geen verantwoording kan bieden om de in het Vrijstellingenbesluit bepaalde regels niet toe te passen; het arrest oordeelt ten onrechte anders en is daardoor ook niet wettig gemotiveerd.
- Artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit, zoals van toepassing op het ogenblik van het feit waarop de vervolging betrekking heeft, bepaalt dat de erin vermelde vrij-stelling van vergunning niet geldt voor handelingen die strijdig zijn met de voor-schriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, algemene plannen van aanleg, bijzondere plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen, die niet zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 4.4.1, § 3, Vlaamse Codex Ruimte-lijke Ordening opgestelde gemeentelijke lijst. Uit de tekst van die bepaling, de ontstaansgeschiedenis ervan, de weglating in die opsomming van de algemene plannen van aanleg door artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en de verantwoording die daarbij werd verstrekt, volgt dat artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit de voorschriften van de gewestplannen niet beoogt. De strij-digheid van een door artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening bedoelde handeling met de gewestplanbestemming kan bijgevolg niet lei-den tot de niet-toepasselijkheid van het Vrijstellingenbesluit op grond van artikel 1.4 van dit besluit.
- Het arrest (p. 12) dat het beroep van de eiseres op de vrijstellingsregeling van artikel 3.1, 6°, Vrijstellingenbesluit voor het oprichten van een afsluiting door palen met Bekaert-draad en metalen poort afwijst op grond van de strijdigheid van deze constructies met de bestemming van bosgebied, zoals vastgelegd in het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 goedgekeurde gewestplan Hasselt-Genk, is niet naar recht verantwoord. In zoverre is het middel gegrond. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest is voor wat betreft het oordeel over het oprichten van de barbecue onwettig gemotiveerd en de beslis-sing is niet naar recht verantwoord; het leidt uit het gegeven dat de houten rode berging en de houten berging splinternieuw zijn, af dat de barbecue in dezelfde periode werd opgericht; het stelt ook vast dat de eiseres erkent dat de oude ber-ging zwaar werd beschadigd door brand, werd verplaatst met het oog op afvoer en er een nieuwe berging werd gebouwd; de eiseres had in haar appelconclusie aangevoerd dat de barbecue werd opgericht omstreeks 1972 tegelijkertijd met de later afgebrande chalet; door de oprichting van de barbecue te koppelen aan de oprichting van de splinternieuwe chalet, miskent het arrest de motiveringsplicht; uit dat oordeel kan niet worden afgeleid dat de appelrechters de voorgelegde stukken zorgvuldig hebben onderzocht en hun uitspraak zorgvuldig hebben beredeneerd; door enerzijds melding te maken van twee splinternieuwe bergingen en het anderzijds te hebben over een oude zwaar door brand beschadigde constructie is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd; daardoor is de beslissing ook niet naar recht verantwoord.
- Uit het enkele feit dat de rechter overgelegde stukken niet zorgvuldig zou hebben onderzocht of zijn beslissing niet zorgvuldig zou hebben beredeneerd, kan als dusdanig geen schending van artikel 149 Grondwet worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het Hof ontwaart de door het middel aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige voert het middel formeel een motiveringsgebrek aan, maar komt het in werkelijkheid op tegen het onaantastbaar oordeel van de rechter over de feiten. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing over de schuldigverklaring van de eiseres aan het oprichten van een afsluiting door palen, Bekaert-draad en metalen poort (telastlegging A) leidt tot de vernietiging van de aan de eiseres opgelegde bestraf-fing voor alle bewezen verklaarde feiten samen. Ze laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Overige middelen
- De overige middelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - de eiseres schuldig verklaart aan het oprichten van een afsluiting door palen, Bekaert-draad en metalen poort (telastlegging A); - aan de eiseres een bestraffing oplegt voor alle bewezen verklaarde feiten samen en haar veroordeelt tot bijdragen aan het Slachtofferfonds en het Begrotings-fonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot drie vierden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 354,24 euro waarvan 309,43 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 15 januari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaar-digd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky E. Francis A. Lievens A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220420.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230309.BSAV.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div