id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2 Rolnummer: P.18.0722.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Overige - Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-01-31 Raadplegingen: 1137 - laatst gezien 2026-06-29 12:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR; de legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is en het gegeven dat de rechter bij het nader omschrijven van de strafbepaling over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als dusdanig niet strijdig met de vereiste van redelijke voorzienbaarheid aangezien er rekening moet worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen; het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben zodat aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbepaling toepasselijk is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en zo nodig met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, op het moment van het stellen van de hem verweten gedraging de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen en bij het beoordelen van die vereiste kan de rechter onder meer rekening houden met de bijzondere hoedanigheid of functie van de persoon tot wie de strafbepaling zich richt, zijn bijzondere vertrouwdheid met de materie of het gegeven dat hij beroepsmatig beschikt of kan beschikken over goede informatie
(1).
(1)Cass. 16 mei 2017, AR P.15.0807.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4, AC 2017, nr. 336. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Artikel 7.1 - Legaliteitsbeginsel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Artikel 15.1 - Legaliteitsbeginsel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Begrip - Vereiste van redelijke voorzienbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 7 De bepalingen van de artikelen 139, 6°, 202 en 261 AWDA, stellen een douane-expediteur in beginsel strafbaar wanneer hij invoeraangiften indient waarop goederen onder een onjuiste waarde zijn vermeld, alsook wanneer ingevolge die onjuiste aangifte de op de goederen verschuldigde rechten of accijnzen niet of niet volledig worden geïnd; de appelrechters die oordelen dat de voormelde bepalingen van de AWDA voor de beklaagde als professionele tussenpersoon inhouden dat hij bij wijze van algemene voorzorgsmaatregel bijzonder oplettend moet zijn bij het vermelden op invoeraangiften van de waarde van goederen die fraudegevoelig zijn wegens hun onderworpenheid aan hoge invoer- en antidumpingrechten, omschrijven aldus nader de voormelde bepalingen van de AWDA en laten een normaal en voorzichtig douane-expediteur toe om op het moment van het stellen van de hem verweten gedragingen, de feiten en nalatigheden te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen, zodat het legaliteitsbeginsel niet is miskend en de beslissing naar recht verantwoord is. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Douane en accijnzen - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 139, 6°, 202 en 261 - Omstandige aangifte - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Douane en accijnzen - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 139, 6°, 202 en 261 - Omstandige aangifte - Draagwijdte - Gevolg Fiche 8 Krachtens de artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1°, AWDA, is de douanevertegenwoordiger die de instructies van zijn klant voor de douaneaangifte heeft gevolgd, niet strafbaar wanneer bewezen is dat zijn klant schuldig is aan sluikerij.; evenwel blijft de douanevertegenwoordiger die optreedt als indirecte vertegenwoordiger, hoofdelijk met zijn klant gehouden tot de betaling van de belasting
(1).
(1)Cass. 5 november 2002, AR P.02.0013.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.46, AC 2002, nr. 581; S. VASTMANS en P.VANVAECK, "Douanerechten en accijnzen", in A. TIBERGHIEN, Handboek voor fiscaal recht 2017/2018,Wolters Kluwer, pp. 1997-1998. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1° - Douanevertegenwoordiger - Strafbaarheid van de douanevertegenwoordiger - Draagwijdte - Gevolg Fiches 9 - 11 Uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 4.5, 217.1, 221.1, 243 en 246 van het CDW en de artikelen 267, 268, 271, 281, §1, en 283 van de Algemene Wet Douane en Accijnzen volgt dat een door artikel 267 AWDA bedoeld proces-verbaal geen loutere administratieve beslissing en dus geen door artikel 4.5 CDW bedoelde beschikking is, ook al geldt het opstellen ervan als een boeking in de zin van artikel 217.1 CDW, geldt het bezorgen van een afschrift ervan als een mededeling in de zin van artikel 222.1 CDW en oordeelt de strafrechter tevens over de burgerlijke rechtsvordering tot betaling van rechten en accijnzen; dat proces-verbaal heeft immers eveneens als finaliteit de strafrechter in te lichten over de erin vastgestelde misdrijven wanneer voor die misdrijven strafvervolging wordt ingesteld, ongeacht het feit dat het proces-verbaal zelf geen beslissing bevat om de strafvordering in te stellen en het is dan ook niet vereist dat de personen tegen wie proces-verbaal wordt opgesteld vooraf kennis krijgen van de gegevens waarop het proces-verbaal is gesteund en vooraf worden gehoord en evenmin moet tegen een dergelijke beslissing een hoger beroep als bedoeld door artikel 243 CDW openstaan; het recht van verdediging van de personen die het voorwerp uitmaken van dit proces-verbaal wordt afdoende gewaarborgd door de mogelijkheid om inzage te nemen van het proces-verbaal of door de toezending van dit proces-verbaal en de rechten op inzage en verweer die zij voor de strafrechter kunnen uitoefenen
(1).
(1)Cass. 4 oktober 2016, AR P.14.1881.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1, AC 2016, nr. 540. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Communautair Douanewetboek - Artikelen 4.5, 217.1, 221.1, 243 en 246 - Beschikking van de douaneautoriteit - Draagwijdte - Gevolg Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 267, 268, 271, 281, § 1, en 283 - Opstellen van een proces-verbaal - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 267, 268, 271, 281, § 1, en 283 - Opstellen van een proces-verbaal - Draagwijdte - Gevolg Fiches 12 - 13 Uit de communautaire bepalingen van artikel 5.2 en 5.4 CDW en uit de internrechtelijke bepalingen van de artikelen 70/3, §2, en 127 AWDA volgt, eensdeels, dat een lidstaat de methode van de indirecte vertegenwoordiging mocht opleggen
(1)aan een ingeschreven douane-expediteur die in deze hoedanigheid de aangifte indiende en, anderdeels, dat een douane-expediteur die de aangifte niet in deze hoedanigheid deed, wel degelijk de mogelijkheid had om die aangifte te doen als directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever; noch uit de wijziging van de artikelen 70/3 en 127 AWDA met de wet van 12 mei 2014 noch uit de parlementaire voorbereiding van die wijzigende wet blijkt het tegendeel
(2).
(1)Ten tijde van de feiten die dateerden van 3 maart 2011 tot 22 juni 2011.
(2)Cass. 20 maart 2018, AR P.17.1017.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3, AC 2018, nr.
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Communautair Douanewetboek - Artikelen 5.2 en 5.4 - Vertegenwoordiging - Draagwijdte - Gevolg Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 70/3, § 2 en 127 - Aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van goederen - Hoedanigheid van de aangever - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0722.N HERFURTH LOGISTICS nv, met zetel te 2060 Antwerpen, Cassiersstraat 19, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de direc-teur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 6 juni
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet en de artikelen 139, 6°, 202, zoals van toepassing, en artikel 261 AWDA, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de legaliteit van een strafbepaling en de hiërarchie der rechtsnormen: ten onrechte verwerpt het arrest de door de eiseres aangevoerde miskenning van het legaliteits-beginsel en verklaart het de strafvordering ontvankelijk; uit de voormelde bepa-lingen van de AWDA blijkt een onvoldoende precieze omschrijving van de straf-baar gestelde feiten; die bepalingen vermelden niet wat onder de waarde van elke soort goederen moet worden verstaan en wanneer deze waarde onjuist is, zij om-schrijven of preciseren niet wat onder bijzonder fraudegevoelige goederen moet worden verstaan terwijl het arrest daarop steunt om de eiseres schuldig te verkla-ren, zij leggen aan de opsteller van de aangiften geen bijzondere oplettendheid of onderzoeksplicht op bij het aanvaarden van de door de invoerder meegedeelde waarde en zij bevatten geen enkel na te volgen gedrag wat betreft de vaststelling of de aanduiding van de waarde van de goederen in de aangifte; aldus is de eiseres ten onrechte vervolgd en schuldig verklaard.
- Artikel 12, tweede lid, Grondwet bepaalt dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Artikel 14 Grondwet bepaalt dat geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. Het in deze grondwetsbepalingen vervatte legaliteitsbeginsel in strafzaken is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze wordt gewaarborgd door artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR. Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste strafbepaling de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
- De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is.
- Het gegeven dat de rechter bij het nader omschrijven van de strafbepaling over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als dusdanig niet strijdig met het vereiste van redelijke voorzienbaarheid. Er moet immers rekening worden ge-houden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben. Aan het vereiste van de rede-lijke voorzienbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbe-paling toepasselijk is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en zo nodig met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, op het moment van het stellen van de hem verweten gedraging de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. Bij het beoordelen van dat vereiste kan de rechter onder meer rekening houden met de bijzondere hoedanigheid of functie van de persoon tot wie de strafbepaling zich richt, zijn bijzondere vertrouwdheid met de materie of het gegeven dat hij beroepsmatig be-schikt of kan beschikken over goede informatie.
- Artikel 139, 6°, AWDA bepaalt dat de omstandige aangifte de waarde van elke soort goederen moet inhouden. Artikel 202 AWDA bepaalt: "§ 1 Wanneer, na het afsluiten van het certificaat van verificatie, de ambtenaren binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het oorspronke-lijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de belastingschuld is ontstaan, vaststellen dat de rechten of de accijnzen, wettelijk verschuldigd op de aangegeven goederen, niet of niet volledig werden geïnd wegens een strafrechtelijk vervolgbare handeling, moeten de ontdoken rechten of de accijnzen worden betaald ofwel door de belastingschuldige die, hetzij primair, hetzij subsidiair gehouden is tot de betaling van die belastingen, ofwel door zijn rechtverkrijgenden. §
- De in § 1 bedoelde personen worden gestraft met een geldboete van vijf- tot tienmaal de ontdoken belastingen. (...)". Artikel 261 AWDA, zoals van toepassing, bepaalt: "Worden gestraft met een geldboete van 125 euro tot 1.250 euro, voor zover zij niet worden beteugeld door een andere sanctie inzake douane en accijnzen, de in-breuken: - op verordeningen en beschikkingen van algemene aard van de Raad of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; - op de besluiten getroffen bij toepassing van artikel 11, § 1; - in het algemeen, op de wetten en besluiten inzake douane en accijnzen. De goederen ten aanzien waarvan die inbreuken zijn gepleegd, worden in beslag genomen en verbeurd verklaard." Die bepalingen stellen een douane-expediteur in beginsel strafbaar wanneer hij invoeraangiften indient waarop goederen onder een onjuiste waarde zijn vermeld, alsook wanneer ingevolge die onjuiste aangifte de op de goederen verschuldigde rechten of accijnzen niet of niet volledig worden geïnd.
- Het arrest oordeelt dat: - rekening houdend met een eenheidsprijs per fiets van 14,50 USD CFR Ant-werpen, zoals die blijkt uit een verkoopsbevestiging tussen de Chinese verkoper en de invoerder, een fiets aan die invoerder ongeveer 23 euro kostte, inclusief afhandelingskosten, waaronder betaling van douanerechten; - de administratie van oordeel is dat die fietsen onder een te lage douanewaarde werden aangegeven, waardoor invoerrechten en antidumpingrechten werden ontdoken; - op grond van de door de administratie uitgevoerde waardebepaling, de werke-lijke transactiewaarde 46,52 euro per ingevoerde fiets bedraagt; - gelet op de bijzondere fraudegevoeligheid van de invoer van deze goederen, waarop naast een invoerrecht van 14 pct. een antidumpingrecht van maar liefst 48,5 pct. wordt geheven, een douane-expediteur de plicht heeft oplettend te zijn bij het indienen van aangiften tot het in het vrije verkeer brengen van deze goederen; - de dossierverantwoordelijken bij de verweerster zich geen vragen hebben ge-steld bij de hoogte van de douanewaarde op het moment van de aangifte, zodat vaststaat dat hen vanuit het bedrijf onvoldoende instructies werden gegeven; - gelet op het voorgaande en bij gebrek aan aannemelijk gemaakte overmacht, onoverwinnelijke dwaling of andere schulduitsluitingsgrond, de schuld door inbreuk vaststaat; - een douane-expediteur als professionele actor niet ernstig kan voorhouden dat hij niet wist dat hij een strafbaar vervolgbare handeling stelde wanneer de waarde van de goederen op zijn aangiften te laag is, zelfs wanneer die waarde gebaseerd is op de facturen overgemaakt door zijn opdrachtgever. Met die redenen oordelen de appelrechters dat de voormelde bepalingen van de AWDA voor de eiseres als professionele tussenpersoon inhouden dat zij bij wijze van algemene voorzorgsmaatregel bijzonder oplettend moet zijn bij het vermelden op invoeraangiften van de waarde van goederen die fraudegevoelig zijn wegens hun onderworpenheid aan hoge invoer- en antidumpingrechten. Vervolgens lei-den de appelrechters uit de aangehaalde omstandigheden, waaronder het grote verschil tussen de reële waarde en de aangegeven waarde van de ingevoerde fiet-sen, af dat de eiseres die voorzorgsmaatregel hier niet in acht heeft genomen en besluiten zij daarom tot haar schuld en gehoudenheid tot voldoening van de fisca-le rechtsvordering. Die nadere omschrijving van de voormelde bepalingen van de AWDA laat een normaal en voorzichtig douane-expediteur toe om op het moment van het stellen van de hem verweten gedragingen, de feiten en nalatigheden te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. Aldus is het lega-liteitsbeginsel klaarblijkelijk niet miskend en is de beslissing naar recht verant-woord. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt niet het verweer van de eiseres dat, op grond van artikel 135, tweede lid, AWDA, de strafvordering ongegrond dient te worden verklaard in zoverre deze is gericht tegen de eiseres als douane-expediteur, omdat de intentie om de goederen aan een te lage waarde aan te geven en op die manier invoerrechten en antidum-pingrechten te ontwijken, enkel maar kan bestaan bij haar opdrachtgever.
- Krachtens de artikelen 135, tweede lid en 261/2, 1°, AWDA is de douane-expediteur die de instructies van zijn klant voor de douaneaangifte heeft gevolgd, niet strafbaar wanneer bewezen is dat zijn klant schuldig is aan sluikerij. Evenwel blijft de douanevertegenwoordiger die optreedt als indirecte vertegenwoordiger, hoofdelijk met zijn klant gehouden tot de betaling van de belasting.
- Het arrest beantwoordt niet het op artikel 135, tweede lid, AWDA gesteunde verweer van de eiseres dat zij niet strafbaar is. Aldus is het, voor wat de beslissing over de strafvordering betreft, niet regelmatig gemotiveerd. Het middel is gegrond. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 4.5, 217.1, 221.1, 243 en 246 CDW en de artikelen 267, 281, 282 en 283 AWDA, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht van de eerbiediging van het recht van verdediging, waardoor de administratie het recht van verdediging en het daar-uit voortvloeiende recht van eenieder om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden moet eerbie-digen en het algemeen rechtsbeginsel van de hiërarchie der rechtsnormen, waar-door het internationaal recht primeert op het nationaal recht: ten onrechte verkla-ren de appelrechters zich bevoegd om te oordelen over de fiscale rechtsvordering of verklaren zij die vordering niet ontoelaatbaar wegens miskenning van het recht van verdediging en het recht om het in artikel 243 CDW bedoelde beroep te kun-nen instellen; de artikelen 281, 282 en 283 AWDA mogen niet tot gevolg hebben dat deze in het Unierecht erkende rechten worden miskend; het recht van verdedi-ging vereist dat een persoon door de administratie wordt gehoord alvorens deze hem een douaneschuld meedeelt; het volstaat niet dat deze persoon zich achteraf kan verdedigen voor de strafrechter; bij proces-verbaal van 9 juni 2015 werd de douaneschuld aan de eiseres meegedeeld zonder dat zij werd gehoord in haar ver-dediging; evenmin heeft de eiseres tegen dat proces-verbaal beroep kunnen instel-len omdat dit in het Belgisch recht niet was georganiseerd; nochtans geldt het in artikel 267 AWDA bedoelde proces-verbaal als een boeking in de zin van artikel 217.1 CDW; deze boeking en mededeling zijn administratieve beslissingen en dus beschikkingen in de zin van artikel 4.5 CDW, die vatbaar zijn voor beroep op grond van artikel 243 CDW; dat recht op hoger beroep mag door de rechter niet ongedaan worden gemaakt door het proces-verbaal te aanzien als een door de douaneautoriteiten op grond van het strafrecht genomen beschikking in de zin van artikel 246 CDW; een proces-verbaal is slechts een beschikking in de zin van arti-kel 246 CDW indien het de beslissing bevat om de strafvordering in te stellen, wat hier niet het geval is. Het middel vraagt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justi-tie van de Europese Unie: "Laat het enkel feit dat de douaneadministratie in een proces-verbaal - dat als een boeking in de zin van artikel 217.1 CDW (thans artikel 101 DWU) geldt en waarvan het bezorgen van een afschrift ervan als een me-dedeling in de zin van artikel 221.1 CDW (thans artikel 102 DWU) geldt - mis-drijven, fraudes of overtredingen van de wet constateert, toe dat aan het algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht van de eerbiediging van de rechten van verdedi-ging, dat vereist dat een persoon door de administratie wordt gehoord alvorens haar door deze administratie een douaneschuld wordt medegedeeld, wordt voorbij gegaan, alsmede aan het in het Unierecht toegekend recht op beroep tegen de beslissing van boeking van de douaneschuld en de beslissing van mededeling er-van."
- Artikel 4.5 CDW bepaalt dat onder beschikking in de zin van het CDW wordt verstaan elke administratieve beslissing die verband houdt met de douane-wetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastge-steld rechtsgevolgen heeft. Artikel 217.1, eerste lid, CDW bepaalt: "Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna "bedrag aan rechten" genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking)." Krachtens artikel 221.1 CDW dient het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schul-denaar te worden medegedeeld. Artikel 243 CDW waarborgt voor iedere persoon het recht om beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toe-passing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. Artikel 246 CDW bepaalt dat titel VIII over het recht op beroep niet van toepas-sing is op beroepen die zijn ingesteld met het oog op de intrekking met terugwer-kende kracht of de wijziging van een op grond van het strafrecht door de douane-autoriteiten genomen beschikking.
- Artikel 267 AWDA bepaalt dat wanneer de misdrijven, fraudes of overtre-dingen van de wet worden geconstateerd bij proces-verbaal, deze akte dadelijk of zo spoedig mogelijk wordt opgemaakt door ten minste twee daartoe bevoegde personen. Dit proces-verbaal moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 268 AWDA. Aan de overtreders wordt de mogelijkheid geboden om overeenkomstig artikel 271 AWDA het opgestelde proces-verbaal te ondertekenen en er een af-schrift van te ontvangen en bij hun afwezigheid wordt hen een afschrift toege-stuurd. Artikel 281, § 1, AWDA bepaalt dat alle vorderingen wegens overtredingen, frau-des en misdrijven, waartegen bij de wetten inzake douane en accijnzen straffen zijn bepaald, in eerste aanleg zullen worden gebracht voor de correctionele recht-banken en in geval van hoger beroep voor het hof van beroep om er te worden on-derzocht en berecht overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering. Artikel 283 AWDA bepaalt dat wanneer de in artikel 281 AWDA bedoelde overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, onverminderd de strafvordering, tevens tot beta-ling van rechten en accijnzen en zo tot een burgerlijke rechtsvordering aanleiding geven, de kennisgeving en de berechting daarvan in beide opzichten tot de be-voegde criminele of correctionele rechter behoren.
- Uit het geheel van die bepalingen volgt dat een door artikel 267 AWDA be-doeld proces-verbaal geen loutere administratieve beslissing en dus geen door ar-tikel 4.5 CDW bedoelde beschikking is, ook al geldt het opstellen ervan als een boeking in de zin van artikel 217.1 CDW, geldt het bezorgen van een afschrift er-van als een mededeling in de zin van artikel 222.1 CDW en oordeelt de strafrech-ter tevens over de burgerlijke rechtsvordering tot betaling van rechten en accijn-zen. Dat proces-verbaal heeft immers eveneens als finaliteit de strafrechter in te lichten over de erin vastgestelde misdrijven wanneer voor die misdrijven strafver-volging wordt ingesteld, ongeacht het feit dat het proces-verbaal zelf geen beslis-sing bevat om de strafvordering in te stellen. Het is dan ook niet vereist dat de personen tegen wie proces-verbaal wordt opgesteld, vooraf kennis krijgen van de gegevens waarop het proces-verbaal is gesteund en vooraf worden gehoord. Evenmin moet tegen een dergelijke beslissing een hoger beroep als bedoeld door artikel 243 CDW openstaan.
- Het recht van verdediging van de personen die het voorwerp uitmaken van dit proces-verbaal wordt afdoende gewaarborgd door de mogelijkheid om inzage te nemen van het proces-verbaal of door de toezending van dit proces-verbaal en de rechten op inzage en verweer die zij voor de strafrechter kunnen uitoefenen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest dat in dezelfde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De voorgestelde prejudiciële vraag, die niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen, wordt niet gesteld. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 288 tot 292 van het Verdrag betreffende de wer-king van de Europese Unie en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest verwerpt de door de eiseres aangevoerde niet-ontvankelijkheid en onge-grondheid van de fiscale rechtsvordering wegens de bewuste fout van de Belgi-sche Staat, erin bestaande dat praktisch werd verhinderd dat douane-expediteurs optreden als directe vertegenwoordigers van hun opdrachtgevers, hoewel die mo-gelijkheid bepaald was in het CDW; tot juli 2012 was het voor een douane-expediteur onmogelijk om effectief op te treden bij wijze van directe vertegen-woordiging, zodat de eiseres wel moest blijven optreden als indirecte vertegen-woordiger en dus als medeschuldenaar van de opdrachtgever; de lidstaten van de Europese Unie hebben evenwel de verplichting alle maatregelen van intern recht te nemen, waaronder maatregelen van praktische aard die nodig zijn om het door de Europese regelgeving beoogde doel te bereiken; bijgevolg was de Belgische Staat ten tijde van de feiten in 2011 ertoe gehouden aan de vermelding van de code [2] op het "Enig document", dat verplicht diende te worden gebruikt voor de aangiften, het gevolg te koppelen van de effectieve directe vertegenwoordiging; met de overwegingen dat de Belgische regeling zoals opgenomen in de AWDA in overeenstemming was met de communautaire regelgeving, dat wellicht om uiteen-lopende praktische redenen ten tijde van de feiten werd gehandeld volgens de me-thode van de indirecte vertegenwoordiging en dat het gebruik van de directe ver-tegenwoordiging meer dan occasioneel gebeurde, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de overheid geen fout heeft begaan, niet naar recht; de appel-rechters hadden moeten nagaan of het ten tijde van de feiten in de praktijk moge-lijk was voor een douane-expediteur om mits gebruik van de code [2] effectief op te treden als directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever.
- Krachtens artikel 5.2 CDW kan de vertegenwoordiging direct zijn, wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect zijn, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam maar voor re-kening van een andere persoon handelt. Verder laat die bepaling de lidstaten toe het recht om op hun grondgebied douaneaangiften te doen volgens de methode van de directe of de indirecte vertegenwoordiging, zodanig voor te behouden dat de vertegenwoordiger een douanecommissionair moet zijn die daar zijn beroep uitoefent. Zodoende kunnen de lidstaten de methode van de indirecte vertegenwoordiging voorbehouden aan aangevers optredend in de hoedanigheid van ingeschreven douane-expediteurs. Artikel 5.4 CDW bepaalt: - de vertegenwoordiger dient te verklaren voor de vertegenwoordigde persoon te handelen en aan te geven of het een directe of een indirecte vertegenwoordi-ging betreft en hij moet vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten; - de persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.
- Artikel 70-3, § 2, AWDA, vóór de wijziging door artikel 71 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt dat de aangever kan handelen: - ofwel in eigen naam en voor eigen rekening; - ofwel in eigen naam maar voor rekening van een derde volgens de voorwaar-den bepaald in hoofdstuk XIV, dit is het hoofdstuk met destijds als titel "Douane-expediteurs"; - ofwel in eigen naam en voor rekening van een derde. Artikel 127 AWDA, vóór de wijziging door artikel 126 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt dat: - niemand als douane-expediteur mag optreden als hij niet is ingeschreven in een speciaal register, gehouden onder de door de minister van Financiën bepaalde voorwaarden; - onder douane-expediteur wordt verstaan elke natuurlijke persoon of rechtsper-soon die beroepsmatig, uit zijn naam, voor rekening van derden, de douane-formaliteiten bij in-, uit- of doorvoer vervult.
- Uit die communautaire en internrechtelijke bepalingen volgt, eensdeels, dat ten tijde van de feiten een lidstaat de methode van de indirecte vertegenwoordi-ging mocht opleggen aan een ingeschreven douane-expediteur die in deze hoeda-nigheid de aangifte indiende en, anderdeels, dat een douane-expediteur die de aangifte niet in deze hoedanigheid deed, wel degelijk de mogelijkheid had om die aangifte te doen als directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever. Noch uit de wijziging van de artikelen 70-3 en 127 AWDA met de wet van 12 mei 2014 noch uit de parlementaire voorbereiding van die wijzigende wet blijkt het tegendeel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen die het arrest (p. 17-21) bevat, oordeelt het met betrekking tot de ingediende aangiften van het in het vrije verkeer brengen van de goederen die het voorwerp uitmaken van de vervolging, dat het de douane-expediteur niet verboden was om als directe vertegenwoordiger een aangifte te doen en dat de internrechtelijke regeling niet strijdig is met de communautaire be-palingen. Die beslissing is naar recht verantwoord, zonder dat het arrest verder diende te onderzoeken of het ten tijde van de feiten voor een douane-expediteur in de praktijk mogelijk was een aangifte te doen als directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, behoeft het middel geen ant-woord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing over de gegrondheid van de strafvordering laat de beslissing over de gegrondheid van de fiscale rechtsvordering onverlet aangezien de laatst vermelde beslissing geen verband houdt met de eerst vermelde beslissing, maar steunt op een eigen wettelijke grondslag. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de strafvorde-ring. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot drie vierden van de kosten, houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat deze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 1.140,13 euro waarvan 405,13 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 15 januari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaar-digd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky E. Francis A. Lievens A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.33 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.46 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div