id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 Rolnummer: P.18.1214.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-01-31 Raadplegingen: 1180 - laatst gezien 2026-06-29 15:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de wraking van magistraten zijn op grond van artikel 2 Gerechtelijk Wetboek van toepassing in strafzaken, tenzij de toepassing ervan onverenigbaar is met de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de beginselen van het strafprocesrecht
(1).
(1)Cass. 21 april 2011, AR C.11.002.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.2, AC 2011, nr. 276 met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN in Pas. 2001, nr. 276; zie R. DECLERCQ, ?Wraking', Comm. Straf., 1. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de wraking van magistraten - Toepassing in strafzaken - Artikel 2 Gerechtelijk Wetboek - Principe Fiche 2 Aangezien voor een onderzoeksrechter niet wordt gepleit, ook niet indien hij verslag uitbrengt voor de raadkamer in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis of de regeling van de rechtspleging, en de zaken voor de onderzoeksrechter ook niet bij verzoekschrift worden ingeleid, zijn de door artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bedoelde tijdsvoorwaarden niet van toepassing bij de wraking van een onderzoeksrechter en de omstandigheid dat er voor de raadkamer wordt gepleit, laat niet toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek - Procedure - Tijdsvoorwaarden - Wraking van een onderzoeksrechter - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 4 Uit de geest van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, de wel omschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, volgt dat de wraking van een onderzoeksrechter moet worden voorgedragen van zodra de grond is gekend door de partij die zich erop beroept en die regel heeft een algemene draagwijdte en is ook van toepassing indien het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat de onderzoeksrechter niet meer over de vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikt; een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en een verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen, zonder dat die voldoende kennis gelijk is te stellen met de mogelijkheid het bewijs van de aangevoerde feiten te leveren; de rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra die grond haar was gekend en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 14 juni 2016, AR P.16.0586.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4, AC 2016, nr. 402. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Wraking van een onderzoeksrechter - Ogenblik waarop de wraking moet worden voorgedragen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wraking - Wraking van een onderzoeksrechter - Ogenblik waarop de wraking moet worden voorgedragen - Draagwijdte - Gevolg Fiche 5 Geen enkele bepaling verplicht de rechter die uitspraak doet over een wrakingsverzoek om de gegevens vervat in de door de gewraakte magistraat overeenkomstig artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek afgelegde verklaring te beantwoorden. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Wraking van magistraten - Artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek - Verklaring van de gewraakte rechter - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 7 Er is gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek indien de aangevoerde feiten bij de partijen of derden de indruk kunnen wekken dat de gewraakte rechter zijn ambt niet kan uitoefenen met de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid én bovendien dat die indruk als objectief gerechtvaardigd kan worden aangenomen; de rechter die uitspraak moet doen over de wraking oordeelt daar onaantastbaar over en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1)
(2).
(1)Cass. 10 april 2012, AR P.12.0593.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120410.2, AC 2012, nr. 223.
(2)Het OM had in de voorliggende zaak geconcludeerd tot cassatie wegens het gebrek aan antwoord door de appelrechters op het in conclusie van de federale procureur aangehaalde verweer nopens het onderhoud dat op 19 oktober 2018, dus nadat de wrakingsgrond bekend was, plaatsvond tussen de onderzoeksrechter en een raadsman van V.. De federale procureur leidde hieruit met name af dat aldus het vertrouwen in de onbevangenheid, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de onderzoeksrechter werd bevestigd. Het Hof oordeelde evenwel dat het gegeven van dit onderhoud door de federale procureur slechts werd aangevoerd als argument tot staving van het verweer over de laattijdigheid van het wrakingsverzoek en niet als een zelfstandig verweer en verwierp aldus het middel. AW Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Wettige verdenking - Begrip - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wraking - Wettige verdenking - Begrip - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.1214.N FEDERAAL PROCUREUR, eiser, tegen B V, inverdenkinggestelde, verzoeker tot wraking, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweerder woonplaats kiest, medeopgeroepenen overeenkomstig artikel 838 Gerechtelijk Wetboek
- D S,
- M B,
- K M A,
- T S,
- L D,
- A B,
- O J G S,
- D V,
- F C,
- F P D,
- S G B D,
- D A D H,
- S F H J,
- I L,
- P J M,
- E M,
- W L F M,
- O G M,
- O M P S,
- T T,
- D V D B,
- S F S V. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, burgerlijke kamer, van 12 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
- Volgens artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering moet de ver-weerder in cassatie zijn memorie uiterlijk acht dagen vóór de rechtszitting ter grif-fie van het Hof doen toekomen. Deze termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie van antwoord en de dag van de rechtszitting. Indien de negende of de tiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag zijn, moet de memorie ervóór zijn neergelegd.
- De memorie van antwoord van de verweerder is ontvangen ter griffie van het Hof op maandag 7 januari 2019, dit is minder dan acht volledig vrije dagen vóór de rechtszitting van dinsdag 15 januari
- De memorie van antwoord is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Eerste middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 2 en 833 Gerech-telijk Wetboek en artikel 21, § 1, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest neemt ten onrechte aan dat artikel 833 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is omdat het onverenigbaar is met de regelen die het gerechtelijk strafonderzoek beheersen; die bepaling is wel degelijk van toepassing op het gerechtelijk onder-zoek bij de wraking van een onderzoeksrechter en een debat voor de raadkamer houdt, anders dan het arrest aanneemt, wel degelijk in dat er pleidooien worden gehouden; de onderzoeksrechter brengt immers verslag uit en dat verslag vormt een wezenlijke voorwaarde voor de rechtsgeldigheid van de rechtspleging voor de raadkamer; het arrest getuigt van een dubbelzinnige juridische redenering door eensdeels te oordelen dat artikel 833 Gerechtelijk Wetboek niet kan worden toe-gepast en anderdeels terug te grijpen naar een arrest van het Hof dat besliste tot de toepasselijkheid van deze bepaling; het arrest is onduidelijk over de wettelijke ba-sis waarop het ontvankelijkheidsoordeel is gestoeld en geeft in het beschikkend gedeelte niet aan welke de bij de oordeelsvorming gebruikte wettelijke bepalingen zijn. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest dat in feite vaststelt dat de verweerder tijdens de rechtszitting van de raadkamer van 16 oktober 2018 kennis heeft genomen van de mogelijke wra-kingsgrond, laat na vast te stellen of de reden tot wraking al dan niet werd verno-men vóór de aanvang van de pleidooien van de verweerder, en, zo wordt aange-nomen dat de wrakingsgrond werd vernomen na de aanvang van het pleidooi, of de verweerder kennis had kunnen krijgen van die grond vóór de aanvang van het pleidooi; uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt immers dat de raadsman van de verweerder pas op het einde van zijn pleidooi melding heeft gemaakt van het gegeven dat de onderzoeksrechter lid was van de licentiecommissie van de Koninklijke Belgische Voetbalbond (hierna KBVB), zijnde de werkgever van de verweerder; de pleidooien waren toen reeds aangevat; als de wrakingsgrond een partij slechts bekend wordt tijdens de rechtszitting dient zij die grond voor te dra-gen vóór de aanvang van haar pleidooi; bovendien moet dan vaststaan dat die par-tij niet reeds vóór de aanvang van het pleidooi kennis had kunnen krijgen van de aangevoerde wrakingsgrond; het arrest steunt zich betreffende de kennis van de wrakingsgrond uitsluitend op de verklaring van de raadsman van de verweerder maar laat na te onderzoeken of de verweerder persoonlijk kennis had van de wra-kingsgrond en betrekt de algemene publieke gekendheid van het lidmaatschap van de onderzoeksrechter van de licentiecommissie van de KBVB niet bij haar beoor-deling; het is niet geloofwaardig dat die algemene bekendheid en publiciteit de verweerder en zijn raadslieden zou zijn ontgaan; bijgevolg is de beslissing over de tijdigheid van de pleidooien niet naar recht verantwoord. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest dat aanneemt dat de verweerder tijdens de rechtszitting van de raadka-mer van 16 oktober 2018 kennis kreeg van de wrakingsgrond, laat na vast te stel-len of die wrakingsgrond werd vernomen vóór of na de aanvang van de pleidooi-en; het oordeelt bovendien ten onrechte dat de verweerder niet dadelijk het wra-kingsverzoek diende in te dienen, maar mocht wachten tot na de kennisname van de inlichtingen van de gerechtsdeurwaarder en een juridisch onderzoek van de fei-telijke grondslag tot wraking; het staat op basis van het proces-verbaal van de rechtszitting nochtans vast dat de raadslieden van de verweerder kennis hadden van de wrakingsgrond vóór de aanvang van hun onafgebroken pleidooi; de raads-lieden hebben volgens dit proces-verbaal stukken neergelegd, vervolgens gepleit en op het einde van het pleidooi heeft een van de raadslieden gezegd dat de onderzoeksrechter lid was van de licentiecommissie van de KBVB; door de verweerder werd tijdens de rechtszitting geen uitstel van behandeling van de zaak gevraagd om een wrakingsverzoek in te dienen; de door artikel 833 Gerechtelijk Wetboek vereiste tijdigheid verdraagt niet, zonder een uitstel of schorsing te vragen, om een gerechtsdeurwaarder bevestiging te laten vinden van de reeds vastgestelde reden tot wraking en een juridische analyse te maken; dit moet bovendien in samenhang worden beschouwd met de aanvaarding door de verweerder op 19 oktober 2018 van de door de onderzoeksrechter uit te oefenen rechtsmacht; een raadsman heeft immers aan de onderzoeksrechter op die datum gevraagd om het tegen de verweerder uitgevaardigde aanhoudingsbevel op te heffen, waaruit een vertrouwen in de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de onderzoeksrechter moet worden afgeleid.
- In zoverre het middel in al zijn onderdelen verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Geen enkele bepaling verplicht de rechter die uitspraak doet over het wra-kingsverzoek in het beschikkend gedeelte van zijn beslissing melding te maken van de wetsbepalingen die hij heeft toegepast. In zoverre het middel in het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvat-ting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is omdat het gerechtelijk onderzoek geen pleidooien kent, de verzoeker tot wraking indien de wet geen termijn aangeeft niettemin zijn verzoek tot wra-king onverwijld moet indienen nadat de wrakingsgrond hem gekend is. Aldus geeft het arrest wel degelijk de rechtsgrond op waarop het oordeel over de ont-vankelijkheid van het wrakingsverzoek is gesteund. In zoverre mist het middel in zijn eerste onderdeel feitelijke grondslag.
- De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de wraking van magi-straten zijn op grond van artikel 2 Gerechtelijk Wetboek van toepassing in straf-zaken, tenzij de toepassing ervan onverenigbaar is met de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de beginselen van het strafprocesrecht.
- Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voor-dragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan, en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvo-rens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.
- Aangezien voor een onderzoeksrechter niet wordt gepleit, ook niet indien hij verslag uitbrengt voor de raadkamer in het kader van de beoordeling van de voor-lopige hechtenis of de regeling van de rechtspleging, en de zaken voor de onder-zoeksrechter ook niet bij verzoekschrift worden ingeleid, zijn de door artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bedoelde tijdsvoorwaarden niet van toepassing bij de wra-king van een onderzoeksrechter. De omstandigheid dat er voor de raadkamer wordt gepleit, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het middel in al zijn onderdelen uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de geest van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, de wel omschreven ter-mijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en hande-lingen die zij met zich meebrengt, volgt niettemin dat de wraking van een onder-zoeksrechter moet worden voorgedragen van zodra de grond is gekend door de partij die zich erop beroept. Die regel heeft een algemene draagwijdte en is ook van toepassing indien het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat de onderzoeksrechter niet meer over de vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikt.
- Een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vor-men en een verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen, zonder dat die vol-doende kennis gelijk is te stellen met de mogelijkheid het bewijs van de aange-voerde feiten te leveren.
- De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantast-baar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra die grond haar was gekend. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest oordeelt dat er geen gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de stelling van de verweerder dat hij de mogelijke reden tot wrakingsgrond heeft vernomen tijdens de rechtszitting van de raadkamer van 16 oktober
- Het oordeelt verder dat na kennisname van de inlichtingen van de gerechtsdeurwaar-der en juridisch onderzoek van de feitelijke grondslag tot wraking door de ver-weerder op 22 oktober 2018 een wrakingsverzoek werd neergelegd. Op grond van die redenen, die niet dubbelzinnig of onduidelijk zijn, kan het arrest wettig oordelen dat de verweerder onverwijld nadat de grond tot wraking hem was be-kend, het verzoek tot wraking heeft ingediend. In zoverre kan het middel in al zijn onderdelen niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de daarin vervatte mo-tiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet het in de conclusie van de eiser aange-voerde verweer over het gesprek op 19 oktober 2018 tussen de onderzoeksrechter en een raadsman van de verweerder waarbij werd gevraagd het aanhoudingsbevel op te heffen en de verweerder zo spoedig mogelijk te laten verhoren, waardoor het vertrouwen in de onbevangenheid, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de onderzoeksrechter werd bevestigd.
- De verplichting elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aan-gewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser het gegeven over het gesprek tussen de onderzoeksrechter en een raadsman van de verweerder slechts heeft aangevoerd als een argument tot staving van het verweer over de laattijdigheid van het wrakingsverzoek omdat de wrakingsgrond de ver-weerder of zijn raadslieden reeds was gekend voorafgaand aan het pleidooi voor de raadkamer op 16 oktober
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de met toepassing van artikel 836 Gerechtelijk Wetboek door de onderzoeksrechter afgelegde verklaring van 23 oktober 2018; het arrest schrijft het gegeven van het gesprek dat er op 19 oktober 2018 was tussen de onderzoeksrechter en een raadsman van de verweerder toe aan het openbaar ministerie, waardoor het de bijzondere wettelijke bewijswaarde mis-kent van de verklaring van de onderzoeksrechter; het arrest beantwoordt boven-dien die verklaring niet.
- Geen enkele bepaling verplicht de rechter die uitspraak doet over een wra-kingsverzoek om de gegevens vervat in de door de gewraakte magistraat overeen-komstig artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek afgelegde verklaring te be-antwoorden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De bewijskracht en de bewijswaarde van akten zijn twee onderscheiden ju-ridische begrippen. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het bestreden vonnis de bewijswaarde dan wel de bewijskracht van de door artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek be-doelde verklaring van de onderzoeksrechter miskent, is het wegens onduidelijk-heid niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig en dubbelzinnig gemotiveerd; het arrest oordeelt enerzijds dat de onderzoeksrechter terecht beklemtoont dat elk lid van de licentiecommissie onafhankelijk is ten aanzien van alle actoren in "het voetbal" en ook ten opzichte van de KBVB en aanvaardt aldus dat uit het (gewe-zen) mandaat van de onderzoeksrechter als dusdanig geen objectieve schijn van partijdigheid of afhankelijkheid kan worden afgeleid; het oordeelt ook dat de om-standigheid dat de onderzoeksrechter lid was van een instantie van de werkgever van de verweerder, twijfel kan doen ontstaan over zijn objectiviteit, ook al zou hij in die instantie hebben gezeteld zonder toegewezen te zijn aan een club of recht-streeks bij de KBVB te zijn aangesloten, waarmee het arrest vaststelt dat de on-derzoeksrechter lid was van een instantie van de werkgever van de verweerder, ook al is hij als dusdanig niet verbonden aan een club of aangesloten bij de KBVB; het arrest oordeelt anderzijds dat de schijn van afhankelijkheid en partij-digheid objectief verantwoord is, gelet op het lidmaatschap van de onderzoeks-rechter van de KBVB.
- Met het geheel van redenen die het arrest (p. 13-14) bevat, gelezen in hun onderlinge samenhang, oordeelt het niet dat de schijn van afhankelijkheid en par-tijdigheid objectief is verantwoord, gelet op het lidmaatschap van de onderzoeks-rechter van de KBVB, maar wel dat die schijn is verantwoord, gelet op de band tussen de onderzoeksrechter en de KBVB, het lidmaatschap van de onderzoeks-rechter van de licentiecommissie van de KBVB en de uit dat lidmaatschap onver-mijdelijk voortvloeiende banden met de KBVB en leden van het uitvoerend comi-té, waarvan sommigen het voorwerp uitmaken van het gerechtelijk onderzoek. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.
- Het middel verduidelijkt niet in welke lezing het arrest onwettig is en in welke andere lezing het wettig is. In zoverre het middel een dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert, is het bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk.
- Redenen zijn tegenstrijdig als de ene de andere uitsluit. Dat is niet het geval met de door het middel bekritiseerde redenen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest kan op grond van de vaststellingen die het bevat, niet naar recht oordelen dat de vrees voor een partijdige behandeling objectief ge-rechtvaardigd is; de rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartij-dig te zijn; de vrees voor een partijdige behandeling kan niet objectief gerecht-vaardigd zijn op grond van het gegeven dat de onderzoeksrechter ooit lid was van de licentiecommissie van de KBVB; een (gewezen) organieke (onrechtstreekse) link tussen entiteiten is als dusdanig niet voldoende om die vrees te staven; het ar-rest neemt nergens gronden van subjectieve partijdigheid aan noch vermeldt het feitelijke omstandigheden die de vrees voor partijdigheid en afhankelijkheid ob-jectief zouden rechtvaardigen; de van de vóór de wrakingsgrond daterende persar-tikelen die deel uitmaken van de publieke opinie of daarvan een afspiegeling zijn beschrijven het lidmaatschap van de onderzoeksrechter als voormalig lid van de licentiecommissie van de KBVB eerder als een toegevoegde waarde, zonder dat er vraagtekens worden geplaatst bij zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Er is gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wet-boek indien de aangevoerde feiten bij de partijen of derden de indruk kunnen wekken dat de gewraakte rechter zijn ambt niet kan uitoefenen met de nodige on-afhankelijkheid en onpartijdigheid én bovendien dat die indruk als objectief ge-rechtvaardigd kan worden aangenomen.
- De rechter die uitspraak moet doen over de wraking oordeelt daar onaan-tastbaar over. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen ge-volgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest oordeelt dat het op artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek gesteun-de wrakingsverzoek gegrond is om de volgende redenen: - het staat vast dat de onderzoeksrechter van 18 maart 2011 tot 17 maart 2018 een mandaat had binnen de licentiecommissie van de KBVB; - uit de stukken blijkt dat de leden van de licentiecommissie, waaronder drie ju-risten, worden benoemd door het uitvoerend comité van de KBVB; - de onderzoeksrechter beklemtoont terecht de onafhankelijkheid van elk lid van de licentiecommissie ten aanzien van alle actoren in "het voetbal" en ook ten opzichte van de KBVB; - dit neemt echter niet weg dat de KBVB een feitelijke vereniging is die in Bel-gië de voetbalsport vertegenwoordigt, zij de administratieve en sportieve orga-nisatie van de voetbalsport tot doel heeft, evenals de verspreiding ervan onder al haar vormen; - de KBVB is kortom "de voetbal"; - de KBVB is de werkgever van de verweerder; - de feiten die het voorwerp uitmaken van het gerechtelijk onderzoek waarmee de onderzoeksrechter is gevat, namelijk omkoping, matchfixing, witwas en criminele organisatie, spelen zich af binnen de voetbalwereld onder de koepel van de KBVB; - door het mandaat dat de onderzoeksrechter uitoefende binnen de KBVB, be-stond er een band met deze KBVB, die belang heeft of kan hebben bij deze zaak, hetzij als mogelijk slachtoffer, hetzij als betrokkene via haar leden; - ook de omstandigheid dat de onderzoeksrechter lid was van een instantie van de werkgever van de verweerder kan twijfel doen ontstaan over zijn objectivi-teit, ook al zou de onderzoeksrechter in die instantie hebben gezeteld zonder toegewezen te zijn aan een club of rechtstreeks bij de KBVB te zijn aangeslo-ten; - gelet op deze band tussen de onderzoeksrechter en de KBVB kan worden aan-genomen dat er bij de publieke opinie de schijn ontstaat dat zijn onafhankelijk-heid en onpartijdigheid niet langer is gewaarborgd; - dat aan het lidmaatschap van de onderzoeksrechter bij de licentiecommissie van de KBVB in maart 2018 een einde is gekomen, doet aan het voorgaande geen afbreuk: de onderzoeksrechter was lid op het ogenblik dat het gerechtelijk onderzoek werd gestart; hij heeft door zijn jarenlang lidmaatschap van de li-centiecommissie onvermijdelijk banden met de KBVB en leden van het uitvoe-rend comité, waarvan sommigen het voorwerp uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest naar recht oordelen dat er gewettigde verdenking is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 3,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 15 januari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaar-digd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky E. Francis A. Lievens A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.19 ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250320.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120410.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.24 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231129.2F.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.17 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241220.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div