← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190122.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190122.3 Rolnummer: P.18.0902.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-01-31 Raadplegingen: 621 - laatst gezien 2026-06-28 06:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche De uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet in het Europees aanhoudingsbevel ter fine van strafuitvoering niet alleen melding maken van de vrijheidsbenemende hoofdstraf waartoe de betrokkene bij definitieve beslissing is veroordeeld, maar ook van de door artikel 34bis Strafwetboek bedoelde bijkomende straf die hem bij dezelfde beslissing en wegens hetzelfde strafbare feit is opgelegd, maar de enkele omstandigheid dat die autoriteit geen melding heeft gemaakt in het Europees aanhoudingsbevel van de bijkomende straf en de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat de tenuitvoerlegging van het bevel en dus de overlevering van de betrokkene heeft toegestaan, heeft evenwel niet tot gevolg dat de bijkomende straf in de uitvaardigende staat niet kan worden uitgevoerd; de beslissing van de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat strekt er immers niet toe toestemming te geven voor de uitvoering van een vrijheidsstraf in de uitvaardigende staat, maar blijft beperkt tot het toestaan van de overlevering van de betrokkene in overeenstemming met het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel opdat het gepleegde strafbare feit niet onbestraft blijft, zodat het niet-vermelden door de autoriteit van de uitvaardigende staat in het Europees aanhoudingsbevel van de bijkomende straf niet belet dat die bijkomende straf in die staat kan worden uitgevoerd, indien de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat de mogelijkheid had om zich op de artikelen 3 tot en met 5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel te beroepen; aan die voorwaarde is voldaan indien de autoriteit van de uitvaardigende staat in het Europees aanhoudingsbevel melding maakt van de vrijheidsbenemende hoofdstraf waartoe de betrokkene bij definitieve beslissing is veroordeeld, zodat de autoriteit van de uitvoerende staat zich ervan kan vergewissen of het Europees aanhoudingsbevel binnen de werkingssfeer van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel valt en inzonderheid of de vereiste grens is bereikt, alsook indien de betrokkene die bekend was met de duur en het bestaan van de bijkomende straf zich bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet heeft beroepen op het ontbreken van de vermelding van die bijkomende straf in het Europees aanhoudingsbevel

(1).
(1)Het Hof van Justitie beantwoordde in zijn arrest van 6 december 2018, C-551/118 PPU, de door het Hof van Cassatie bij arrest van 29 augustus 2018 gestelde prejudiciële vragen; zie over de inlichtingen die een EAB conform artikel 2, §4, Wet van 19 december 20003, dient te bevatten Cass. 1 maart 2006, AR P.06.0280.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060301.23, AC 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Belgisch Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging gevraagd aan Nederland - Overlevering ter fine van strafuitvoering - Vermelding in het Europees aanhoudingsbevel van de vrijheidsbenemende hoofdgevangenisstraf - Geen vermelding in het Europees aanhoudingsbevel van de bijkomende straf van terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0902.N W C, terbeschikkinggestelde van de strafuitvoeringsrechtbank, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8700 Tielt, Hoogstraat 34, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen van 31 juli
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE PROCEDURE EN RELEVANTE GEGEVENS Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.
  3. Bij op tegenspraak gewezen arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 februari 2013 werd de eiser veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar wegens een feit van aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedrei-ging op een minderjarige jonger dan 16 jaar (inbreuk op de artikelen 372, eerste lid, 374, 378 en 382bis Strafwetboek) en dit in staat van wettelijke herhaling. Te-vens werd hij voor dat feit met hetzelfde arrest ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank (TBS) (hierna de bijkomende straf) voor een periode van tien jaar.
  4. Op 27 augustus 2014 werd door een advocaat-generaal bij het hof van be-roep te Antwerpen op grond van het voormelde arrest volgens het als bijlage bij het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Eu-ropees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel) en het als bijlage bij de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (hierna Wet Europees Aanhoudingsbevel) gevoegde model een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Daarin werd melding gemaakt van de opgelegde vrijheidsstraf van drie jaar (waarvan nog 968 dagen uit te zitten), werden de strafbare feiten om-schreven naar aard, wettelijke kwalificatie en toepasselijke wetsbepalingen en werd een uiteenzetting van de feiten gegeven. In dit Europees aanhoudingsbevel werd geen melding gemaakt van de bijkomende straf voor een periode van 10 jaar waartoe de eiser bij het voormelde arrest ook was veroordeeld.
  5. De rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, heeft bij beslis-sing van 8 maart 2016 met verwijzing naar het voormelde Europees aanhoudings-bevel en na de vaststellingen dat de overlevering werd gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar opgelegd bij het voormelde arrest van het hof van beroep te Antwerpen, aan de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid van het feit was voldaan en er geen weigeringsgronden waren die de overlevering in de weg stonden, de overlevering toegestaan van de eiser aan België ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te ondergaan op het Belgische grondgebied wegens het feit waarvoor zijn overlevering werd verzocht.
  6. De eiser werd vervolgens overgeleverd aan België en opgesloten in de ge-vangenis. Die detentie was gegrond op de veroordeling met voormeld arrest van het Antwerpse hof van beroep tot drie jaar gevangenisstraf, waarvoor het strafein-de was bepaald op 12 augustus 2018, alsook op de met hetzelfde arrest bevolen bijkomende straf voor een periode van tien jaar.
  7. De strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen heeft met een vonnis van 31 juli 2018 het verweer van de eiser verworpen dat hij voor de bijkomende straf niet was overgeleverd. Er werd weliswaar aangenomen dat het door België uitgevaar-digde Europees aanhoudingsmandaat enkel melding maakt van de hoofdgevange-nisstraf van drie jaar en niet van de bijkomende straf, maar tevens werd geoor-deeld dat de inlichtingen die een Europees aanhoudingsbevel op grond van artikel 2, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel moet bevatten niet op straffe van nietig-heid zijn voorgeschreven, maar enkel ertoe strekken de aangezochte overheid in staat te stellen te oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhou-dingsbevel en uit niets blijkt dat de vermelding betreffende de bijkomende straf enige grond tot weigering van het bevel met zich zou hebben meegebracht, zodat noch het Europees aanhoudingsbevel van 27 augustus 2014 noch de beslissing van de rechtbank van Amsterdam van 8 maart 2016 noch enige bepaling zich verzetten tegen de uitvoering van de bijkomende straf. De strafuitvoeringsrechtbank heeft daarop beslist tot vrijheidsbeneming.
  8. Bij arrest van 29 augustus 2018 heeft het Hof het onderzoek van de midde-len van de eiser opgeschort totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie) een antwoord zou hebben gegeven op de volgende preju-diciële vragen: "
  9. moet artikel 8.1,f), Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel zo worden uitge-legd dat het volstaat dat een uitvaardigende rechterlijke autoriteit in het Europees aanhoudingsbevel enkel melding maakt van de opgelegde uitvoerbare vrijheidsstraf en dus niet van de voor hetzelfde feit en bij dezelfde rechterlijke beslissing opgelegde bijkomende straf, zoals de TBS, die slechts tot effectieve vrijheidsbe-neming zal aanleiding geven na de uitvoering van de eerstbedoelde vrijheidsstraf en slechts na een uitdrukkelijke beslissing daartoe van de strafuitvoeringsrecht-bank;
  10. zo vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, of artikel 8.1,f), Kaderbesluit Euro-pees Aanhoudingsbevel zo moet worden uitgelegd dat de overlevering door de lid-staat van de uitvoerende rechterlijke overheid op grond van een Europees aan-houdingsbevel dat enkel melding maakt van de opgelegde uitvoerbare vrijheidsstraf en dus niet van de opgelegde bijkomende straf van de TBS welke voor hetzelfde feit en bij dezelfde rechterlijke beslissing werd opgelegd, tot gevolg heeft dat in de lidstaat van de uitvaardigende rechterlijke overheid tot effectieve vrijheidsbeneming ter uitvoering van die bijkomende straf kan worden overgegaan;
  11. zo vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, of artikel 8.1,f), Kaderbesluit Euro-pees Aanhoudingsbevel zo moet worden uitgelegd dat het niet-vermelden van de opgelegde bijkomende vrijheidsstraf van TBS door de uitvaardigende rechterlijke overheid in het Europees aanhoudingsbevel tot gevolg heeft dat de opgelegde bij-komende straf, waarvan mag worden aangenomen dat de uitvoerende rechterlijke overheid er geen kennis van heeft, niet tot effectieve vrijheidsbeneming in de uit-vaardigende lidstaat kan aanleiding geven."
  12. Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 6 december 2018 (zaak C-551/18 PPU) de door het Hof gestelde prejudiciële vragen beantwoord.
  13. De eiser heeft op 28 december 2018 een "memorie na arrest Europees Hof van Justitie van de EU" (hierna aanvullende memorie) ter griffie van het Hof in-gediend. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de aanvullende memorie
  14. Het recht van verdediging vereist dat een eiser schriftelijk standpunt kan in-nemen met betrekking tot de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie op de door het Hof gestelde prejudiciële vragen voor de door hem in zijn ontvanke-lijke memorie aangevoerde middelen.
  15. De eiser kan dit recht evenwel niet aanwenden om nieuwe middelen aan te voeren of om de draagwijdte van de reeds aangevoerde middelen te wijzigen. An-ders oordelen zou afbreuk doen aan de door de wetgever met artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering strikte en dwingend voorgeschreven termijn om cassatiemiddelen aan te voeren.
  16. Onder het vierde middel van zijn aanvullende memorie na het arrest van het Hof van Justitie voert de eiser in vergelijking met het vierde middel van zijn initi-ele memorie aanvullend een miskenning aan van zijn recht van verdediging omdat hij zich door de nalatigheid van het Belgische openbaar ministerie voor de Neder-landse rechter niet zou hebben kunnen verdedigen betreffende de toepassings-voorwaarden van het Europees aanhoudingsbevel inzake de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling.
  17. De eiser kon voor het Hof in zijn initiële memorie wel degelijk aanvoeren dat het Belgische openbaar ministerie door de niet-vermelding van de bijkomende straf hem heeft verschalkt en aldus zijn recht van verdediging is miskend. Hij heeft dit evenwel niet gedaan binnen de door artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering bedoelde termijn. In zoverre de eiser met zijn aanvullende memorie de draagwijdte uitbreidt van het vierde middel van zijn initiële memorie of een nieuw middel aanvoert, is die aan-vullende memorie niet ontvankelijk. Eerste middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 2, § 4, Wet Europees Aanhou-dingsbevel: het vonnis geeft uitvoering aan de bijkomende straf waartoe de eiser bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen werd veroordeeld, terwijl de eiser voor deze straf niet is overgeleverd; het door het Belgische openbaar ministerie uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel maakt enkel melding van de aan de eiser opgelegde vrijheidsstraf; er bestaat dan ook voor de bijkomende straf geen door België uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel en de overlevering door de Nederlandse rechter op grond van het Belgisch Europees aanhoudingsbevel kan daar dan ook geen betrekking op hebben; de strafuitvoeringsrechtbank kan het ontbreken van een Europees aanhoudingsbevel voor de bijkomende straf niet re-gulariseren; de verwijzing naar artikel 2, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel is dan ook niet pertinent.
  19. Het Hof van Justitie heeft met het arrest van 6 december 2018 (zaak C-551/18 PPU) de voormelde prejudiciële vragen als volgt beantwoord: "Artikel 8, lid 1, onder f), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 be-treffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het niet-vermelden, in het Eu-ropees aanhoudingsbevel op grondslag waarvan de overlevering van de betrok-kene heeft plaatsgevonden, van de bijkomende straf van terbeschikkingstelling waartoe deze persoon is veroordeeld wegens hetzelfde strafbare feit bij dezelfde rechterlijke uitspraak als die inzake de tot vrijheidsbeneming strekkende hoofdstraf, zich er in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet tegen verzet dat de uitvoering van deze bijkomende straf, bij het verstrijken van de hoofdstraf en nadat de voor de strafuitvoering bevoegde nationale rechterlijke instantie een formele beslissing daartoe heeft gegeven, tot vrijheidsbeneming leidt".
  20. Dit antwoord is gesteund op onder meer de volgende overwegingen: - een Europees aanhoudingsbevel moet voldoen aan de in artikel 8.1, f), Kader-besluit Europees Aanhoudingsbevel gestelde regelmatigheidsvereisten en de niet-inachtneming van deze vereisten, waarvan de eerbiediging een voorwaarde vormt voor de geldigheid van het Europees aanhoudingsbevel, kan de uitvoe-rende rechterlijke autoriteit er in beginsel toe brengen om aan dit aanhoudings-bevel geen gevolg te geven, zodat het niet zonder meer kan worden uitgesloten dat de veroordeling tot een bijkomende straf, waarvan geen mel¬ding is gemaakt in het Europees aanhoudingsbevel, in bepaalde gevallen een grond van weige-ring van dat bevel kan rechtvaardigen (ro 43-44); - er moet worden onderzocht of in de omstandigheden als die van het hoofdge-ding het niet-vermelden in het Europees aanhoudingsbevel van de bijkomende straf tot gevolg heeft gehad dat afbreuk is gedaan aan de uitoefening van de bevoegdheden die de uitvoerende rechterlijke autoriteit ontleent aan de artike-len 3 tot en met 5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en of de regelma-tigheidsvereiste van artikel 8.1, f), Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel is miskend (ro 45); - in het hoofdgeding is de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet de mogelijkhe-den ontnomen om zich op de artikelen 3 tot en met 5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel te beroepen (ro 46); - de vereiste van artikel 8.1, f), Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel om de opgelegde straf te vermelden, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, beoogt de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen zich ervan te vergewis-sen dat het Europees aanhoudingsbevel binnen de werkingssfeer van het Ka-derbesluit Europees Aanhoudingsbevel valt en in het bijzonder na te gaan of het is uitgevaardigd voor de uitvoering van een vrijheidsstraf of een tot vrij-heidsbeneming strekkende maatregel waarvan de duur boven de in het Kader-besluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalde grens van vier maanden ligt (ro 48 en 51); - in deze zaak lag de hoofdstraf van drie jaar waartoe de eiser was veroordeeld boven deze grens en volstond bijgevolg de vermelding daarvan om te verzeke-ren dat het Europees aanhoudingsbevel voldeed aan de regelmatigheidsvereiste van artikel 8.1, f), Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, zodat de uitvoe-rende rechterlijke autoriteit gehouden was de betrokkene over te leveren opdat het gepleegde strafbare feit niet onbestraft zou blijven en de uitgesproken ver-oordeling zou worden uitgevoerd en bijgevolg het gegeven dat in het Europees Aanhoudingsbevel geen melding werd gemaakt van de bijkomende straf geen enkele invloed kon hebben op de uitvoering van deze straf in de uitvaardigende lidstaat (ro 52-54); - de beslissing van de uitvoerende autoriteit strekt niet ertoe om toestemming te geven voor de uitvoering van een vrijheidsstraf in de uitvaardigende lidstaat, maar blijft beperkt tot het toestaan van de overlevering van de betrokkene in overeenstemming met het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel opdat het gepleegde strafbare feit niet onbestraft blijft (ro 56); - de uitvoering van een straf waarvan geen kennis is gegeven aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit druist niet in tegen het specialiteitsbeginsel dat alleen be-trekking heeft op andere strafbare feiten dan die welke de reden voor overleve-ring zijn geweest, terwijl de bijkomende straf niet is toegevoegd na de overle-vering van de betrokkene, maar was opgelegd voor hetzelfde strafbare feit en bij dezelfde rechterlijke uitspraak als de veroordeling tot de hoofdstraf van drie jaar gevangenisstraf (ro 57-61); - er is geen reden om aan te nemen dat aangezien in het Europees aanhoudings-bevel geen melding was gemaakt van de bijkomende straf, de tenuitvoerlegging ervan, gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen, alleen kan leiden tot een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel indien de uitvoerende rech-terlijke autoriteit daarover vooraf is geïnformeerd op grond van artikel 15.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en zij niet besluit zich ten aanzien van deze bijkomende straf op een van de weigeringsgronden te beroepen of aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel bepaalde ga¬ranties te verbinden die de uitvaardigende lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel moet bieden (ro 62); - weliswaar had de bijkomende straf in het Europees Aanhoudingsbevel moeten worden vermeld, maar dit neemt niet weg dat het niet-vermelden niet tot ge-volg heeft gehad dat afbreuk is gedaan aan de uitoefening van de bevoegdhe-den die de uitvoerende rechterlijke autoriteit aan de artikelen 3 tot en met 5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel ontleent (ro 64); - de eiser, hoewel hij bekend was met het bestaan en met de duur van zijn straf, heeft zich bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet beroepen op het ontbre-ken van de vermelding van de bijkomende straf in het Europees aanhoudings-bevel (ro 65); - het waarborgen van het respect van de rechten van de persoon wiens overleve-ring wordt gevraagd is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de uit-vaardigende lidstaat. De beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit doet dus niets af aan de mogelijkheid van de betrokkene om, zodra hij is over-geleverd, binnen de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat de rechtsmidde-len aan te wenden die hem in staat stellen om in voorkomend geval de rechtma-tigheid te betwisten van zijn hechtenis in een penitentiaire instelling van die lidstaat, onder meer gelet op het Europees Aanhoudingsbevel op grond waar-van zijn overlevering was toegestaan. Artikel 15.3 Kaderbesluit Europees Aan-houdingsbevel kan dan ook niet worden uitgelegd als zou het de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verplichten de uitvoerende rechterlijke autoriteit, nadat deze heeft ingestemd met het verzoek tot overlevering, in kennis te stellen van het bestaan van de bijkomende straf, opdat deze autoriteit een beslissing zou nemen over de mogelijkheid om de bijkomende straf in de uitvaardigende lidstaat uit te voeren. Dit zou onverenigbaar zijn met het door het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel nagestreefde doel om de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen (ro 69).
  21. Daaruit moet het volgende worden afgeleid: - de uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet in het Europees aanhoudingsbe-vel ter fine van strafuitvoering niet alleen melding maken van de vrijheidsbe-nemende hoofdstraf waartoe de betrokkene bij definitieve beslissing is veroor-deeld, maar ook van de door artikel 34bis Strafwetboek bedoelde bijkomende straf die hem bij dezelfde beslissing en wegens hetzelfde strafbare feit is opge-legd; - de enkele omstandigheid dat die autoriteit geen melding heeft gemaakt in het Europees aanhoudingsbevel van de bijkomende straf en de rechterlijke autori-teit van de uitvoerende staat de tenuitvoerlegging van het bevel en dus de over-levering van de betrokkene heeft toegestaan, heeft evenwel niet tot gevolg dat de bijkomende straf in de uitvaardigende staat niet kan worden uitgevoerd; - de beslissing van de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat strekt er immers niet toe toestemming te geven voor de uitvoering van een vrijheidsstraf in de uitvaardigende staat, maar blijft beperkt tot het toestaan van de overleve-ring van de betrokkene in overeenstemming met het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel opdat het gepleegde strafbare feit niet onbestraft blijft; - het niet-vermelden door de autoriteit van de uitvaardigende staat in het Euro-pees aanhoudingsbevel van de bijkomende straf belet niet dat die bijkomende straf in die staat kan worden uitgevoerd, indien de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat de mogelijkheid had om zich op de artikelen 3 tot en met 5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel te beroepen. Aan die voorwaarde is voldaan indien de autoriteit van de uitvaardigende staat in het Europees aan-houdingsbevel melding maakt van de vrijheidsbenemende hoofdstraf waartoe de betrokkene bij definitieve beslissing is veroordeeld, zodat de autoriteit van de uitvoerende staat zich ervan kan vergewissen of het Europees aanhoudings-be¬vel binnen de werkingssfeer van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbe-vel valt en inzonderheid of de vereiste grens is bereikt, alsook indien de be-trokkene die bekend was met de duur en het bestaan van de bijkomende straf zich bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet heeft beroepen op het ontbre-ken van de vermelding van die bijkomende straf in het Europees aanhoudings-bevel. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  22. Het vonnis stelt vast dat de rechtbank van Amsterdam (Nederland) op 8 maart 2016 de overlevering van de eiser heeft toegestaan op basis van een door het parket-generaal te Antwerpen uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte van de vrijheidsstraf van drie jaar waartoe hij door het hof van beroep te Antwerpen was veroordeeld. Het oordeelt dat uit niets blijkt en de eiser zulks in elk geval niet aannemelijk maakt dat de vermelding van de bijkomende straf op het Europees aanhoudings-bevel een weigering door de rechtbank van Amsterdam met zich zou hebben mee-gebracht, zodat niets zich verzet tegen de uitvoering van de bijkomende straf. Al-dus is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  23. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de brief van het Neder-landse openbaar ministerie van 4 juli 2018, van het vonnis van de rechtbank van Amsterdam van 8 maart 2016 en van het door het Antwerpse parket-generaal op 27 augustus 2014 uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel; in de brief van 4 juli 2018 valt niet te lezen dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhou-dingsbevel voor de bijkomende straf mag worden toegestaan, maar wordt inte-gendeel geschreven dat het Nederlandse openbaar ministerie onbevoegd is om overeenkomstig artikel 27 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel een aanvul-lende toestemming te verstrekken; aldus laat het vonnis deze brief iets anders zeg-gen dan wat er in is uitgedrukt; het vonnis van 8 maart 2016 oordeelt niet dat de verstrekte gegevens toelaten de overlevering toe te staan voor de bijkomende straf, maar wel dat de overlevering enkel is gevraagd voor de gevangenisstraf en niet voor de bijkomende straf; het Europees aanhoudingsbevel van 27 augustus 2014 bepaalt noch impliciet noch expliciet dat de overlevering wordt gevraagd voor de bijkomende straf; aldus is de inhoud ervan niet verenigbaar met het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank.
  24. Met het door het middel bekritiseerde oordeel geeft het vonnis geen uitleg-ging van de vermelde stukken, maar trekt het enkel feitelijke of juridische gevol-gen uit die stukken. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis be-antwoordt niet het verweer dat volgens artikel 2, eerste lid, van de Nederlandse wet van 29 april 2004 betreffende het Europees aanhoudingsbevel Nederland de eiser alleen kon overleveren voor een vrijheidsstraf en niet voor de bijkomende straf.
  26. Met de redenen die het vonnis bevat, beantwoordt het wel degelijk het be-doelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde tot en met zesde middel
  27. Het vierde middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 12 Grondwet en artikel 157, tweede lid, Strafwetboek: het vonnis beslist tot vrij-heidsberoving terwijl daartoe geen wettige titel voorhanden is. Het vijfde middel voert schending aan van artikel 32, § 2, Wet Europees Aanhou-dingsbevel: het vonnis beveelt een vrijheidsbeneming zonder dat er een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd voor de bijkomende straf. Het zesde middel voert schending aan van de artikelen 23 tot en met 28 Gerechte-lijk Wetboek: door de vrijheidsbeneming van de eiser te bevelen, miskent het vonnis de kracht van gewijsde van het door het openbaar ministerie uitgevaardig-de Europees aanhoudingsbevel dat geen betrekking heeft op de bijkomende straf.
  28. De middelen zijn geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aan-gevoerde onwettigheid. De middelen zijn niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 22 januari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190122.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180829.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060301.23 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220126.2F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.