id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190129.1 Rolnummer: P.18.0422.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2019-01-31 Raadplegingen: 749 - laatst gezien 2026-06-29 07:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen door de procureur des Konings kan in elke stand van de rechtspleging worden genomen zoals door de voeging van een stuk aan het strafdossier, de opname ervan in de vordering tot regeling van de rechtspleging of in de dagvaarding waarbij enkel is vereist dat zij voorafgaand aan het vonnis of arrest aan de rechtspleging wordt toegevoegd, zodanig dat de beklaagde er kennis kan van nemen en zich ertegen kan verdedigen; een mondelinge vordering waarvan de inhoud regelmatig wordt vastgesteld in het proces-verbaal van de rechtszitting, kan voldoende zijn opdat de beklaagde zijn recht van verdediging kan uitoefenen, wat het geval is indien uit dit proces-verbaal blijkt dat het openbaar ministerie de bijzondere verbeurdverklaring heeft gevorderd van vermogensvoordelen en niet blijkt dat de beklaagde uitstel heeft gevraagd om daarop te antwoorden
(1).
(1)Zie Cass. 5 april 2016, AR P.15.1645.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.1, AC 2016, nr. 231; Cass. 9 juni 2015, AR P.14.0385.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150609.1, AC 2015, nr. 381; Cass. 16 december 2008, AR P.08.1268.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081216.4, AC 2008, nr.
- Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Schriftelijke vordering door het openbaar ministerie - Wijze Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 05-06-1867 - Art. 43bis, eerste lid - 01 Link Justel databank 18670605-01 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Wijze Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 05-06-1867 - Art. 43bis, eerste lid - 01 Link Justel databank 18670605-01 Fiches 3 - 4 Uit de artikelen 43bis, eerste lid, 152, 153, laatste lid, 190, derde lid, en 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 743 en 744 Gerechtelijk Wetboek, gelezen in hun onderlinge samenhang, volgt dat de door artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen buiten het toepassingsgebied valt van artikel 152 Wetboek van Strafvordering; de rechter kan een schriftelijke vordering die werd neergelegd buiten de overeenkomstig artikel 152, §1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde conclusietermijnen niet weren op grond van artikel 152, §2, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Schriftelijke vordering door het openbaar ministerie - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Conclusie - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Onderscheid - Gevolg Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - DE BOCK Erik; Noot "Vordering tot verbeurdverklaring door OM is geen conclusie" - 2019, nr. 384, p. 6-
- Droit pénal de l’entreprise [Dr.pén.entr.] - VERHEYLESONNE, Aurélie; Note "Le réquisitoire de confiscation des avantages patrimoniaux ne doit pas être déposé dans le délai fixé au parquet pour conclure en application de l’article 152 du Code d’instruction criminelle" - 2019, n° 3, p. 183-
- Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - VEREECKE, Vincent; Noot "De schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en de conclusietermijnen in strafzaken" - 2019, nr. 8, p. 654-
- Tekst van de beslissing Nr P.18.0422.N A M G M M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 23 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvorde-ring, artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek en artikel 744, 2°, Gerechtelijk Wet-boek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het openbaar ministerie zijn in eerste aanleg neergelegde schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van de vermo-gensvoordelen in hoger beroep kan hernemen; de eerste rechter heeft geoordeeld dat deze vordering, die een aanspraak in de zin van artikel 152 Wetboek van Strafvordering vormt, laattijdig werd neergelegd en bijgevolg onontvankelijk is; uit artikel 152, § 3, Wetboek van Strafvordering volgt dat tegen een beslissing tot wering van laattijdig neergelegde aanspraken geen rechtsmiddel openstaat; aldus had het appelgerecht geen saisine om deze beslissing te hervormen.
- Uit de artikelen 153, laatste lid, 190, derde lid, en 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat in politie- en correctionele zaken het openbaar minis-terie op straffe van nietigheid wordt gehoord. Het openbaar ministerie dat waakt over een juiste toepassing van de wet, geeft er in de regel mondeling zijn stand-punt weer over het gevolg dat aan de publieke vordering moet worden gegeven en het vordert er desgevallend de straffen en maatregelen die het wenst opgelegd te zien.
- Indien het openbaar ministerie in politie- en correctionele zaken wenst te concluderen, waartoe het niet kan worden verplicht, zijn volgens artikel 152, § 4, Wetboek van Strafvordering, de paragrafen 1 en 2 van dit artikel van toepassing. Dit betekent dat indien aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 152, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is voldaan, het openbaar ministerie zijn conclusie dient op te stellen overeenkomstig de artikelen 743 en 744 Gerechtelijk Wetboek en deze tijdig dient neer te leggen ter griffie en ter kennis te brengen van de be-trokken partijen binnen de door de rechter bepaalde conclusietermijnen en dit op straffe van het desgevallend weren van deze conclusie overeenkomstig artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering.
- Krachtens artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek kan de bijzondere ver-beurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, van dat wet-boek door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd. Die bepaling strekt ertoe voor de vonnisrechter een debat over deze facultatieve bijzondere ver-beurdverklaring te organiseren opdat de beklaagde zijn recht van verdediging kan uitoefenen. Deze schriftelijke vordering kan in elke stand van de rechtspleging worden geno-men zoals door de voeging van een stuk aan het strafdossier, de opname ervan in de vordering tot regeling van de rechtspleging of in de dagvaarding. Enkel is ver-eist dat zij voorafgaand aan het vonnis of arrest aan de rechtspleging wordt toege-voegd, zodanig dat de beklaagde er kennis kan van nemen en zich ertegen kan verdedigen. Een mondelinge vordering waarvan de inhoud regelmatig wordt vastgesteld in het proces-verbaal van de rechtszitting, kan voldoende zijn opdat de beklaagde zijn recht van verdediging kan uitoefenen, wat het geval is indien uit dit proces-verbaal blijkt dat het openbaar ministerie de bijzondere verbeurdverklaring heeft gevorderd van vermogensvoordelen en niet blijkt dat de beklaagde uitstel heeft gevraagd om daarop te antwoorden.
- Uit deze bepalingen, gelezen in hun onderlinge samenhang, volgt dat de door artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen buiten het toepassingsge-bied valt van artikel 152 Wetboek van Strafvordering. De rechter kan een schrif-telijke vordering die werd neergelegd buiten de overeenkomstig artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde conclusietermijnen niet weren op grond van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting, en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn; de appel-rechters verwijzen hierbij naar de noodzaak om een ander strafdossier te voegen en eisers gebrek aan verzet tegen de vele uitstellen; de eiser was evenwel zelf niet de oorzaak van deze verdagingen en kende ook de inhoud van het nakomende dossier niet zodat hij de noodzaak van voeging dan wel afsplitsing niet kon be-oordelen; in elk geval heeft de behandeling van de zaak in eerste aanleg twintig maanden stil gelegen wat als dusdanig, ongeacht de omstandigheden, een over-schrijding van de redelijke termijn inhoudt.
- Of de redelijke termijn waarbinnen moet zijn beslist over een tegen een be-klaagde ingestelde strafvervolging is overschreden, wordt onaantastbaar beoor-deeld door de rechter rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en de procedure in haar geheel. De rechter toetst de redelijke termijn daarbij aan de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde over-heden en het belang dat de zaak heeft voor de partijen.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Uit een aanzienlijk tijdsverloop tussen de inleidingszitting en het vonnis in eerste aanleg volgt niet noodzakelijk dat de redelijke termijn is overschreden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de redenen die het arrest bevat, blijkt dat de appelrechters de redelijke termijn-vereiste beoordelen op basis van de voormelde criteria en dit aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak. Zij kunnen op basis van hun vast-stellingen dan ook oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden en ver-antwoorden aldus hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 januari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman A. Lievens F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190129.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.016 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081216.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150609.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div