← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1 Rolnummer: P.17.0756.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 1022 - laatst gezien 2026-06-29 12:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening maakt deel uit van het algemeen belang en de Staat mag ter verwezenlijking van dit algemeen belang overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM het recht op eigendom beperken en mag dan ook betreffende de te vorderen herstelmaatregelen een beleids- en appreciatieruimte toevertrouwen aan de met de handhaving belaste organen van het bestuur

(1).
(1)Cass. 25 januari 2011, AR P.10.0369.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.4, AC 2011, nr. 69. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Vrijwaring van de ruimtelijke ordening - Beperking van het recht op eigendom - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste aanvullend protocol - Artikel 1 - Bescherming van de eigendom - Stedenbouw - Herstelmaatregelen - Vrijwaring van de ruimtelijke ordening - Beperking van het recht op eigendom - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 4 Uit de bepalingen van de artikelen 6.1.41, § 1, eerste lid, 6.1.7 en 6.1.6, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening volgt dat de overheden die op grond van het decreet bevoegd zijn om een herstelvordering te formuleren dit moeten doen volgens de door de decreetgever bepaalde criteria en in de regel op een positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid en dus niet naar eigen inzicht de meest passende herstelvordering kunnen kiezen.; de aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid toevertrouwde adviesbevoegdheid laat de beoordelingsbevoegdheid van de rechter over de herstelvordering volledig vrij en de rechter vermag een op grond van artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening verleend advies met betrekking tot het inleiden van een herstelvordering bij toepassing van artikel 159 Grondwet op zijn wettigheid te toetsen en ingeval van onwettigheid dit advies buiten toepassing laten
(1).
(1)Cass. 7 juni 2016, AR P.15.0253.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.2, AC 2016, nr. 378; Cass. 2 juni 2015, AR P.14.1532.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.4, AC 2015, nr. 361. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Artikelen 6.1.41, § 1, eerste lid, 6.1.7 en 6.1.6, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Adviesbevoegdheid - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 159 Vrije woorden: Wettigheidstoetsing door de rechter - Artikelen 6.1.41, § 1, eerste lid, 6.1.7 en 6.1.6, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Adviesbevoegdheid - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 7 Uit de in artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, vastgelegde prioriteitenorde en de daarbij gehanteerde uitzonderingen volgt dat nog meer dan de aard van de overtreding, de aantasting van de goede plaatselijke ordening bepalend is voor de keuze van de herstelmaatregel, zowel in het door artikel 6.1.41, § 1, 1°, als in het door artikel 6.1.41, § 1, 2°, bedoelde geval en het bevelen van een herstelmaatregel vereist dat de plaatselijke ruimtelijke ordening door het misdrijf is geschaad en de maatregel ertoe strekt de plaatselijke ordening te herstellen; krachtens artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet moet de rechter nagaan of de beslissing van de herstelvorderende overheid om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op een goede ruimtelijke ordening is genomen en moet hij een vordering die is gestoeld op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, buiten gevolg laten
(1).
(1)Cass. 16 januari 2018, AR P.17.0437.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.4, AC 2018, nr. 31; Cass. 15 juni 2004, AR P.04.1345.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33, AC 2004, nr. 323. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Keuze van de herstelmaatregel - Bepalend criterium - Aantasting van de goede plaatselijke ordening - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste aanvullend protocol - Artikel 1 - Bescherming van de eigendom - Stedenbouw - Artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Keuze van de herstelmaatregel - Bepalend criterium - Aantasting van de goede plaatselijke ordening - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 159 Vrije woorden: Wettigheidstoetsing door de rechter - Artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Keuze van de herstelmaatregel - Bepalend criterium - Aantasting van de goede plaatselijke ordening - Draagwijdte - Gevolg Fiche 8 Wanneer de wettigheid van de herstelvordering wordt aangevochten, moet de rechter in het bijzonder nagaan of die vordering niet kennelijk onredelijk is, meer bepaald of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel tot behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.; het gevorderde herstel moet evenredig zijn aan de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt
(1).
(1)Cass. 10 februari 2009, AR P.08.1163.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.20, AC 2009, nr. 108; Cass. 4 februari 2003, AR P.01.1462.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.2, AC 2003, nr. 80. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering - Aanvechting van de wettigheid van de herstelvordering - Taak van de rechter - Draagwijdte - Gevolg Fiches 9 - 10 De omstandigheid dat artikel 6 EVRM zelf niet van toepassing is op de herstelvorderende overheden en op de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid zelf, heeft niet tot gevolg dat de herstelplichtige voor de strafrechter zijn feitelijke en juridische verweermiddelen betreffende het gevorderde herstel niet kan laten gelden; uit artikel 6 EVRM en de kwalificatie van de herstelmaatregel als straf volgt niet dat de strafrechter een verdergaande toetsingsbevoegdheid zou moeten hebben op het vlak van het gevorderde herstel dan het behoud van een goede ruimtelijke ordening
(1).
(1)Cass. 23 januari 2013, AR P.12.1424.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.8, AC 2013, nr.56. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Stedenbouw - Herstelvordering - Toepassing van artikel 6 EVRM op de herstelvorderende overheden en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering - Artikel 6 EVRM - Artikel 6.1 - Recht op een eerlijk proces - Toepassing van artikel 6 EVRM op de herstelvorderende overheden en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Fiches 11 - 13 Het op een verschillende wijze regelen van de wijze waarop de herstelplichtige en de herstelvorderende overheid participeren in de procedure voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, zijnde een orgaan van het actief bestuur belast met een opdracht van administratief toezicht op de herstelvorderende overheden, is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel; uit het verschil in belang dat die partijen behartigen, de eerste enkel zijn persoonlijk belang, de tweede het algemeen belang volgens de door de decreetgever bepaalde criteria, volgt dat zij zich in een verschillende rechtstoestand bevinden en dat een verschil in behandeling verantwoord is. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering - Procedure voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Schending van het gelijkheidsbeginsel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Stedenbouw - Herstelvordering - Procedure voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Schending van het gelijkheidsbeginsel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Stedenbouw - Herstelvordering - Procedure voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Schending van het gelijkheidsbeginsel - Draagwijdte - Gevolg Fiche 14 Artikel 4.3.1, § 2, 3°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, belet niet dat bij de beoordeling van de plaatselijke ordening de rechter rekening houdt met de voorschriften van een stedenbouwkundige verordening. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Artikel 4.3.1, § 2, 3°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Beoordeling van de plaatselijke ordening - Voorschriften van een stedenbouwkundige verordening - Draagwijdte - Gevolg Fiches 15 - 16 De herstelvordering moet in beginsel geënt zijn op feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging en ze beoogt het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe; de rechter moet bij de beoordeling van de wettigheid van de herstelvordering dan ook wel degelijk rekening houden met de wijzigingen die zich sinds de bewezen verklaarde feiten hebben voorgedaan en dit zowel wat betreft de plaatselijke feitelijke toestand, de verleende stedenbouwkundige vergunningen als het planologische kader en hij dient het planologisch kader met inbegrip van de toepasselijke stedenbouwkundige verordeningen in aanmerking te nemen zoals die gelden op het ogenblik van zijn uitspraak
(1).
(1)Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0593.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.2, AC 2018, nr. 125; Cass. 12 december 2017, AR P.16.1104.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.1, AC 2017, nr. 705; Cass. 18 april 2017, AR P.16.0688.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.9, AC 2017, nr. 260; Cass. 09 september 2014, AR P.12.0896.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.1, AC 2014, nr. 500; Cass. 12 juni 2012, AR P.11.2025; AC 2012, nr. 378; Cass. 22 mei 2012, AR P.11.2058.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.10, AC 2012, nr. 325. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering - Beoordeling van de wettigheid van de herstelvordering - Wijzigingen sedert de bewezen verklaarde feiten - In acht te nemen elementen - Feitelijke toestand, verleende stedenbouwkundige vergunningen en planologisch kader - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Herstelvordering - Beoordeling van de wettigheid van de herstelvordering - Wijzigingen sedert de bewezen verklaarde feiten - In acht te nemen elementen - Feitelijke toestand, verleende stedenbouwkundige vergunningen en planologisch kader - Draagwijdte - Gevolg Fiches 17 - 18 Artikel 6.1.41, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, schrijft voor dat de rechter een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel bepaalt; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de rechter onaantastbaar beslist over de termijn voor het vrijwillig herstel in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak
(1).
(1)Cass. 16 januari 2018, AR P.17.0437.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.4, AC 2018, nr. 31. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Artikel 6.1.41, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel - Onaantastbare beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Stedenbouw - Artikel 6.1.41, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Herstelvordering - Termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.17.0756.N M E A T, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kurt Stas, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestepoort 6/93, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 12 juni 2017. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het door de eiser onder de randnummers 10 tot en met 12 van zijn appelconclusie ontwikkelde verweer over het karakter van de herstelmaatregel als straf. 2. In zijn appelconclusie ontwikkelt de eiser onder de randnummers 10 tot en met 12 een aantal overwegingen betreffende het karakter van de herstelmaatregel als straf. Hij heeft in die randnummers daaruit evenwel geen rechtsgevolgen ge-trokken voor de door de appelrechters te nemen beslissing over de herstelvorde-ring. Bijgevolg dienden de appelrechters het in die randnummers ontwikkelde verweer niet te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: voor zover wordt aangenomen dat het arrest het met het eerste onderdeel bedoelde verweer heeft beantwoord, voldoet het arrest niet aan de motiveringsverplichting omdat het niet de redenen vermeldt waarom het oordeelt dat de herstelmaatregel niet als een straf is te beschouwen. 4. Dit in ondergeschikte orde geformuleerde onderdeel is afgeleid uit het ver-geefs met het eerste onderdeel aangevoerde motiveringsgebrek en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het arrest antwoordt enerzijds dat eisers verweer niet kan worden aangenomen, waaruit volgt dat het oordeelt dat de herstelmaatregel niet als een straf kan worden beschouwd; het beantwoordt anderzijds eisers mid-delen die zijn geënt op de kwalificatie van de herstelmaatregel als straf; ofwel oordeelt het arrest dat een herstelmaatregel een straf is en beantwoordt het de middelen die daarop geënt zijn; ofwel verwerpt het arrest eisers middelen omdat zijn uitgangspunt foutief is. 6. Het arrest oordeelt niet dat een herstelmaatregel geen straf is. Het beant-woordt bovendien eisers verweer dat is gesteund op de kwalificatie van de her-stelmaatregel. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 149 Grondwet: het arrest ver-werpt de kwalificatie van de herstelmaatregel als straf, wat strijdig is met het oordeel van het Hof dat de herstelmaatregel wel een straf is in de zin van artikel 6 EVRM; in zoverre het arrest niet bepaalt welke kwalificatie aan de herstel-maatregel moet worden gegeven, belet het het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. 8. Het arrest oordeelt niet dat een herstelmaatregel geen straf is. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 9. De omstandigheid dat het arrest niet uitdrukkelijk aangeeft of een herstel-maatregel als een straf moet worden gekwalificeerd, maar zich beperkt tot het beantwoorden van de gevolgtrekkingen die de eiser maakt uit de door hem voor-gestane kwalificatie van de herstelmaatregel in andere dan de randnummers 10 tot en met 12 van zijn conclusie, belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt ten onrechte dat het rechterlijk toezicht op de herstelmaatregel in overeen-stemming is met artikel 6 EVRM; de eiser heeft in zijn appelconclusie aange-voerd dat de voorafgaande administratieve fase niet in overeenstemming is met de eisen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en dat dit moet lei-den tot een toetsingsbevoegdheid van de rechter met volle rechtsmacht; het ar-rest neemt ten onrechte aan dat de vereisten van een eerlijke behandeling van de zaak niet van toepassing zijn op de administratieve fase; het Europees Hof aan-vaardt enkel een wettigheidstoezicht door de rechter indien er tijdens de admini-stratieve procedure sprake is van een eerlijke behandeling van de zaak, wat in Vlaanderen niet het geval is; volgens het Europees Hof moet indien de overheid die de straf oplegt zelf geen onafhankelijke en onpartijdige rechter is, het orgaan van de rechterlijke macht dat daarover oordeelt, dit doen met een volheid van rechtsmacht en de beslissing zowel in rechte als in feite kunnen hervormen; de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur is geen onafhankelijke en onpartijdige rechter; ook de procedure voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, aan wie de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zijn herstelvordering moet voorleggen, is niet in overeenstemming met de vereisten voor een eerlijke be-handeling van de zaak in de zin van artikel 6 EVRM. 11. De vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening maakt deel uit van het algemeen belang. De Staat mag ter verwezenlijking van dit algemeen belang overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM het recht op eigen-dom beperken en mag dan ook betreffende de te vorderen herstelmaatregelen een beleids- en appreciatieruimte toevertrouwen aan de met de handhaving belaste organen van het bestuur. 12. Artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier toepasselijk, bepaalt: "Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toe-stand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpas-singswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt, onverminderd artikel 6.1.7 en 6.1.18, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het col-lege van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelin-gen of wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.1, werden uitgevoerd. De herstelvorde-ring wordt ingesteld met inachtneming van volgende regelen: 1° voor de misdrijven die bestaan, of ondermeer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundi-ge voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken, wordt gevorderd:
  1. a)hetzij de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik,
  2. b)hetzij, zo dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;
  3. c)hetzij, indien het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, het betalen van een geldsom gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen; 2° voor andere misdrijven dan deze, vermeld in 1°, wordt de betaling van de meerwaarde gevorderd, tenzij de overheid die de herstelvordering instelt, aan-toont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval één van de maatregelen, vermeld in 1°, wordt gevorderd." 13. Volgens artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier toepasselijk, kunnen de herstelvorderende overheden de herstelvordering slechts inleiden voor de rechter, wanneer de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend. 14. Volgens artikel 6.1.6, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning, zoals hier toepasselijk, is de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid een orgaan van het actief bestuur. De adviezen van deze Hoge Raad zijn volgens ar-tikel 6.1.6, § 2, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier toe-passelijk, te allen tijde gesteund op motieven die zijn ontleend aan het recht, met inbegrip van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals deze specifiek binnen de ruimtelijke ordening gelden en aan de weerslag van inbreuken op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening. Deze adviesbevoegdheid wordt door de decreetgever gezien als een vorm van administratief toezicht op het handhavingsbeleid. 15. Uit deze bepalingen volgt dat de overheden die op grond van het decreet bevoegd zijn om een herstelvordering te formuleren dit moeten doen volgens de door de decreetgever bepaalde criteria en in de regel op een positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid en dus niet naar eigen inzicht de meest passende herstelvordering kunnen kiezen. 16. De aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid toevertrouwde advies-bevoegdheid laat de beoordelingsbevoegdheid van de rechter over de herstelvor-dering volledig vrij. De rechter vermag een op grond van het hier toepasselijk ar-tikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening verleend advies met betrekking tot het inleiden van een herstelvordering bij toepassing van artikel 159 Grondwet op zijn wettigheid te toetsen en ingeval van onwettigheid dit advies buiten toe-passing laten. 17. Uit de in artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning, zoals hier toepasselijk, vastgelegde prioriteitenorde en de daarbij gehan-teerde uitzonderingen volgt dat nog meer dan de aard van de overtreding, de aan-tasting van de goede plaatselijke ordening bepalend is voor de keuze van de her-stelmaatregel, zowel in het door artikel 6.1.41, § 1, 1°, als in het door artikel 6.1.41, § 1, 2°, bedoelde geval. Het bevelen van een herstelmaatregel vereist dat de plaatselijke ruimtelijke ordening door het misdrijf is geschaad en de maatre-gel ertoe strekt de plaatselijke ordening te herstellen. 18. Krachtens artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet moet de rechter nagaan of de beslissing van de herstelvorderende overheid om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op een goede ruimtelijke ordening is genomen. De rechter moet een vordering die is gestoeld op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, buiten gevolg laten. 19. Wanneer de wettigheid van de herstelvordering wordt aangevochten, moet de rechter in het bijzonder nagaan of die vordering niet kennelijk onredelijk is, meer bepaald of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel tot behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voor de over-treder voortvloeit. Het gevorderde herstel moet evenredig zijn aan de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en de maatregel moet rede-lijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt. 20. De omstandigheid dat artikel 6 EVRM zelf niet van toepassing is op de herstelvorderende overheden en op de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid zelf, heeft niet tot gevolg dat de herstelplichtige voor de strafrechter zijn feite-lijke en juridische verweermiddelen betreffende het gevorderde herstel niet kan laten gelden. Uit artikel 6 EVRM en de kwalificatie van de herstelmaatregel als straf volgt niet dat de strafrechter een verdergaande toetsingsbevoegdheid zou moeten hebben op het vlak van het gevorderde herstel dan zoals hierboven uit-eengezet. 21. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 22. Met de redenen die het arrest (p. 4-8) bevat, verantwoordt het naar recht de beslissing dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de appelrechters de beslissing op de herstelvordering met volle rechtsmacht moeten kunnen beoordelen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest schendt deze bepaling in zoverre het oordeelt dat tijdens de administratieve procedure voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid artikel 6 EVRM geen toepassing vindt en de rechter de herstelmaatregel niet met volle rechtsmacht moet toetsen. 24. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 10, 11 en 159 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2010 houdende de vaststelling van het procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel; de artikelen 7 en 10, § 3, van dit be-sluit hadden buiten toepassing moeten worden gelaten omdat ze een verschil in behandeling instellen tussen het handhavend bestuur en de eiser als belangheb-bende in de procedure voor die Raad en dit op het vlak van het indienen van stukken en het gehoord worden; derhalve is ook artikel 6 EVRM geschonden. 26. Het op een verschillende wijze regelen van de wijze waarop de herstelp-lichtige en de herstelvorderende overheid participeren in de procedure voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, zijnde een orgaan van het actief bestuur belast met een opdracht van administratief toezicht op de herstelvorderende overheden, is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Uit het verschil in belang dat die partijen behartigen, de eerste enkel zijn persoonlijk belang, de tweede het algemeen belang volgens de door de decreetgever bepaalde criteria, volgt dat zij zich in een verschillende rechtstoestand bevinden en dat een verschil in behande-ling verantwoord is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 27. Het arrest oordeelt dat het beginsel van de wapengelijkheid niet van toe-passing is voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid en dat de voor die Hoge Raad geldende procedure niet kan leiden tot een miskenning van het recht van verdediging van de eiser gelet op het verloop van de procedure in de fase van het vonnisgerecht. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel is die be-slissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 6.1.31 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel; aangezien de herstelvorde-rende overheden aanwezig kunnen zijn op de vergaderingen van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid waarop die een advies formuleert over de ingedien-de herstelvordering, is het gelijkheidsbeginsel miskend; er bestaat voor dat on-derscheid geen verantwoording; het arrest weigert ten onrechte een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Aan het Grondwettelijk Hof moet door het Hof de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: "Schendt artikel 6.1.31 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, doordat dit artikel voorziet dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en een ver-tegenwoordiger van het college van burgemeester en schepenen mondeling op de zitting van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid toelichting mogen geven over de vordering en stemadvies mogen brengen, terwijl die mogelijkheid niet geboden wordt aan de belanghebbenden, die enkel voorafgaand schriftelijk kun-nen worden gehoord?" 29. Het onderdeel verduidelijkt niet concreet hoe en waarom het arrest artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof schendt. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 30. Uit het antwoord op het derde onderdeel volgt dat de rechtstoestand van een herstelplichtige en die van de herstelvorderende overheid niet te vergelijken vallen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 31. Er is dan ook geen grond om het Grondwettelijk Hof te bevragen zoals voorgesteld. Derde middel Eerste onderdeel 32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet en artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest laat na de herstel-vordering buiten toepassing te verklaren; het hanteert het begrip goede ruimte-lijke ordening, wat een abstract ideaal is dat het bestuur voor ogen houdt, in plaats van het begrip plaatselijke ordening, dat is vermeld in artikel 6.1.41, § 1, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en betrekking heeft op de concrete or-dening in de omgeving van de uitgevoerde handelingen; het gaat om twee onder-scheiden begrippen. 33. Hoewel het arrest (p. 10, nr. 10) oordeelt dat de herstelvordering uitslui-tend is genomen met het oog op de goede ruimtelijke ordening, blijkt uit de voorafgaande redenen (p. 7-10, nr. 7-9) dat de appelrechters niet hebben getoetst aan een abstract ideaal, maar wel degelijk aan de plaatselijke ordening en dit op concrete wijze. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet: voor zover plaatselijke ordening en goede ruimtelijke ordening synoniemen zouden zijn, oordeelt het arrest ten onrechte dat stedenbouwkundige verordeningen worden geacht de plaatselijke ordening weer te geven; uit artikel 4.3.1, § 2, 3°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de ontstaansgeschiedenis ervan volgt dat een strijdigheid met een stedenbouwkundige verordening niet noodzakelijk een strij-digheid met een goede ruimtelijke ordening oplevert; het arrest kan dan ook niet oordelen dat een inbreuk op een stedenbouwkundige verordening die gedetail-leerde voorschriften bevat, leidt tot een strijdige plaatselijke ordening. 35. Het arrest (p. 9-10, nr. 9) oordeelt niet dat een strijdigheid met een steden-bouwkundige verordening noodzakelijk een strijdigheid met een goede ruimte-lijke ordening of de plaatselijke ordening impliceert. Het stelt wel vast dat de verweerder in de herstelvordering niet aanvoert dat de strijdigheid met eender welke gemeentelijke stedenbouwkundige verordening steeds een toestand ople-vert die strijdig is met de plaatselijke ordening en dat volgens de verweerder de gedetailleerde voorschriften in deze zaak bepalend zijn voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en dat zij geen ruimte laten voor een verdere be-oordeling. Het arrest treedt die zienswijze bij. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 36. Artikel 4.3.1, § 2, 3°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier toepasselijk, belet niet dat bij de beoordeling van de plaatselijke ordening de rechter rekening houdt met de voorschriften van een stedenbouwkundige veror-dening. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 37. Het arrest dat bij de beoordeling van het geschaad zijn van de plaatselijke ordening rekening houdt met de gedetailleerde voorschriften van de steden-bouwkundige verordening, verantwoordt de beslissing over de herstelvordering naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 38. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2 Burgerlijk Wetboek en ar-tikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt ten on-rechte dat reglementaire bepalingen die dateren van na de tijdsperiode waarin het misdrijf werd gepleegd, mee in aanmerking moeten worden genomen bij de be-oordeling van de herstelvordering; het arrest kan dan ook niet oordelen dat een bouwverordening die op 12 augustus 2013 van kracht werd, moet worden betrok-ken bij de beoordeling van een herstelvordering die is geënt op feiten die dateren uit de periode van 18 januari 2007 tot 4 december 2009. 39. De herstelvordering moet in beginsel geënt zijn op feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging. Ze beoogt het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe. De rechter moet bij de beoordeling van de wet-tigheid van de herstelvordering dan ook wel degelijk rekening houden met de wijzigingen die zich sinds de bewezen verklaarde feiten hebben voorgedaan en dit zowel wat betreft de plaatselijke feitelijke toestand, de verleende steden-bouwkundige vergunningen als het planologische kader. Hij dient het planolo-gisch kader met inbegrip van de toepasselijke stedenbouwkundige verordeningen in aanmerking te nemen zoals die gelden op het ogenblik van zijn uitspraak. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde onderdeel 40. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest vult uit eigen beweging de motieven aan van de herstelvordering van de verweerder, wat niet is toegelaten; minstens hadden de appelrechters betreffende het betrek-ken van de nieuwe algemene bouwverordening bij de beoordeling van de herstel-vordering het debat moeten heropenen. 41. Geen enkele wettelijke bepaling belet de strafrechter die moet oordelen over de wettigheid van de herstelvordering en die vaststelt dat in een herstelvor-dering wordt verwezen naar een stedenbouwkundige verordening die na het in-dienen van de herstelvordering is vervangen door een nieuwe verordening, dit op te werpen en de partijen uit te nodigen daarover standpunt in te nemen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 42. Bij arrest van 23 juni 2015 hebben de appelrechters wat betreft de herstel-vordering het debat heropend om de partijen toe te laten stelling in te nemen over de weerslag van de nieuwe bouwverordening op de herstelvordering. De partijen hadden dus wel degelijk de gelegenheid om ter zake standpunt in te ne-men. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 43. In zijn voor de appelrechters ingediende conclusie heeft de verweerder de nieuwe stedenbouwkundige verordening betrokken bij motivering van de her-stelvordering. Het arrest heeft dus niet de motieven van de herstelvordering van de verweerder aangevuld, maar die wel betrokken bij de beoordeling van de wet-tigheid van de herstelvordering. In zoverre mist het onderdeel evenzeer feitelijke grondslag. Vierde middel 44. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het in ondergeschikte orde geformuleerde verweer betreffende de verwijdering van de aparte bellen, verbruikerstellers en brievenbussen en met name dat het pand hoe dan ook wettig bestemd is als handelspand, zodat afzon-derlijke verbruikerstellers en brievenbussen gerechtvaardigd zijn. 45. Het arrest (p. 4) stelt vast dat de herstelvordering strekt tot het herstel van het pand in de oorspronkelijke toestand door het terugbrengen ervan naar de oor-spronkelijke toestand, zijnde een eengezinswoning met handelsruimte inclusief het verwijderen van alle tekenen die wijzen op de niet-vergunde woonentiteiten, zoals aparte bellen, brievenbussen en verbruikstellers. Met het geheel van rede-nen die het arrest bevat betreffende de wettigheid en de pertinentie van die vor-dering, beantwoordt en verwerpt het arrest de door het middel bedoelde aanvoe-ring. Het middel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel 46. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het in ondergeschikte orde gevoerde verweer om de uitvoerings-termijn van de herstelmaatregel niet op zes maanden vast te stellen, maar wel op twaalf maanden aangezien het om studentenkamers gaat die doorgaans per aca-demiejaar worden verhuurd en de contracten doorgaans tijdens de laatste maan-den van het academiejaar worden gesloten. 47. Artikel 6.1.41, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier toe-passelijk, schrijft voor dat de rechter een termijn voor de uitvoering van de her-stelmaatregel bepaalt. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de rechter onaantastbaar beslist over de termijn voor het vrijwillig herstel in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak. 48. Met het oordeel dat een termijn van zes maanden voor de uitvoering van het herstel gepast voorkomt, rekening houdend met de aard van de uit te voeren werken, beantwoordt en verwerpt het arrest (p. 11) het door het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 49. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 5 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1 Gerelateerde publicatie(
  4. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.2 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.20 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.10 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120612.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.7 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.