id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.2 Rolnummer: P.18.0793.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 786 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche De herstelmogelijkheden van de nietigheden waarin het ingevolge artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, op 9 juni 2018 in werking getreden artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken voorziet, zijn overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk van toepassing en dus op alle rechtsplegingen waarover de rechter nog dient te beslissen; indien evenwel vóór 9 juni 2018 een nietigheid werd gedekt overeenkomstig het toen geldende artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, blijft die dekking verworven en moet de rechter die uitspraak doet vanaf 9 juni 2018 die dekking vaststellen
(1)Artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken, bepaalde dat de regels in verband met het taalgebruik in gerechtszaken voorgeschreven waren op straffe van nietigheid, ambtshalve op te werpen door de rechter, maar overeenkomstig artikel 40, tweede lid Taalwet Gerechtszaken, was deze nietigheid gedekt door elk op tegenspraak gewezen niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest. De wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde (Potpourri VI), op 9 juni 2018 in werking getreden, wijzigde evenwel dat artikel en schendingen van de Taalwet Gerechtszaken worden thans niet meer door een absolute maar door een relatieve nietigheid gesanctioneerd. De miskenning van de Taalwet Gerechtszaken zal nog enkel tot nietigheid van de proceshandeling kunnen leiden wanneer de nietigheidsexceptie in limine litis wordt opgeworpen (art. 864 Gerechtelijk Wetboek) en wanneer zij de belangen schaadt van de partij die ze opwerpt (art. 861 Gerechtelijk Wetboek). Het bestreden arrest van het hof van beroep te Brussel stelt vast dat er op 23 juni 2014 een op tegenspraak uitgesproken niet zuiver voorbereidend vonnis tussenkwam van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en dat derhalve op basis van artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken de nietigheid was gedekt. Het arrest van het hof van beroep te Brussel werd evenwel uitgesproken op 26 juni 2018, ogenblik waarop het nieuwe artikel 40 Taalwet Gerechtszaken in werking was en de dekkingsregeling niet meer bestond. Het Hof van Cassatie heeft steeds geoordeeld dat wetten die wijzigingen aanbrengen inzake nietigheidssancties procedurewetten betreffen die onmiddellijk van toepassing zijn: Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340 en Cass. 14 mei 2014, AR P.14.1086.F, AC 2014, nr. 345 (onmiddellijke toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering), Cass. 13 juni 2017, AR P.17.0450.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170613.3, AC 2017, nr. 382 (afschaffing nietigheidssanctie bij tapbeschikkingen). D. SCHEERS en P. THIRIAR verdedigen in een bijdrage onder de titel "Het gerechtelijk recht na Potpourri VI en de Waterzooiwet. Wat u moet weten voor u naar de rechtbank gaat", TBBR 2018/9, 461, nr. 11 evenwel het standpunt dat schendingen van de Taalwet Gerechtszaken begaan vóór 9 juni 2018 niet kunnen hersteld worden door toepassing te maken van het nieuwe artikel 861 Gerechtelijk Wetboek. In een voetnoot verwijzen zij evenwel naar het standpunt in de andere zin van S. VERHERSTRAETEN en U. CERULUS, "Nota bij de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde (Potpourri VI-wet), met bijzondere aandacht voor de inwerkingtreding en het overgangsrecht", in OrdeExpress nr. 12 van 14 juni 2018, www.advocaat.be, waarin zij stellen dat "overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek de geldigheid van de proceshandeling weliswaar wordt geregeld volgens de wet van kracht op het tijdstip van de handeling, maar dat voor de mogelijkheid tot rechterlijk herstel wordt aangeknoopt bij de wet van toepassing op het tijdstip van de uitspraak". Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de dekking, onder gelding van artikel 40 (oud), Taalwet Gerechtszaken, verworven was en bleef bestaan. AW Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - Vonnissen en arresten. Nietigheden - Strafzaken Vrije woorden: Artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken - Dekking van de nietigheid door een op tegenspraak gewezen niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest ingevolge artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken - Wijziging van artikel 40 Taalwet Gerechtszaken - Toepassing in de tijd - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0793.N B A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: de eiser heeft in zijn conclusie voor de appelrechters aangevoerd dat hij voor dezelfde feiten, met name huisjesmelkerij, reeds veroordeeld was doordat de fiscus de huuropbrengsten van de huisjesmelkerij heeft gekwalificeerd als niet-aangegeven beroepsinkomsten en hiervoor belastingverhogingen van 50 % tot 100 % heeft opgelegd; het arrest oordeelt ten onrechte dat het non bis in idem-beginsel geen toepassing vindt omdat de belastingverhogingen werden opgelegd wegens een inbreuk op de fiscale wetgeving terwijl de feiten waarvoor de eiser werd vervolgd inbreuken op het Strafwetboek betreffen; het arrest laat na te on-derzoeken of de inbreuken op de fiscale wetgeving niet substantieel dezelfde fei-ten zijn als de feiten die een inbreuk uitmaken op het Strafwetboek en meer be-paald of ze niet onlosmakelijk in tijd en ruimte ermee verbonden zijn.
- Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld en waarvan hij is vrijgesproken. Krachtens artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wordt niemand op-nieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.
- Uit deze bepalingen en dit algemene rechtsbeginsel volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon.
- Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. Niet de inbreuken of de kwalificatie van de feiten, maar de feiten zelf moeten identiek of substantieel dezelfde zijn.
- Met het geheel van redenen die het arrest (p. 8-9, nr. 4.7) bevat, gelezen in hun onderlinge samenhang, geven de appelrechters, zonder zich louter op de kwalificatie van de feiten te steunen, te kennen dat de feiten van het niet-aangeven van beroepsinkomsten waarvoor door de fiscus belastingverhogingen werden opgelegd niet identiek of substantieel dezelfde feiten zijn als de feiten van het misbruik maken van andermans kwetsbare toestand als bedoeld door de artikelen 433decies en 433undecies, eerste lid, 1°, Strafwetboek. Aldus verant-woorden ze naar recht de verwerping van het non bis in idem-verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 40, eerste lid, Taalwet Ge-rechtszaken en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt weliswaar dat alle taalnietigheden zijn gedekt door een niet voor-bereidend op tegenspraak gewezen vonnis, maar het laat na te onderzoeken of inbreuken werden gepleegd op de Taalwet Gerechtszaken en of daardoor het be-wijs nietig was en diende te worden geweerd.
- Artikel 40, eerste en tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, zoals in werking vóór de vervanging ervan met ingang van 9 juni 2018 door artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, bepaalt dat de regels van de Taalwet Gerechtszaken zijn voor-geschreven op straffe van nietigheid en deze nietigheid van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken, maar dat elk niet zuiver voorbereidend vonnis of ar-rest dat op tegenspraak is gewezen, de nietigheid dekt van het exploot en van de overige akten van rechtspleging die het vonnis of het arrest zijn voorafgegaan. Artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken, na de vervanging ervan door het voormelde artikel 5 van de wet van 25 mei 2018, bepaalt dat de regels van de Taalwet Gerechtszaken zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid, onvermin-derd de toepassing van de artikelen 794, 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek.
- De herstelmogelijkheden van de nietigheden waarin het op 9 juni 2018 in werking getreden artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken voorziet, zijn overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk van toepassing en dus op alle rechtsplegingen waarover de rechter nog dient te beslissen.
- Indien evenwel vóór 9 juni 2018 een nietigheid werd gedekt overeenkom-stig het toen geldende artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, blijft die dekking verworven en moet de rechter die uitspraak doet vanaf 9 juni 2018 die dekking vaststellen.
- Het arrest dat oordeelt dat de door de eiser opgeworpen taalnietigheden zijn gedekt op grond van artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken gelet op het niet voorbereidend op tegenspraak gewezen vonnis van de Franstalige recht-bank van eerste aanleg van Brussel van 23 juni 2014, verantwoordt die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De rechter die vaststelt dat een door een partij aangevoerde nietigheid op grond van de Taalwet Gerechtszaken is gedekt overeenkomstig artikel 40, twee-de lid, Taalwet Gerechtszaken, in zijn versie zoals in werking tot 9 juni 2018, moet niet onderzoeken of dit nietigheidsverweer terecht is aangevoerd. Het kan immers niet slagen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 5 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190227.5 ECLI:BE:CTLIE:2022:ARR.20220830.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170613.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190507.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div