← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.3 Rolnummer: P.18.0995.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 339 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Geen enkele verdragsrechtelijke of grondwettelijke bepaling verzet zich tegen het verlenen van een visitatiemachtiging ter opsporing van inbreuken inzake dierenwelzijn; uit de artikelen 6 en 8.2 EVRM en artikel 15 Grondwet volgt dat de visitatie van een woning onder meer toegestaan is wanneer een wet daarin voorziet ter voorkoming van strafbare feiten en voor de visitatie een gemotiveerde machtiging wordt verleend door een onafhankelijke rechter en aan die vereiste is voldaan indien de machtiging, die door haar aard een beperkt karakter heeft, vermeldt in het kader van welk onderzoek, voor welke woning en aan welke persoon of personen ze wordt verleend, evenals op een wijze die beknopt mag zijn de reden waarom ze noodzakelijk is. Thesaurus CAS: DIEREN Vrije woorden: Dierenwelzijnswet - Visitatie - Gemotiveerde machtiging verleend door een onafhankelijke rechter - Vereisten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Dierenwelzijnswet - Visitatie - Gemotiveerde machtiging verleend door een onafhankelijke rechter - Vereisten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Artikel 8.2 - Recht op eerbiediging van het privé-, familie en gezinsleven en woning - Dierenwelzijnswet - Visitatie - Gemotiveerde machtiging verleend door een onafhankelijke rechter - Vereisten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Vrije woorden: Onschendbaarheid van de woning - Dierenwelzijnswet - Visitatie - Gemotiveerde machtiging verleend door een onafhankelijke rechter - Vereisten - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 6 Uit de bepaling van artikel 94, § 1, Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen, volgt niet dat de overdracht van bevoegdheden afhankelijk werd gesteld van het aannemen van een eigen regeling door de Gemeenschappen en Gewesten; uit de bepaling volgt wel dat de gewestelijke overheden aan wie bevoegdheden zijn overgedragen deze uitoefenen volgens de bestaande regels, zolang deze niet worden gewijzigd of opgeheven door de parlementen of regeringen van de Gemeenschappen of Gewesten, zodat de Vlaamse Inspectie Dierenwelzijn bevoegd was om vaststellingen te doen en een visitatiemachtiging te vragen. Thesaurus CAS: DIEREN Vrije woorden: Dierenwelzijnswet - Visitatie - Visitatiemachtiging gevraagd door de Vlaamse Inspectie Dierenwelzijn - Vaststellingen gedaan door de Vlaamse Inspectie Dierenwelzijn - Artikel 94, § 1, Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen - Bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten - Afwezigheid van Vlaams Decreet betreffende het dierenwelzijn - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST Vrije woorden: Dieren - Dierenwelzijnswet - Visitatie - Visitatiemachtiging gevraagd door de Vlaamse Inspectie Dierenwelzijn - Vaststellingen gedaan door de Vlaamse Inspectie Dierenwelzijn - Artikel 94, § 1, Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen - Bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten - Afwezigheid van Vlaams Decreet betreffende het dierenwelzijn - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0995.N L A L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Abdel Belkhouribchia, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Voortuitzichtstraat 42/3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen NOODASIEL LOMMEL vzw, met zetel te 3920 Lommel, Maatheide 74H, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 12 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastleggingen C en G. In zoverre tegen die beslissingen gericht is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.
  3. Krachtens artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, moet de par-tij die cassatieberoep instelt, het cassatieberoep laten betekenen aan de partij te-gen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep aan de verweerster heeft laten betekenen. In zoverre ook gericht tegen de beslissingen over de tegen hem ingestelde bur-gerlijke rechtsvordering, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert onder meer schending aan van artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering.
  5. Het middel verduidelijkt in geen van zijn onderdelen hoe en waardoor het arrest deze bepalingen schendt. In zoverre is het middel in zijn beide onderdelen bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM:van de eiser kan verwacht worden dat hij zich zou laten bijstaan door een advocaat van zodra een huiszoeking zonder opgave van reden wordt uitgevoerd; het arrest gaat er ten on-rechte van uit dat de weergave in het proces-verbaal van 10 juni 2014 van een "gesprek met de verantwoordelijke" naar aanleiding van de huiszoeking geen verhoor is maar een gesprek; de eiser werd niet ingelicht van de feiten waarover hij zou worden gehoord, noch van zijn recht te zwijgen, noch van het recht op bijstand van een advocaat; hij werd evenmin geïnformeerd van zijn recht op bij-stand van een advocaat naar aanleiding van de processen-verbaal van 25 februari 2015 en 24 februari 2016; de eiser genoot geen eerlijk proces; het arrest moti-veert in strijd met dit principe.
  7. In zoverre het onderdeel het oordeel van het arrest bekritiseert dat de weer-gave in het proces-verbaal van 10 juni 2014 geen verhoor is maar een gesprek, verplicht het tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is, of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  8. Het arrest oordeelt dat het bij de beoordeling van de schuldvraag geen re-kening zal houden met het door de eiser niet ondertekende verhoor van 25 febru-ari
  9. In zoverre heeft de eiser geen belang bij dit onderdeel en is het evenzeer niet ontvankelijk.
  10. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op het proces-verbaal van 24 fe-bruari 2016 oordeelt het arrest onder meer dat de eiser op geen enkel moment van zijn vrijheid was beroofd, hij na de controle op 10 juni 2014 alleszins vol-doende op de hoogte was van het feit dat de controles gebeurden in het kader van het dierenwelzijn en hij nadien de mogelijkheid had om een raadsman te contac-teren. In zoverre het onderdeel nalaat deze redenen in zijn kritiek te betrekken, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan: het arrest stelt vast dat de eiser niet bijgestaan werd door een raadsman tijdens de controle van 10 juni 2014, hij na die controle voldoende op de hoogte was van de controles en dat hij nadien de mogelijkheid had om een advocaat te raadplegen; de motivering is dubbelzinnig en bijgevolg tegenstrijdig.
  12. Redenen zijn tegenstrijdig indien ze elkaar opheffen. Dat is niet het geval met de in het onderdeel vermelde redenen. In zoverre het onderdeel een tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert, mist het feitelijke grondslag.
  13. Het onderdeel laat na te verduidelijken in welke lezing de bestreden beslis-sing wettig en in welke andere lezing ze onwettig is. In zoverre het onderdeel een dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de arti-kelen 14 en 17 IVBPR en artikel 15 Grondwet: het arrest oordeelt dat de machti-ging tot visitatie van een woning wordt verleend door een politierechter om te vermijden dat telkens een gerechtelijk onderzoek zou moeten worden gevoerd; het oor¬deelt ook dat de aanwijzingen van inbreuken op de Dierenwelzijnswet blijken uit de brieven van de Inspectie Dierenwelzijn die in de machtiging wor-den vermeld en besluit dat de stukken die het openbaar ministerie aan het dossier heeft gevoegd, aantonen dat de verleende machtigingen tot visitatie wettig zijn zodat de inspectie eisers woning mocht betreden ook zonder zijn akkoord en de vaststellingen regelmatig zijn; nochtans voldoen de machtigingen tot visitatie niet aan de in artikel 8.2 EVRM toegelaten uitzonderingen; zo vermelden zij het bestaan van "voldoende vermoedens" en niet van ernstige aanwijzingen; zij ver-melden enkel "voorgelegde bescheiden" maar motiveren niet waarop de politie-rechter zich steunde en verzuimde opgave te doen van het bepaalde onderzoek waarvoor zij verleend werden; een visitatie beantwoordt niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte daar mensenrechten niet kunnen worden geschonden ten behoeve van dierenrechten; de machtiging die telkens voor een maand is ver-leend is disproportioneel; de Dierenwelzijnswet zelf biedt onvoldoende garanties om in overeenstemming te zijn met artikel 8 EVRM; de verleende machtigingen tot visitatie zijn ongrondwettig, onwettig en schenden de artikelen 6 en 8 EVRM; waar het arrest oordeelt dat de machtigingen en de uitgevoerde onderzoekshan-delingen regelmatig zijn, schendt het zelf de vermelde bepalingen.
  15. In zoverre het onderdeel gericht is tegen de machtigingen tot visitatie van 4 februari 2015, 22 juni 2015 en 11 februari 2016 of tegen de bepalingen van de Dierenwelzijnswet zelf, is het niet gericht tegen het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  16. Geen enkele verdragsrechtelijke of grondwettelijke bepaling verzet zich tegen het verlenen van een visitatiemachtiging ter opsporing van inbreuken inza-ke dierenwelzijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Uit de artikelen 6 en 8.2 EVRM en artikel 15 Grondwet volgt dat de visita-tie van een woning onder meer toegestaan is wanneer een wet daarin voorziet ter voorkoming van strafbare feiten en voor de visitatie een gemotiveerde machti-ging wordt verleend door een onafhankelijke rechter. Aan die vereiste is voldaan indien de machtiging, die door haar aard een beperkt karakter heeft, vermeldt in het kader van welk onderzoek, voor welke woning en aan welke persoon of per-sonen ze wordt verleend, evenals op een wijze die beknopt mag zijn de reden waarom ze noodzakelijk is.
  18. Het arrest (p. 19) oordeelt dat: - de machtigingen tot visitatie verwijzen naar de schriftelijke vragen daartoe van de inspecteur-dierenarts; - die vragen duidelijk verwijzen naar artikel 34 Dierenwelzijnswet; - zij het gevolg zijn van de inbreuken op die wet die bij een controle op 10 juni 2014 werden vastgesteld waarbij de eiser geen toestemming gaf om zijn wo-ning te betreden; - het onderzoek betrekking heeft op inbreuken van strafrechtelijke aard; - de stukken gevoegd bij de aanvraag tot machtiging waar de politierechter naar verwijst de ernstige aanwijzingen van inbreuken vermelden; - uit die stukken chronologisch de stand van het onderzoek blijkt en de blijven-de noodzaak om een machtiging te verkrijgen; - de verleende machtigingen telkens betrekking hebben op één controle uit te voeren binnen een bepaalde periode.
  19. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de vi-sitatiemachtigingen wettig zijn verleend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt op eisers verweer dat de machtiging tot visitatie wordt verleend door de politierechter om een gerechtelijk onderzoek te vermijden; deze motivering is geen antwoord op de pertinente vaststelling dat de nationale wetgeving niet in overeenstemming is met de gewaarborgde mensenrechten.
  21. Met de redenen die het arrest (p. 19-20) bevat, beantwoordt het wel dege-lijk het verweer van de eiser betreffende de visitatiemachtigingen, zonder dat het diende te antwoorden op argumenten die slechts tot staving van dit verweer wer-den aangevoerd, zonder een afzonderlijk verweer te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  22. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van stukken: het arrest oordeelt dat de beslissing van de politierechter dat er voldoende vermoe-dens bestaan van inbreuken op de Dierenwelzijnswet om een machtiging tot visi-tatie te verlenen voldoet aan de wettelijke verplichtingen, terwijl een huiszoe-king alleen kan worden bevolen als er voorafgaand ernstige aanwijzingen van een misdrijf voorhanden zijn; het oordeel van de appelrechters dat het woordge-bruik van de politierechter geen afbreuk doet aan het bestaan van dergelijke aanwijzingen miskent de bewijskracht van de machtiging tot visitatie.
  23. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van de machtigingen geen uitlegging, maar beoordeelt het de bewijswaarde ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 94, § 1, Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen (hierna: BWHI): het arrest oordeelt dat op het vlak van het dierenwelzijn de Gemeenschappen en Gewesten reeds bevoegd waren, terwijl er op dat ogenblik nog geen Vlaams decreet bestond dat deze materie re-gelde; het oordeelt ten onrechte dat de Vlaamse Inspectie Dierenwelzijn bevoegd was om vaststellingen te doen en een visitatiemachtiging te vragen, zodat er geen rekening mag worden gehouden met de door die dienst opgestelde stukken.
  25. Artikel 94, § 1, BWHI bepaalt: "Onverminderd het bepaalde in artikel 83, § 2 en 3, blijven de overheden die door de wetten en verordeningen met bevoegd-heden belast zijn die onder de Gemeenschappen en de Gewesten ressorteren, die bevoegdheden uitoefenen volgens de procedures door de bestaande regels be-paald, zolang hun Parlementen en hun Regeringen die regels niet hebben gewij-zigd of opgeheven".
  26. Uit die bepaling volgt niet dat de overdracht van bevoegdheden afhankelijk werd gesteld van het aannemen van een eigen regeling door de Gemeenschappen en Gewesten. Uit de bepaling volgt wel dat de gewestelijke overheden aan wie bevoegdheden zijn overgedragen deze uitoefenen volgens de bestaande regels, zolang deze niet worden gewijzigd of opgeheven door de parlementen of rege-ringen van de Gemeenschappen of Gewesten. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest miskent ei-sers recht op een eerlijk proces doordat: - ook na het tussenarrest niet blijkt op welke bescheiden de politierechter heeft gesteund voor het verlenen van de visitatiemachtigingen;de eiser op geen en-kel ogenblik de juiste informatie verkreeg op basis waarvan hij bij het onder-zoek werd betrokken; - de door de eiser gevraagde onderzoeksdaden niet werden uitgevoerd; - een CD-rom die hij aanbracht niet bij het dossier werd gevoegd; - de stukken die tijdens een onwettige huiszoeking werden in beslag genomen, niet werden geweerd; - de eiser de mogelijkheid werd ontzegd om zich met besluiten en aanvullende stukken te verdedigen over de stukken die na het tussenarrest van 2 mei 2018 aan het dossier werden gevoegd, hoewel zijn herhaalde vragen om die stukken te voegen onbeantwoord bleven en hij er pas op het allerlaatste ogenblik inza-ge van kreeg en hij niet de nodige tijd kreeg om zich over deze nieuwe stuk-ken te verweren.
  28. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, of opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rech-ter, is het niet ontvankelijk.
  29. Voor het overige bekritiseert het middel de vermelde beslissingen, maar betrekt het in die kritiek niet de redenen op grond waarvan het arrest tot die be-slissingen is gekomen. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Vijfde middel
  30. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 42, § 5, Dierenwelzijnswet: hoewel de Britse rechtspersoon Passion for dogs Ltd. de eigenaar is van de in beslag genomen honden en ver-antwoordelijk is voor de beweerde inbreuken heeft zij zich nooit kunnen verde-digen en wordt zij van haar eigendom beroofd; de eiser werd er nooit van inge-licht hoe hij als eigenaar van de in beslag genomen honden kan worden vervolgd en is niet de houder van de dieren; ten onrechte wordt de rechtspersoon buiten beschouwing gelaten en werden alle pijlen op de eiser gericht; ten onrechte wordt de burgerlijke rechtsvordering toegekend daar de kosten van de genomen maatregelen door de eigenaar moeten worden gedragen.
  31. In zoverre het middel gericht is tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering heeft het betrekking op een beslissing waartegen het cassatiebe-roep niet ontvankelijk is en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  32. Voor het overige is het middel gericht tegen het onderzoek en de vervol-ging door het openbaar ministerie en dus niet tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  33. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 163,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 5 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.