id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.4 Rolnummer: P.18.1010.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 765 - laatst gezien 2026-06-29 10:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche De schuldigverklaring aan een witwasmisdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 3° of 4°, Strafwetboek, vereist dat de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken bewezen is, maar het is niet vereist dat de rechter het precieze misdrijf kent waaruit die zaken voortkomen, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke regelmatige herkomst of oorsprong daarvan kan uitsluiten en aldus dient de rechter zich, voor de schuldigverklaring van een beklaagde aan een dergelijk witwasmisdrijf, in beginsel niet te beperken tot vermogensvoordelen die voortkomen uit welbepaalde misdrijven; wanneer echter de telastlegging het specifieke misdrijf opgeeft waaruit het witgewassen vermogensvoordeel voortkomt, heeft de rechter enkel te oordelen over het witwasmisdrijf in zoverre dit het vermogensvoordeel tot voorwerp heeft dat voortkomt uit het aldus opgegeven misdrijf
(1).
(1)Cass. 3 april 2012, AR P.10.2021.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.8, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Vermogensvoordelen - Artikel 505, eerste lid, 3° of 4° Strafwetboek - Vereiste voor schuldigverklaring - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1010.N G V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Anne-Sophie Anseeuw, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem), Raymonde de Larochelaan 19B, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 19 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastlegging A. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 182 Wetboek van Strafvorde-ring: de appelrechters oordelen in strijd met de akte van aanhangigmaking dat de witwasmisdrijven, voorwerp van de telastleggingen B.1 en B.2, ook betrekking kunnen hebben op vermogensvoordelen die voortkomen uit andere misdrijven dan de telastleggingen A en C; de appelrechters die de eiser vrijspreken voor de telastlegging A en te zijnen laste de verbeurdverklaring bevelen van 350.000 eu-ro, wat meer is dan het maximale vermogensvoordeel dat kan voortkomen uit de telastleggingen C, miskennen aldus hun saisine.
- De schuldigverklaring aan een witwasmisdrijf bepaald in artikel 505, eer-ste lid, 3° of 4°, Strafwetboek, vereist dat de wederrechtelijke herkomst of oor-sprong van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken bewezen is. Het is niet vereist dat de rechter het precieze misdrijf kent waaruit die zaken voortko-men, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke regelmatige herkomst of oorsprong daarvan kan uitsluiten. Aldus dient de rechter zich, voor de schuldigverklaring van een beklaagde aan een dergelijk witwasmisdrijf, in beginsel niet te beperken tot vermogensvoordelen die voortkomen uit welbe-paalde misdrijven. Wanneer echter de telastlegging het specifieke misdrijf opgeeft waaruit het wit-gewassen vermogensvoordeel voortkomt, heeft de rechter enkel te oordelen over het witwasmisdrijf in zoverre dit het vermogensvoordeel tot voorwerp heeft dat voortkomt uit het aldus opgegeven misdrijf.
- Het vermogensvoordeel voortkomend uit het misdrijf van belastingontdui-king bestaat in het bedrag van de belasting dat als gevolg van dat misdrijf niet is betaald. Dat bedrag kan het voorwerp van een witwasmisdrijf uitmaken.
- De eiser is, na herkwalificatie, vervolgd voor de hierna vermelde telast-leggingen in een periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2016: - A. Misbruik van vertrouwen voor een bedrag van 536.444,88 euro ten nadele van Vroman bvba; - B.
- Met overtreding van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, witwassen van het bedrag van 536.444,88 euro als illegaal vermogensvoordeel voort-komend uit de telastleggingen A en C; - B.
- Met overtreding van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, witwassen van het bedrag van 536.444,88 euro als illegaal vermogensvoordeel voortko-mend uit de telastleggingen A en C; - C.1 tot C.
- Ontduiking in de personenbelasting voor een totaal bedrag van 536.444,88 euro. Hieruit volgt dat de appelrechters enkel gelast waren met de witwasmisdrijven die de vermogensvoordelen voortkomend uit de telastleggingen A en C tot voor-werp hebben.
- Op grond van de redenen overgenomen van het beroepen vonnis en de con-clusies van het openbaar ministerie in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede met de eigen redenen die het bevat, bevestigt het arrest het beroepen vonnis dat: - de eiser vrijspreekt van de telastlegging A omdat niet vaststaat dat hij de gel-den heeft verduisterd van Vroman bvba; - de eiser schuldig verklaart aan de telastleggingen B en C en hem daarvoor veroordeelt tot één straf; - lastens de eiser de verbeurdverklaring beveelt van een bedrag van 350.000 eu-ro als vermogensvoordeel voortkomend uit de telastlegging B.
- Dit is het be-drag van 536.444,88 euro, verminderd om de eiser geen onredelijk zware straf op te leggen.
- Met de vermelde redenen oordeelt het arrest in het bijzonder dat: - hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de gestorte cashbedra-gen afkomstig zijn van Vroman bvba, het vaststaat dat de gelden onrechtma-tig werden onttrokken aan één of meerdere vennootschappen waarin de eiser rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft of had; - het feit dat het precieze misdrijf waaruit de gelden voortkomen niet met ze-kerheid kan worden gepreciseerd, niet belet dat op grond van feitelijke gege-vens de wettelijke herkomst van de bedragen uitgesloten is; - de eiser de herkomst van de gelden niet wil verklaren noch enig element voor-legt dat de legale herkomst ervan plausibel zou maken, hoewel hij de her-komst van die bedragen maar al te goed kent gelet op de omvang ervan; - gelet op de grote omvang, de veelheid van stortingen, de wijze waarop de gel-den zonder mededeling op een bankrekening werden geplaatst en het ontbre-ken van enige verklaring, vaststaat dat de gelden niet anders dan een illegale herkomst kunnen hebben, minstens elke legale herkomst kan worden uitgeslo-ten; - door de cashgelden op de persoonlijke bankrekening te plaatsen, de vermo-gensvoordelen wel degelijk werden omgezet van chartaal geld dat toebehoor-de aan de vennootschap naar giraal geld toebehorend aan privépersonen en dit met het bedrieglijk opzet bepaald in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, zodat de telastlegging B.1 bewezen voorkomt; - door het plaatsen van cashgelden op de privérekening van de eiser, C.G. en K.V. indiciën werden gecreëerd dat deze gelden tot het privévermogen van de titularissen behoren, waardoor wordt verheeld of verhuld dat deze gelden in werkelijkheid afkomstig zijn uit de handelsactiviteiten van de vennootschap-pen onder het beheer van de eiser, zodat de telastlegging B.2 bewezen voor-komt; - de witwasoperatie van de telastleggingen B.1 en B.2 betrekking heeft op de cashgelden die geplaatst werden op de privérekening van de eiser, C.G. en K.V. ten belope van een totaal bedrag van 536.444,88 euro, die het voorwerp uitmaken van het derde witwasmisdrijf in de zin van artikel 42, 1°, Strafwet-boek en verplicht dienen te worden verbeurdverklaard; - de oorsprong van de gelden ligt in de uitoefening van de beroepswerkzaamhe-den van de eiser, zodat deze inkomsten belastbaar zijn in de personenbelas-ting; - de fiscale wetgeving geen onderscheid maakt tussen geoorloofde en ongeoor-loofde verrichtingen, zodat zij in beide gevallen van toepassing is; - het verweer dat deze gelden slechts voor de helft in aanmerking kunnen wor-den genomen, rekening houdend met het maximum belastingtarief van 50%, niet kan worden gevolgd omdat de witwasoperatie betrekking heeft op het be-drag van 536.444,88 euro en het witwasmisdrijf een zelfstandig misdrijf is, vreemd aan enig belastingvoordeel, en integraal voor verbeurdverklaring in aanmerking komt.
- Uit die redenen blijkt het oordeel van de appelrechters dat de vermogens-voordelen, voorwerp van de telastleggingen B, niet voortkomen uit de misdrijven van ontduiking in de personenbelasting zoals bepaald onder de telastleggingen C, maar wel uit misdrijven van misbruik van vertrouwen ten nadele van vennoot-schappen onder het beheer van de eiser, met inbegrip van andere vennootschap-pen dan Vroman bvba. Aldus overschrijden de appelrechters hun saisine en is hun beslissing om de eiser schuldig te verklaren aan de telastleggingen B en hem daarvoor tot straf, bijdragen en kosten te veroordelen, niet naar recht verant-woord. Het middel is in zoverre gegrond. Tweede middel
- Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder ver-wijzing, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser schuldig verklaart aan de telastlegging B en hem veroordeelt tot straf, bijdragen en de kosten van de straf-vordering. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat deze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 339,79 euro. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 5 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div