id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.5 Rolnummer: P.18.1032.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 538 - laatst gezien 2026-06-29 13:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Artikel 37bis Wegverkeerswet beoogt uit veiligheidsoverwegingen voor alle verkeersdeelnemers te voorkomen dat personen onder invloed van een bepaald THC-gehalte een voertuig besturen en gelet op dit beschermingsoogmerk is het irrelevant of de aanwezigheid van THC in het lichaam het gevolg is van een toegestaan geneesmiddelengebruik dan wel van illegaal middelengebruik; door geen onderscheid te maken naargelang de aanwezigheid van THC in het organisme van de bestuurder het gevolg is van een toegelaten medisch middelengebruik, schendt artikel 37bis de artikelen 10 en 11 Grondwet niet. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Vrije woorden: Artikel 37bis - Stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden - THC - Illegaal middelengebruik - Toegelaten medisch middelengebruik - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Wegverkeerswet - Artikel 37 - Artikel 37bis - Stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden - THC - Illegaal middelengebruik - Toegelaten medisch middelengebruik - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Wegverkeerswet - Artikel 37 - Artikel 37bis - Stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden - THC - Illegaal middelengebruik - Toegelaten medisch middelengebruik - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1032.N D Z, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Robby Loos, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 26 juli
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt; zo-als aangevoerd in eisers beroepsconclusie miskent deze bepaling het gelijkheids-beginsel omdat het, zonder redelijke verantwoording, een bestuurder wiens orga-nisme de aanwezigheid vertoont van THC ten gevolge van een medisch voor-schrift op dezelfde wijze behandelt als een bestuurder onder invloed van THC die niet het gevolg is van een medisch voorschrift; beide situaties zijn immers wezenlijk verschillend.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat: - uit de analyse van dr. Wille van het NICC blijkt dat de aanwezigheid van THC in het bloed, ook wanneer dit het gevolg is van het gebruik van het medisch voorgeschreven medicijn Sativex, de stuurvaardigheid aantast met een aan-merkelijke verhoging van het verkeersrisico tot gevolg, zowel voor de be-stuurder zelf als voor de andere weggebruikers; - artikel 37bis Wegverkeerswet daarom uit veiligheidsoverwegingen voor alle verkeersdeelnemers beoogt te voorkomen dat personen onder invloed van een bepaald THC-gehalte een voertuig besturen; - gelet op dit beschermingsoogmerk, het irrelevant is of de aanwezigheid van THC in het lichaam het gevolg is van een toegestaan geneesmiddelengebruik dan wel van illegaal middelengebruik. Aldus oordelen de appelrechters naar recht dat artikel 37bis, § 1, 1°, Wegver-keerswet, door geen onderscheid te maken naargelang de aanwezigheid van THC in het organisme van de bestuurder het gevolg is van een toegelaten medisch middelengebruik, de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 3, vierde lid, Probatiewet: het be-streden vonnis verwerpt eisers verzoek tot het verlenen van de opschorting met een stereotiepe verwijzing naar de ernst van de feiten; het gebruik van een derge-lijke stereotiepe motivering zowel voor de keuze van de sanctie als voor de strafmaat, volstaat niet.
- Artikel 3, vierde lid, laatste zin, Probatiewet bepaalt dat de beslissing waarbij de opschorting wordt geweigerd met redenen moet omkleed zijn over-eenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt waarom de rechter een straf of maatregel uitspreekt, alsook de maat van die straf of maatregel rechtvaardigt, voor zover die straf of maatregel en de maat ervan aan de vrije beoordeling van de rechter zijn overgelaten. Uit die bepalingen volgt, eensdeels, dat de rechter die een gevraagde opschorting weigert, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, weze het dat die motivering beknopt mag zijn, en, anderdeels, dat de rechter door het opleggen van een straf en het met redenen omkleden van die straf overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bovendien de redenen opgeeft waarom niet kan worden ingegaan op de vraag tot opschorting. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Na te hebben vastgesteld dat de feiten te ernstig zijn om voor een opschor-ting in aanmerking te komen en niet is aangetoond dat een veroordeling eisers reclassering buiten proportie in het gedrang zou brengen, oordeelt het bestreden vonnis dat de opgelegde geldboete aangepast is aan de aard en de ernst van de feiten (telastlegging A en B), eisers persoonlijkheid en de specifieke achtergrond waartegen de feiten zich voordeden (telastlegging A) en dat het opgelegde verval wordt verantwoord door het door de eiser veroorzaakte verkeersrisico (telastleg-ging A). Met die redenen motiveert het bestreden vonnis overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de aan de eiser opgelegde straf en om-kleedt het regelmatig met redenen de afwijzing van eisers verzoek tot het verle-nen van de opschorting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 5 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div