← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.6 Rolnummer: P.18.1072.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 473 - laatst gezien 2026-06-29 11:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van de artikelen 60 en 100 Strafwetboek volgt dat de rechter, indien hij voor meerdere wanbedrijven onderscheiden straffen oplegt, hij in voorkomend geval de hoofd- en bijkomende straffen moet herleiden tot het dubbele van het maximum dat is bepaald voor het wanbedrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, behoudens ingeval de wet anders bepaalt

(1).
(1)Cass. 30 oktober 2012, AR P.12.0797.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121030.11, AC 2012, nr. 577; Cass. 12 juni 2012, AR P.12.0573.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120612.8, AC 2012, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Meerdaadse Vrije woorden: Samenloop van verscheidene wanbedrijven - Artikelen 60 en 100 Strafwetboek - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1072.N F V, beklaagde, aangehouden om andere redenen, eiser, met als raadsman mr. Herwig Moons, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 25 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht en het recht van verdediging: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers in zijn grievenformu-lier geformuleerd verzoek om een straf onder het wettelijk minimum wegens een toestand van onvermogen.
  4. Met de redenen die het bestreden vonnis (p. 28, tweede alinea) bevat, be-antwoordt en verwerpt het wel degelijk eisers verzoek om een straf beneden het wettelijk minimum gelet op zijn toestand van onvermogen. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 60 en 100 Strafwetboek
  5. Artikel 60 Strafwetboek bepaalt dat bij samenloop van verscheidene wan-bedrijven alle straffen worden opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf mogen te boven gaan. Die bepaling is krach-tens artikel 100 Strafwetboek van toepassing op misdrijven strafbaar gesteld door bijzondere strafwetten, behoudens andersluidende bepalingen.
  6. Uit die bepaling volgt dat de rechter, indien hij voor meerdere wanbedrij-ven onderscheiden straffen oplegt, hij in voorkomend geval de hoofd- en bijko-mende straffen moet herleiden tot het dubbele van het maximum dat is bepaald voor het wanbedrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, behoudens ingeval de wet anders bepaalt.
  7. Het bestreden vonnis veroordeelt door bevestiging van het beroepen vonnis de eiser wegens de telastleggingen A tot en met Z en AA tot en met AP tot 42 keer een geldboete van 50 euro verhoogd met de opdeciemen en telkens tot een vervangende gevangenisstraf van 15 dagen. Het herleidt de vervangende gevan-genisstraffen tot 180 dagen.
  8. De feiten waaraan de eiser schuldig werd verklaard zijn, krachtens artikel 18 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende reglement van de politie op de spoorwegen en artikel 3 van de wet van 12 april 1835 rakende de tolrechten en de reglementen van politie nopens de ijzeren weg, strafbaar met de in artikel 1, eerste lid, van de wet van 6 maart 1818 betreffende de straffen uit te spreken tegen de overtreders van algemene verordeningen of te stellen bij pro-vinciale of plaatselijke reglementen, bepaalde straffen, namelijk met gevange-nisstraf van acht dagen tot veertien dagen en met geldboete van zesentwintig tot tweehonderd euro of met één van die straffen alleen.
  9. De appelrechters die de aan de eiser voor de voormelde telastleggingen op-gelegde geldboeten niet herleiden tot het dubbel van de in artikel 1, eerste lid, van de voormelde wet van 6 maart 1818 bepaalde maximumgeldboete van 200 euro of 400 euro, schenden de voormelde bepalingen van het Strafwetboek. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het totaal van de uitgesproken geld-boeten de 400 euro te boven gaat. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 146,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 5 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120612.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121030.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.