id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.8 Rolnummer: P.18.1312.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-06-28 06:05 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De verjaringstermijn van de strafvordering wegens overtredingen op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bedraagt in principe, ingevolge artikel 68 Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door artikel 25, 1°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, in werking getreden op 15 februari 2018, twee jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan; die verjaringstermijn van twee jaar is van toepassing op alle strafvorderingen wegens de bedoelde overtredingen die op 15 februari 2018 nog niet waren vervallen door verjaring
(1).
(1)C. De Roy, ? De wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: opnieuw een strengere aanpak van verkeersovertreders', RW 2018-2019, 136-137. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 68 Vrije woorden: Overtreding van de wet en de uitvoeringsbesluiten - Verjaring van de strafvordering - Wet die de termijn voor de verjaring van de strafvordering wijzigt - Draagwijdte - Gevolg Fiche 2 De verjaringstermijn van de strafvordering wegens overtredingen op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bedraagt in principe, ingevolge artikel 68 Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door artikel 25, 1°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, in werking getreden op 15 februari 2018, twee jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan; die verjaringstermijn van twee jaar is van toepassing op alle strafvorderingen wegens de bedoelde overtredingen die op 15 februari 2018 nog niet waren vervallen door verjaring
(1).
(1)C. De Roy, "De wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: opnieuw een strengere aanpak van verkeersovertreders", RW 2018-2019, 136-
- Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Wegverkeerswet - Artikel 68 - Wet die de termijn voor de verjaring van de strafvordering wijzigt - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1312.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AAN-LEG WEST-VLAANDEREN, afdeling Ieper, eiser, tegen A C, beklaagde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 15 november
- De eiser voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
- Krachtens artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt, be-houdens de uitzondering bedoeld in artikel 427, eerste lid, Wetboek van Straf-vordering de memorie van de eiser per aangetekende brief ter kennis gebracht van de partij waartegen het beroep gericht is. Het bewijs van verzending wordt ter griffie neergelegd binnen de in het eerste tot derde lid bedoelde termijnen om een memorie in te dienen. Deze vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid.
- Er werd geen bewijs van verzending van eisers memorie aan de verweer-ster ter griffie van het Hof ontvangen. De memorie is niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 68 Wegverkeerswet
- De verjaringstermijn van de strafvordering wegens overtredingen op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bedroeg, behoudens voor hier niet-toepasselijke overtredingen, ingevolge artikel 68 Wegverkeerswet, vóór de wijziging door artikel 25, 1°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, één jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is be-gaan. Door de vermelde wetswijziging, die ingevolge artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018 in werking is getreden op 15 februari 2018, werd die verjaringstermijn op twee jaar gebracht.
- De verjaringstermijn van twee jaar is van toepassing op alle strafvorderin-gen wegens de bedoelde overtredingen die op 15 februari 2018 nog niet waren vervallen door verjaring.
- De verweerster wordt vervolgd voor een overtreding van artikel 11.1 Weg-verkeersreglement en artikel 29, § 3, Wegverkeerswet die zou zijn gepleegd op 9 juli
- De verjaring van de strafvordering voor dit feit werd gestuit op 19 juni 2017 door de aanvraag door de procureur des Konings om een uittreksel uit het strafregister te verkrijgen. Daaruit volgt dat op 15 februari 2018 de strafvorde-ring nog niet vervallen was door verjaring en derhalve voor het aan de verweer-ster verweten feit een verjaringstermijn van twee jaar van toepassing was. De verjaring van de strafvordering werd binnen die termijn van twee jaar nuttig gestuit door de vordering van het openbaar ministerie op de rechtszitting van 5 maart 2018, zodat de verjaring van de strafvordering ten vroegste op 5 maart 2020 zou worden bereikt.
- Het bestreden vonnis dat oordeelt dat de strafvordering is vervallen door verjaring, schendt de vermelde bepaling. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwij-zing. Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 5 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div