← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: VERVOER - PERSONENVERVOER Vrije woorden: Luchtvaart - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - VERHOEVEN, Marek; Noot "Cassatie bevestigt: vliegtuigpassagiers verplichten tot procederen in buitenland is onwettelijk" - 2019, nr. 386, p. 4. Consumentenrecht [DCCR] - KEUKELEIRE, Artuur, KRUGER, Thalia; "Noot onder cassatie." - 2020, nr. 1, p. 47-68. Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0354.N HAPPY FLIGHTS bvba, met zetel te 9920 Lovendegem, Bredestraat Kouter 69, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RYANAIR DESIGNATED ACTIVITY COMPANY, vennootschap naar vreemd recht, met zetel te Dublin (Ierland), Dublin Airport, Airside Business Park, Swords-0, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de Neder-landstalige rechtbank van koophandel te Brussel van 30 mei 2018, met rolnum-mer A/16/04348. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 7 januari 2019 een schriftelijke conclu-sie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel Ontvankelijkheid 1. De verweerster werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid op: - het onderdeel heeft geen belang omdat de beslissing om het forumkeuzebe-ding krachtens artikel 25 van de Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoer-legging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna Brussel Ibis-Verordening) geldig te verklaren en de Ierse wet nr. 27/1995, die Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende de oneerlijke bedingen in consumen-tenovereenkomsten omzet in het Ierse recht, niet toe te passen, naar recht ver-antwoord blijft aangezien de eiseres noch door voornoemde richtlijn, noch door de Ierse wet wordt beschermd aangezien zij zelf geen consument is maar handelde in haar hoedanigheid van cessionaris van de schuldvorderingen van de consumenten; - het onderdeel heeft verder ook geen belang omdat de beslissing om het fo-rumkeuzebeding krachtens artikel 25 Brussel Ibis-Verordening geldig te ver-klaren en niet naar het Iers recht te verwijzen, naar recht verantwoord blijft aangezien de Ierse wet nr. 27/1995 die Richtlijn 93/13/EEG omzet in het Ierse recht, krachtens bijlage 1, e), ii), bij die wet hoe dan ook niet van toepassing is op een forumkeuzebeding dat in overeenstemming is met artikel 25 Brussel Ibis-Verordening. 2. Het bestreden vonnis bevat geen vaststellingen omtrent de hoedanigheid van de eiseres. Het Hof vermag deze hoedanigheid niet zelf in feite te beoordelen. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 3. Het onderzoek van de tweede grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf. Ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 4. Krachtens artikel 25, lid 1, Brussel Ibis-Verordening zijn, indien de partij-en, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat heb-ben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht of de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

  1. a)hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
  2. b)hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;
  3. c)hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een ge-woonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke over-eenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen. 5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de partijen in artikel 2.4 van de algemene voorwaarden bij de vervoerovereenkomst, waar-over niet afzonderlijk werd onderhandeld, de Ierse gerechten, dit zijn de gerech-ten van de lidstaat waar de verkoper gevestigd is, uitsluitend bevoegd hebben verklaard om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeen-komst. 6. De materiële geldigheid van dit beding inzake internationale rechtsmacht moet, krachtens voormeld artikel 25, lid 1, Brussel Ibis-Verordening, aldus wor-den beoordeeld overeenkomstig het Ierse recht, met inbegrip van de Ierse Wet nr. 27/1995, die Richtlijn 93/13/EEG heeft omgezet in het Ierse recht. 7. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, Ierse Wet nr. 27/1995 is de wet behoudens de bepalingen van bijlage 1 van toepassing op alle bedingen in een overeenkomst aangegaan tussen een verkoper van goederen of een dienstverrichter en een con-sument, die niet afzonderlijk werden onderhandeld. Krachtens artikel 3, lid 2, wordt in het kader van deze wet een beding in een overeenkomst als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met het vereiste van goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rech-ten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Krachtens voormeld artikel 3, lid 4, wordt een beding steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan kon hebben. Krachtens artikel 3, lid 7, en punt 1, sub q, van bijlage 2 kunnen bedingen als on-eerlijk worden aangemerkt, wanneer zij tot doel of tot gevolg hebben het indie-nen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren. Krachtens artikel 6 van de vernoemde wet bindt een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper of dienstverrichter en de consument deze laatste niet. 8. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat artikel 3, lid 3, Richt-lijn 93/13/EEG, waarvan artikel 3, lid 7, Ierse Wet nr. 27/1995 de omzetting vormt in het Ierse recht, aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper dat tevoren door de verko-per is opgesteld en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, en dat de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper bevoegd verklaart voor de beslech-ting van alle uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen, als oneerlijk kan worden aangemerkt (HvJ 27 juni 2000, Océano Grupo, C-240/98-C-244/98; HvJ 4 juni 2009, Pannon, C-243/08; HvJ 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C-137/08). 9. Het bestreden vonnis dat slechts de formele geldigheid van het voorliggen-de beding inzake internationale rechtsmacht heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 25 Brussel Ibis-Vordering, zonder na te gaan of dit beding, krachtens het op grond van de verwijzingsregel in deze bepaling toepasselijke recht, de rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzien-lijk verstoort, is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar de ondernemingsrechtbank te Leuven, rechtszitting hou-dend in laatste aanleg. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.5 Gerelateerde publicatie(
  4. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190208.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.