← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190219.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190219.2 Rolnummer: P.18.0388.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-02-27 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-28 06:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien een bevel tot dagvaarding de vermelding draagt "De procureur des Konings", gevolgd door een onleesbare handtekening, wordt die handtekening behoudens tegenbewijs vermoed te zijn geplaatst door een bevoegd ambtenaar van het openbaar ministerie; het enkele gegeven dat uit andere procedurestukken blijkt dat deze handtekening niet de handtekening is van de procureur des Konings zelf, volstaat niet om geloofwaardig te maken dat het bevel tot dagvaarding door een niet-bevoegd persoon is ondertekend. Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: Bevel tot dagvaarding door de procureur des Konings - Onleesbare handtekening - Gevolg Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Bevel tot dagvaarding door de procureur des Konings - Onleesbare handtekening - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0388.N I S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kurt Stas, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Neder-landstalige correctionele rechtbank Brussel van 8 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 33 en 149 Grondwet, alsook miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden en de algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast in strafzaken en het recht van verdediging: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat een bevel tot dag-vaarding met de vermelding "procureur des Konings", gevolgd door een onlees-bare handtekening, wordt vermoed te zijn geplaatst door een bevoegd ambtenaar van het openbaar ministerie; in zijn beroepsconclusie heeft de eiser aangevoerd dat wanneer de onleesbare handtekening onder deze vermelding niet de handte-kening van de procureur zelf blijkt te zijn, niet kan worden nagegaan of het bevel tot dagvaarding door een daartoe bevoegd persoon werd ondertekend; een bevel tot dagvaarding moet een leesbare handtekening bevatten die toelaat vast te stel-len dat het uitgaat van een welbepaald lid van het openbaar ministerie; het be-streden vonnis voert ten onrechte geen onderzoek naar de identiteit van de onder-tekenaar en verschuift de bewijslast naar de eiser; eisers bewering dat niet kan worden nagegaan of het bevel tot dagvaarding door een bevoegde persoon werd ondertekend, is evenwel niet ongeloofwaardig zodat het aan het openbaar minis-terie toekomt om de bevoegdheid van de ondertekenaar aan te tonen, minstens had de rechter deze bevoegdheid ambtshalve moeten nagaan.
  3. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis het rechtsbegrip feitelijk vermoeden miskent. In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  4. Indien een bevel tot dagvaarding de vermelding draagt "De procureur des Konings", gevolgd door een onleesbare handtekening, wordt die handtekening behoudens tegenbewijs vermoed te zijn geplaatst door een bevoegd ambtenaar van het openbaar ministerie. Het enkele gegeven dat uit andere procedurestukken blijkt dat deze handtekening niet de handtekening is van de procureur des Ko-nings zelf, volstaat niet om geloofwaardig te maken dat het bevel tot dagvaar-ding door een niet-bevoegd persoon is ondertekend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het bestreden vonnis oordeelt dat: - vermits de procureur des Konings, de substituten en de behoorlijk gemacht-igde gerechtelijk stagiairs van een parket nooit in persoonlijke naam optre-den, de naam en voornaam van diegene die het bevel tot dagvaarding heeft gegeven en ondertekend niet moet worden vermeld; - de onleesbaarheid van de handtekening op het bevel tot dagvaarding en het feit dat deze niet gelijkt op de handtekening geplaatst op andere procedure-stukken geen weerslag heeft op de wettigheid van de dagvaarding vermits alle magistraten van het openbaar ministerie bij een rechtscollege samen ondeel-baar het openbaar ministerie van dat rechtscollege vormen; - de onleesbare handtekening op een bevel tot dagvaarding onder de vermelding "procureur des Konings", behoudens tegenbewijs, wordt vermoed te zijn geplaatst door een bevoegd ambtenaar van het openbaar ministerie. Aldus onderzoeken de appelrechters wel degelijk de bevoegdheid van de onder-tekenaar van het bevel tot dagvaarding. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  6. Met deze redenen oordelen de appelrechters tevens naar recht en zonder miskenning van de regels inzake de bewijslast of het recht van verdediging dat het bevel tot dagvaarding werd ondertekend door een daartoe bevoegd ambtenaar van het openbaar ministerie zodat zij, net als de eerste rechter, rechtsgeldig wer-den gevat. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 40, eerste lid, Strafwetboek; - artikel 69bis Wegverkeerswet; - artikel 4 van de Wet van 21 juni 1985 betreffende de Technische Eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, hierna Wet Technische Eisen Voertuigen;
  7. Artikel 69bis Wegverkeerswet dat in afwijking van artikel 40 Strafwetboek een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig bepaalt als ver-vangende straf, geldt enkel voor inbreuken op de Wegverkeerswet.
  8. Het arrest veroordeelt de eiser voor de telastlegging C, zijnde een inbreuk op artikel 4 Wet Technische Eisen Voertuigen, tot een geldboete en tot een ver-vangend rijverbod van 15 dagen. Door de eiser voor dit feit te veroordelen tot een vervangend rijverbod in plaats van tot een vervangende gevangenisstraf schendt het bestreden vonnis de voormelde wetsbepalingen. Omvang van de cassatie
  9. De vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een vervangend rij-verbod voor het feit der telastlegging C laat de beslissing over de schuld en de geldboete onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser voor de telastlegging C veroordeelt tot een vervangend rijverbod. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechts-zitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 153,67 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 februari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190219.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.