← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.2 Rolnummer: F.17.0071.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-03-13 Raadplegingen: 684 - laatst gezien 2026-06-29 07:12 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190222.2 Fiche 1 Aangezien de hoofdelijke aansprakelijkheid volgens artikel 73sexies, eerste lid, Btw-wetboek de betaling van de ontdoken belasting tot voorwerp heeft, heeft de hoofdelijke schuld ook zelf de aard van een belasting en zijn de bepalingen in verband met het ontstaan, het verschuldigd zijn en het tenietgaan van een btw-schuld op die schuld van toepassing

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Strafrechtelijke veroordeling - Daders of medeplichtigen - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de ontdoken belasting - Hoofdelijke schuld - Aard Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 73sexies - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 De mogelijkheid om op autonome wijze en op eigen verantwoordelijkheid de invordering en de vervolging te organiseren en om in die optiek in betalingsfaciliteiten te voorzien, komt exclusief toe aan de rekenplichtige wiens beslissing ter zake zich opdringt aan de rechter
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Strafrechtelijke veroordeling - Daders of medeplichtigen - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de ontdoken belasting - Betalingsfaciliteiten - Rekenplichtige - Exclusieve bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Artt. 53 en 73sexies - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 De termijnen voor aangifte en betaling inzake belasting over de toegevoegde waarde raken de openbare orde; geen wettelijke bepaling verleent de rechter of de rekenplichtige ontvanger de bevoegdheid van deze termijnen af te wijken door bijkomende betalingstermijnen toe te staan voor vervallen btw-schulden; door in betalingsfaciliteiten te voorzien kan de rekenplichtige hoe dan ook geen afbreuk doen aan de wettelijke betalingstermijnen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Betalingstermijnen - Door de ontvanger toegestane betalingsfaciliteiten Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 53 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.17.0071.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige van het ontvangkantoor BTW Leuven, met kantoren te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 2, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen F.W. verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 oktober
  1. Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft op 17 december 2018 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 73sexies, eerste lid, Btw-wetboek zijn de personen die als daders of medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting. De hoofdelijkheid bepaald in deze wetsbepaling is een van rechtswege geldend burgerlijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling, die de strafrechter niet dient uit te spreken en waarover bij de invordering van de belasting die als ge-volg van deze veroordeling verschuldigd is geworden, betwisting kan worden gevoerd voor een rechter die zich daarover met volle rechtsmacht kan uitspre-ken. De rechtsgevolgen van de hoofdelijkheid waarin artikel 73sexies, eerste lid, Btw-wetboek voorziet, worden geregeld door de bepalingen van het Burgerlijk Wet-boek inzake hoofdelijkheid.
  3. Overeenkomstig artikel 1200 Burgerlijk Wetboek bestaat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken, en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt. Bij deze passieve hoofdelijkheid staan alle schuldenaars in voor hetzelfde voor-werp.
  4. Aangezien de hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 73sexies, eerste lid, Btw-wetboek de betaling van de ontdoken belasting tot voorwerp heeft, heeft de hoofdelijke schuld ook zelf de aard van een belasting. De bepalingen in verband met het ontstaan, het verschuldigd zijn en het teniet-gaan van een btw-schuld zijn op die schuld van toepassing. Bijgevolg zijn de termijnen voor aangifte en betaling inzake btw, zoals bepaald in artikel 53 Btw-wetboek, erop van toepassing.
  5. De termijnen voor aangifte en betaling inzake btw, zoals bepaald in artikel 53 Btw-wetboek, raken de openbare orde.
  6. Geen wettelijke bepaling verleent de rechter of de rekenplichtige ontvanger de bevoegdheid van deze termijnen af te wijken door bijkomende betalingster-mijnen toe te staan voor vervallen btw-schulden. Dit neemt niet weg dat de rekenplichtige de mogelijkheid heeft om op autonome wijze en op zijn verantwoordelijkheid de invordering en de vervolging te organi-seren en om in die optiek in betalingsfaciliteiten te voorzien. Door aldus in betalingsfaciliteiten te voorzien kan de rekenplichtige hoe dan ook geen afbreuk doen aan de wettelijke betalingstermijnen. De betalingsfaciliteiten betreffen een gedogen vanwege de rekenplichtige, waar-aan de belastingplichtige geen enkel recht ontleent. Voormelde mogelijkheid om op autonome wijze en op eigen verantwoordelijk-heid de invordering en de vervolging te organiseren en om in die optiek in beta-lingsfaciliteiten te voorzien, komt exclusief toe aan de rekenplichtige. De beslissing ter zake dringt zich op aan de rechter.
  7. De rechter die bij toepassing van artikel 1244, tweede lid, Burgerlijk Wet-boek betalingsfaciliteiten toekent aan degene die op grond van artikel 73sexies, eerste lid, Btw-wetboek hoofdelijk gehouden is tot betaling van de ontdoken btw-schuld, miskent de beoordelingsbevoegdheid van de rekenplichtige ontvan-gen en schendt artikel 53 Btw-wetboek.
  8. Het arrest oordeelt dat: - de hoofdelijke gehoudenheid tot de ontdoken belasting moet worden gekwali-ficeerd als een schadevergoeding ter compensatie van de door de eiser gele-den schade, en dat deze gehoudenheid niet het karakter heeft van een btw-schuld; - de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de bevoegdheid van de rechter om betalingstermijnen toe te kennen niet toepasselijk is; - aan de verweerder, bij toepassing van artikel 1244, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, afbetalingstermijnen kunnen worden toegekend, waarbij hij ge-machtigd wordt om het bedrag van de ontdoken belasting, zijnde 662.955,39 euro, meer de interest, af te betalen aan 100 euro per maand. Door aldus in plaats van de rekenplichtige een betalingsplan toe te staan aan de verweerder, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  9. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2019 uitgesproken door sec-tievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190222.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210312.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.