id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.2 Rolnummer: P.18.1040.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-02-27 Raadplegingen: 415 - laatst gezien 2026-06-28 06:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De artikelen 305 en 307 WIB92 zijn niet beperkt tot het opzettelijk verbergen van belastbare inkomsten ter gelegenheid van de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, maar kunnen slaan op alle gedragingen gericht op de ontduiking van die belasting. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Belastingaangifte Vrije woorden: Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)- Artikel 305 - Artikel 307 - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 305 en 307 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 2 - 3 De Belgische belastingplichtigen zijn ertoe gehouden, behoudens wettelijke uitzonderingen, hun roerende inkomsten zoals bepaald in de wet, op te nemen in hun jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, met inbegrip van de inkomsten die zij in het buitenland hebben behaald of verkregen; dat is niet anders wanneer de belastingplichtigen hun bedoelde inkomsten hebben behaald of verkregen op naam van buitenlandse juridische constructies of rechtspersonen die zij slechts hebben gebruikt om te verhullen dat zijzelf de werkelijke begunstigde van die inkomsten zijn. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Vrije woorden: Belgische belastingplichtigen - Opname in de jaarlijkse aangifte - Verplichting - Omvang - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 5, 17 tot 22, 305, eerste lid, en 307 tot 311 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Belastingaangifte Vrije woorden: Inkomsten uit roerende goederen - Belgische belastingplichtigen - Opname in de jaarlijkse aangifte - Verplichting - Omvang - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 5, 17 tot 22, 305, eerste lid, en 307 tot 311 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 4 - 6 De aan artikel 307, § 1, WIB92 aangebrachte wijzigingen bij de artikelen 35 en 36 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen en artikel 44 van de Programmawet van 10 augustus 2015, waarbij de verplichting werd opgelegd om in de personenbelasting het bestaan te vermelden van een juridische constructie waarvan de belastingplichtige de oprichter of de begunstigde is, voeren geen nieuwe aangifteverplichtingen of belastbare grondslagen in voor de Belgische belastingplichtigen, maar specificeren slechts de voor hen reeds bestaande verplichtingen om de belastbare roerende inkomsten die zij in het buitenland werkelijk hebben behaald of verkregen, op te nemen in hun jaarlijkse aangifte in de personenbelasting
(1).
(1)Art. 307, §1, WIB92 zoals gewijzigd bij de artikelen 35 en 36 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen en artikel 44 van de Programmawet van 10 augustus 2015. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Algemeen Vrije woorden: Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)- Artikel 307, § 1 - Wijzigingen aangebracht bij wet van 30 juli 2013 en door de Programmawet van 10 augustus 2015 - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 307, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)- Artikel 307, § 1 - Wijzigingen aangebracht bij wet van 30 juli 2013 en door de Programmawet van 10 augustus 2015 - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 307, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Belastingaangifte Vrije woorden: Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)- Artikel 307, § 1 - Wijzigingen aangebracht bij wet van 30 juli 2013 en door de Programmawet van 10 augustus 2015 - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 307, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Fiscale Actualiteit [Fisc. Act.] - DESTERBECK, Francis; Noot "Aangifte roerend inkomen en strafrechtelijke immuniteit bij regularisatie: Cassatie zet de puntjes op de ‘i’" - 2019, nr. 11, p. 7-
- Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1040.N J G C P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 19 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 13 februari 2019 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 305, 307, § 1, tweede lid en 449, eerste lid, WIB92: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen A, B en C; de eiser heeft in het kader van de regularisatie-procedure en tijdens het strafonderzoek erkend dat hij als natuurlijke persoon de genieter was van de dividenden en interesten voortkomend uit Cruise Foundati-on, New Rubeccan Ltd. en Flaxman Corporation (telastlegging A) en van de aan Cruise Foundation uitgekeerde voorschotten op de liquidatiebonus van Complete Holding sa in vereffening (telastlegging B), alsook dat die buitenlandse struc-turen sui generis transparant waren; op grond daarvan oordeelt het arrest dat de eiser deze inkomsten in zijn jaarlijkse belastingaangiften voor de inkomstenjaren 2006 tot 2012, aanslagjaren 2007 tot 2013, had moeten opnemen; de verplichting om in de personenbelasting het bestaan te vermelden van een juridische con-structie waarvan de belastingplichtige de oprichter of de begunstigde is, werd echter pas in artikel 307, § 1, WIB92 ingevoerd na de incriminatieperiode, name-lijk bij de artikelen 35 en 36 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepa-lingen en artikel 44 van de Programmawet van 10 augustus 2015; ingevolge die laatste wet werden inkomsten verkregen, toegekend of betaalbaar gesteld door een buitenlandse juridische constructie, met ingang van 1 januari 2015 be-schouwd als inkomsten van de natuurlijke personen-oprichters of -begunstigden; aldus schreven de artikelen 305 en 307, § 1, tweede lid, WIB92 tijdens de incri-minatieperiode slechts voor dat in de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting de buitenlandse rekeningen dienden te worden opgenomen waarvan men als na-tuurlijke persoon-belastingplichtige titularis was; hieruit volgt dat er tijdens de incriminatieperiode voor de eiser als natuurlijke persoon geen wettelijke ver-plichting bestond om in die aangifte melding te maken van roerende inkomsten genoten door buitenlandse rechtspersonen (telastlegging A), van voorschotten op de liquidatiebonus uitgekeerd door een buitenlandse holding aan een buitenland-se rechtspersoon (telastlegging B) en van het bestaan van buitenlandse rekenin-gen van buitenlandse rechtspersonen (telastlegging C); bijgevolg heeft de eiser geen inbreuk gepleegd op enige bepaling van het WIB92, zoals van toepassing, en zijn de constitutieve bestanddelen van het in artikel 449, eerste lid, WIB92 bepaalde misdrijf niet vervuld; bovendien maken inbreuken op de artikelen 305 en 307, § 1, tweede lid, WIB92 slechts vormen van dissimulatie of eenvoudige belastingontduiking uit en hebben zij geen betrekking op een voorafgaande on-derliggende simulatie of complexe belastingontduiking door middel van buiten-landse structuren.
- De artikelen 305 en 307 WIB92 zijn niet beperkt tot het opzettelijk verber-gen van belastbare inkomsten ter gelegenheid van de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, maar kunnen slaan op alle gedragingen gericht op de ontdui-king van die belasting. Bovendien bestraft artikel 449, eerste lid, WIB92 niet en-kel eenvoudige belastingontduiking, maar alle inbreuken op de erin vermelde wetsbepalingen die zijn gepleegd met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden.
- Krachtens artikel 5 WIB92 zijn rijksinwoners aan de personenbelasting on-derworpen op grond van al hun in dit wetboek als belastbaar vermelde inkom-sten, zelfs indien sommige daarvan in het buitenland zijn behaald of verkregen. De artikelen 17 tot 22 WIB92 definiëren de belastbare roerende inkomsten.
- Artikel 305, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing, bepaalt dat belasting-plichtigen die aan de personenbelasting zijn onderworpen, ertoe gehouden zijn ieder jaar aan de administratie der directe belastingen een aangifte over te leggen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot
- Uit die bepalingen, zoals van toepassing, volgt dat Belgische belasting-plichtigen, behoudens wettelijke uitzonderingen, ertoe gehouden zijn hun roe-rende inkomsten zoals bepaald in de wet, op te nemen in hun jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, met inbegrip van de inkomsten die zij in het buitenland hebben behaald of verkregen. Dat is niet anders wanneer de belastingplichtigen hun bedoelde inkomsten hebben behaald of verkregen op naam van buitenlandse juridische constructies of rechtspersonen die zij slechts hebben gebruikt om te verhullen dat zijzelf de werkelijke begunstigde van die inkomsten zijn. In dezelfde zin moeten Belgische belastingplichtigen op grond van artikel 307, § 1, tweede lid, WIB92, zoals van toepassing, in hun jaarlijkse aangifte in de per-sonenbelasting opgave doen van rekeningen waarvan zij de werkelijke titularis zijn geweest bij een in het buitenland gelegen financiële instelling.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, voeren de na de incriminatiepe-riode aan artikel 307, § 1, WIB92 aangebrachte wijzigingen die het onderdeel vermeldt, geen nieuwe aangifteverplichtingen of belastbare grondslagen in voor de hier bedoelde belastingplichtigen, maar specificeren die wijzigingen slechts de voor hen reeds bestaande verplichtingen om de belastbare roerende inkomsten die zij in het buitenland werkelijk hebben behaald of verkregen, op te nemen in hun jaarlijkse aangifte in de personenbelasting.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met redenen overgenomen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordeelt het arrest dat: - uit eisers bekentenissen ten aanzien van het Contactpunt Regularisaties, zoals ondersteund door objectieve elementen in het strafdossier, blijkt dat de op-richting en het bestaan van de buitenlandse structuren als afzonderlijke juridi-sche entiteiten geen realiteit hadden en dat de inkomsten overgemaakt aan de-ze structuren in werkelijkheid aan de eiser toekwamen en voor hem belastbaar waren in de Belgische personenbelasting; - de wettelijke normering waarnaar de eiser verwijst, een loutere fiscale detail-lering of explicitering uitmaakt die geenszins afbreuk doet aan de ook reeds voorheen op grond van de artikelen 305 en 449 WIB92 bestaande algemeen gangbare plicht voor de belastingplichtigen om hun roerende inkomsten aan te geven, dan wel om overeenkomstig de artikelen 307 en 449 WIB92 het be-staan van buitenlandse rekeningen te melden; - werkelijk uit niets blijkt dat de offshore structuren rechtspersoonlijkheid voor lokale vennootschapsrechtelijke doeleinden hadden, wat de eiser tijdens het strafonderzoek overigens ook niet heeft beweerd, zodat de eiser die structuren misbruikte en de rechtsgevolgen weigerde te aanvaarden van zijn keuze om zijn vermogen onder te brengen in deze structuren; - in werkelijkheid de eiser volgens zijn eigen bekentenis vrij kon beschikken over de gelden op de desbetreffende Luxemburgse en Monegaskische reke-ningen en hij de titularis was; - er onder de aangifte in de personenbelasting reeds vanaf aanslagjaar 2007 een vak voorzien was getiteld "Rekeningen in het buitenland", waar men diende aan te kruisen over dergelijke buitenlandse rekeningen te beschikken; - in weerwil met hetgeen hij post factum expliciet zou bekennen aangaande zijn persoonlijk beschikkingsrecht over de desbetreffende buitenlandse rekenin-gen, de eiser met ingang van aanslagjaar 2007 niettemin consequent "neen" aankruiste onder de desbetreffende rubriek; - wegens zijn professionele staat van dienst de eiser een bijzondere kennis had van offshore constructies en daaraan verbonden buitenlandse rekeningtegoe-den, alsmede beschikte over de beste raadgevers, zodat hij niet kan voorhou-den verkeerd te zijn geadviseerd en te goeder trouw aan fiscale optimalisatie te hebben gedaan; - de eiser in de gegeven omstandigheden niet alleen met volle kennis van za-ken, maar ook met bedrieglijke intentie ervoor heeft geopteerd om ontoelaat-baar en strafwaardig fiscaal frauduleus gedrag aan de dag te leggen; - de eiser duidelijk werd gedreven door de bedrieglijke intentie zichzelf te ver-rijken en er evenzeer bedrieglijk intentioneel voor lief bijnam de fiscale openbare orde te schaden en de maatschappij te bruuskeren door categoriek te weigeren de door hem verschuldigde fiscale lasten te dragen. Aldus stelt het arrest bij de eiser zowel de materiële als de morele constitutieve bestanddelen van het in artikel 449, eerste lid, WIB92 bepaalde misdrijf vast en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, artikel 14 Grondwet en artikel 2 Strafwetboek, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: het arrest oordeelt dat de eiser inbreuk pleegde op de artikelen 305, 307, § 1, tweede lid en 449, eerste lid, WIB92 we-gens de in het eerste onderdeel vermelde feiten, terwijl die wetsbepalingen tij-dens de incriminatieperiode geen verplichting oplegden aan natuurlijke personen om in hun jaarlijkse aangiften in de personenbelasting inkomsten te vermelden genoten door buitenlandse juridische constructies waarvan zij oprichter of be-gunstigde waren, noch om de buitenlandse rekeningen van deze entiteiten te vermelden.
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel en is om dezelfde redenen te verwerpen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eer-biediging van het recht van verdediging in strafzaken: de appelrechters verwer-pen eisers verweer dat de artikelen 305 en 307 WIB92 tijdens de incriminatiepe-riode nog geen meldingsplicht inhielden voor buitenlandse constructies met rechtspersonen en voor rekeningen aangehouden op naam van dergelijke rechts-personen; zij verwijzen daarvoor naar een algemene wettelijke plicht voor de be-lastingplichtigen om hun roerende inkomsten en buitenlandse rekeningen aan te geven en oordelen dat de oprichting en het bestaan van de buitenlandse struc-turen als afzonderlijke juridische entiteiten hier geen eigen reële inhoud hadden en de hen overgemaakte inkomsten in werkelijkheid toekwamen aan de eiser, zodat die inkomsten voor hem onder de Belgische personenbelasting belastbaar waren; de eiser werd enkel vervolgd voor een inbreuk op de aangifteplichten uit de artikelen 305 en 307 WIB92, dit is dissimulatie of het met opzet verbergen van belastbare materie en niet voor simulatie of complexe belastingontduiking, hetgeen zich noodzakelijkerwijze in een fase vóór de aangifte voordoet; de eiser werd niet uitgenodigd om zich te verdedigen tegen deze impliciete doch zekere herkwalificatie van de ten laste gelegde feiten.
- In zoverre het onderdeel dezelfde draagwijdte heeft als het eerste onder-deel, moet het om de daar vermelde redenen worden verworpen.
- Met de beslissing dat de in de telastleggingen vermelde structuren fictief waren en de op hun naam gestelde rekeningen aan de eiser toebehoorden, alsme-de dat de eiser heeft gehandeld met het in artikel 449, eerste lid, WIB92 vereiste bijzondere opzet, leidt het arrest slechts juridische gevolgen af uit de telastleg-gingen, de aan tegenspraak onderworpen gegevens van het strafdossier en het verweer van de eiser. Daarmee herkwalificeert het arrest de aan de eiser verwe-ten feiten niet. De appelrechters dienden bijgevolg de eiser niet uit te nodigen zich op die eventuele beslissing te verdedigen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 en 14.3.g IVBPR: het arrest oordeelt dat de strafvordering ontvankelijk is en er geen reden is tot bewijsuitsluiting, terwijl het recht op een eerlijk proces en het zwijg-recht van de eiser onherstelbaar werden miskend omdat (i) de strafvervolging uitsluitend berust op de door de eiser ingediende regularisatieaangifte en de in dat kader door hem afgelegde verklaringen en overhandigde stukken, (ii) er sprake is van ongeoorloofde dwang doordat eisers regularisatieaangifte het ge-volg was van een misleidende belofte van de bijzondere belastinginspectie (hier-na BBI), die verband hield met twee dadingen gesloten tussen de BBI en Optima Bank eensdeels en de BBI en de eiser anderdeels, in het kader waarvan de eiser akkoord ging om met afstand van zijn non-incriminatierecht een EBA-aangifte te doen, terwijl de BBI de belofte niet is nagekomen om alle onwettig in beslag ge-nomen data betreffende cliënteel van Optima Bank te vernietigen en (iii) de overheid de door de eiser overhandigde belastende informatie gebruikt als exclu-sieve basis voor de strafrechtelijke vervolging en tegelijk de eiser via opgelegde financiële beperkingen heeft verhinderd zijn regularisatie te voltooien door de betaling van de regularisatieheffing, waardoor de eiser geen strafrechtelijke im-muniteit geniet.
- Met overname van redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordeelt het arrest dat: - het strafonderzoek geen aanvang heeft genomen met de EBA-aangiften van de eiser, maar wel met een melding van de Cel voor Financiële Informatiever-werking van 26 november 2013, en het in het kader van dat strafonderzoek is dat tevens het Contactpunt Regularisatie van de FOD Financiën werd be-vraagd; - er geen elementen in het strafdossier zijn die aantonen dat ten aanzien van de eiser enige dwang werd gebruikt om gegevens te verkrijgen en er geen sprake is van list of leugen; - het meedelen van gegevens met betrekking tot te regulariseren inkomsten in-herent is aan een regularisatieaangifte; - het sluiten van de dading en het vervolgens indienen van een regularisatie-aangifte de vrije en bewuste keuze waren van de eiser en hij volledig vrij een afweging van belangen heeft gemaakt en in dat kader blijkbaar heeft beslist om zijn persoonlijk vermogen aan de fiscus mee te delen in het kader van een regularisatieaanvraag; - de onderhandelingen over de dadingsovereenkomst en de verlenging van de termijn voor het indienen ervan aantonen dat dit alles werd voltrokken in een sfeer van vrijwilligheid, terwijl de eiser begeleid werd door een gespeciali-seerde advocaat; - er geen misleidende belofte van de belastingadministratie is die de eiser heeft overgehaald de dading te sluiten of de regularisatieaanvraag in te dienen; - het falen van de regularisatieprocedure en derhalve het niet verkrijgen van strafrechtelijke immuniteit uitsluitend toe te schrijven zijn aan het uitblijven van de voldoening van de fiscale schuld door de eiser; - de handelwijze van de Nationale Bank van België volledig losstaat van de re-gularisatieprocedure en kadert binnen haar wettelijke opdracht, terwijl de be-wering dat die handelwijze voor gevolg zou hebben gehad dat de eiser geen financiële middelen kon vrijmaken ter voldoening van zijn fiscale schuld na regularisatie, niet wordt aangetoond; - de eiser de strategische optie heeft gekozen om persoonlijke fondsen te ge-bruiken ten behoeve van Optima Bank, maar ook ervoor had kunnen kiezen voorrang te geven aan het regulariseren van zijn persoonlijke fiscale toestand; - er geen misleiding bestaat in verband met het feit dat van de vernietigde ge-gevens nog een reservekopie op een back-up bestond, aangezien de BBI die kopie heeft doen vernietigen nog voordat zij kon worden gebruikt; - de BBI aan de eiser nooit de belofte deed hem niet te vervolgen voor de ver-meende fiscale misdrijven en de eiser dus niet kan voorhouden dat hij de legi-tieme verwachting mocht koesteren dat hij ingevolge de gesloten dading strafvervolging zou ontlopen, daar waar de niet-vervolging slechts een gevolg zou zijn geweest van een met succes doorlopen regularisatieprocedure; - de eiser zich ten onrechte vereenzelvigt met Optima Bank, die een eigen rechtspersoon met een afgescheiden vermogen is, zodat de gebeurlijke impact van de Nationale Bank van België op het vermogen van Optima Bank volko-men te onderscheiden is van de fiscale regularisatie van eisers eigen ver-mogen. Het arrest dat op grond van die redenen oordeelt dat de strafvordering ontvanke-lijk is en geen bewijs weert omdat eisers recht op een eerlijk proces niet is mis-kend, verantwoordt de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div