← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artikel 42

, 3° Strafwetboek - Belastingmisdrijf - Verbeurdverklaring - Draagwijdte - Gevolg Fiche 2 Illegale vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek omvatten zowel goederen en waarden als elk economisch voordeel uit een misdrijf, zij het een belastingmisdrijf, ook als ze niet in een vermogen kunnen worden geïdentificeerd; aldus is de verhoging van het globale vermogen van een persoon, die voortkomt uit het misdrijf waardoor hij zijn fiscale uitgaven bedrieglijk vermindert, een vermogensvoordeel dat op grond van die bepaling kan worden verbeurdverklaard

(1).
(1)S. DE MEULENAER, 'Het witwassen van fiscale vermogensvoordelen', in M.MAUS en M. ROZIE (eds.), Actuele problemen van fiscaal strafrecht, 2011, Intersentie, pp. 181-198; zie Cass. 23 september 2015, AR P.13.1451.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7, AC 2015, nr.545, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. Hierbij dient er evenwel op te worden gewezen dat dit arrest betrekking had op feiten daterend van vóór 1 september 2007 datum van inwerkingtreding van de Wet van 10 mei 2007 houdende diverse maatregelen inzake de heling en inbeslagneming, (BS 22 augustus 2007), terwijl in de voorliggende casus de nieuwe wet van toepassing was. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Heling -

Artikel 42

, 3° Strafwetboek - Belastingmisdrijf - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 4 De verbeurdverklaring per equivalent, bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek, houdt geen verband met de individualiseerbaarheid van de illegale vermogensvoordelen, maar enkel met de vraag of die vermogensvoordelen nog aanwezig zijn in een vermogen, dan wel daaruit zijn verdwenen; enkel in dat laatste geval dient de rechter op grond van deze bepaling de beklaagde te veroordelen tot het betalen van een geldsom die het equivalent is van de geschatte waarde van het verdwenen vermogensvoordeel

(1).
(1)Indien de vermogensvoordelen soortzaken zijn die niet uit het vermogen van de betrokkene zijn verdwenen, maar daarin zijn vermengd met andere gelden, zijn zij verbeurd te verklaren op grond van art. 42, 3°, Sw. (objectconfiscatie) en niet op grond van art. 43bis, 2de lid, Sw. (waardeconfiscatie). Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden:

Artikel 43b

is, Strafwetboek - Verbeurdverklaring per equivalent - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Heling -

Artikel 43b

is, Strafwetboek - Verbeurdverklaring per equivalent - Draagwijdte - Gevolg Fiche 5 Artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek vereist enkel dat de vermogensvoordelen waarop de daarin omschreven gedragingen betrekking hebben, zaken zijn bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek; geen enkele wetsbepaling vereist dat die zaken, om het voorwerp van de bedoelde witwasmisdrijven te kunnen uitmaken, bovendien identificeerbaar zijn in het vermogen van de beklaagde

(1).
(1)Cass. 8 november 2005, AR P.05.0996.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.19, AC 2005, nr. 575 en de noot van J. ROZIE , 'Over voordeelsontneming in fiscalibus', NC 2006, p. 126-130. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden:

Artikel 505

, eerste lid, 3° en 4° Strafwetboek - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1041.N I RAHMAN SUPERMARKET bvba, met zetel te 8500 Kortrijk, Zwevegemse-straat 48, vertegenwoordigd door haar lasthebber ad hoc Joris VAN CAUTER, met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 175, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Karel De Meester, advocaat bij de balie Gent, II A M H D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, III

  1. A R R, beklaagde,
  2. A S B D, beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 september
  3. De eisers I en III voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiseres I
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest ma-tigt weliswaar de lastens de eiseres uitgesproken verbeurdverklaring op grond van artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek, maar verleent voor die straf geen uitstel van tenuitvoerlegging zoals de eiseres dat nochtans ook had gevraagd met verwijzing naar haar blanco strafregister; aldus beantwoordt het arrest dat ver-weer niet en is de beslissing niet regelmatig gemotiveerd.
  5. Artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet bepaalt: "De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering." Overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering vermeldt de rechter nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom hij een bepaalde straf uitspreekt, indien hij daartoe de vrije beoordeling heeft.
  6. De weigering een straf met uitstel op te leggen, na een daartoe tot de rech-ter gericht verzoek, kan met redenen zijn omkleed door opgave van de redenen om een andere straf of straffen dan een straf met uitstel op te leggen.
  7. Het arrest motiveert met een geheel van redenen in verband met de aan de eiseres opgelegde straffen in het algemeen en de te haren laste bevolen ver-beurdverklaring in het bijzonder, waaronder een verwijzing naar haar strafrech-telijk verleden, waarom het de verbeurdverklaring, zoals gematigd maar zonder uitstel van tenuitvoerlegging, hier passend acht gelet op de aard van de feiten en de persoonlijkheid van de eiseres. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en voldoet het aan de motiveringsplicht die is voorgeschreven door de bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel als aangewezen in het middel. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Strafwetboek: het arrest verleent voor de lastens de eiser uitgesproken verbeurdverklaring geen uitstel van tenuitvoerleg-ging; aldus beantwoordt het eisers verweer niet en is de beslissing niet regelma-tig gemotiveerd; de redenen van het arrest over de gevangenisstraf en de geld-boete slaan niet op de verbeurdverklaring.
  9. Met een geheel van redenen die, eensdeels, wel degelijk gelden voor alle aan de eiser opgelegde straffen en, anderdeels, eigen zijn aan de te zijnen laste bevolen verbeurdverklaring, motiveert het arrest waarom het de verbeurdverkla-ring, zoals gedeeltelijk gematigd maar zonder uitstel van tenuitvoerlegging, hier passend acht gelet op de aard van de feiten en de persoonlijkheid van de eiser. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en voldoet het aan de motive-ringsplicht die is voorgeschreven door de in het middel aangewezen bepalingen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II en middel van de eisers III Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 42, 3° en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de il-legale vermogensvoordelen identificeerbaar zijn gebleven en aldus het voorwerp kunnen uitmaken van de witwasmisdrijven bepaald in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek; artikel 42, 3°, Strafwetboek vereist dat de beklaagde recht-streekse vermogensvoordelen uit het misdrijf heeft verkregen, dit zijn lichame-lijke goederen, waarden of schuldvorderingen, die dankzij het misdrijf in zijn vermogen zijn opgenomen en geïdentificeerd konden worden als een rechtstreeks gevolg van dat misdrijf; anders kunnen die vermogensvoordelen enkel verbeurd-verklaard worden op grond van artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek; krachtens artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek kunnen enkel de rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Straf-wetboek het voorwerp van het witwasmisdrijf uitmaken; doordat artikel 42 Strafwetboek enkel een objectconfiscatie betreft en geen waardeconfiscatie als bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek, dienen de vermogensvoorde-len geïdentificeerd te worden in het vermogen van de eisers; volgens het arrest vormen de vermogensvoordelen uit de fiscale fraude bepaald in de telastleggin-gen B (bedrieglijke niet-aangifte vennootschapsbelasting eiseres I), C (bedrieg-lijke niet-aangifte personenbelasting eisers II en III) en D (bedrieglijke niet-aangifte BTW eiseres I) het voorwerp van de witwasmisdrijven onder de telast-leggingen A; door te oordelen dat de ontweken belastingschuld overeenstemt met de in de telastleggingen A bedoelde cashstortingen, dit zijn dus fiscaal niet aangegeven inkomsten, schendt het arrest artikel 42, 3°, Strafwetboek omdat het ontwijken van een belastingschuld niet identificeerbaar is in het vermogen van de eisers, zodat die cashgelden geen vermogensvoordeel in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek kunnen uitmaken en bijgevolg niet kunnen worden witgewas-sen.
  11. Illegale vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek omvatten zowel goederen en waarden als elk economisch voordeel uit een mis-drijf, zij het een belastingmisdrijf, ook als ze niet in een vermogen kunnen wor-den geïdentificeerd. Aldus is de verhoging van het globale vermogen van een persoon, die voortkomt uit het misdrijf waardoor hij zijn fiscale uitgaven be-drieglijk vermindert, een vermogensvoordeel dat op grond van die bepaling kan worden verbeurdverklaard. Daarentegen houdt de verbeurdverklaring per equivalent, bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek, geen verband met de individualiseerbaarheid van de illegale vermogensvoordelen, maar enkel met de vraag of die vermogens-voordelen nog aanwezig zijn in een vermogen, dan wel daaruit zijn verdwenen. Enkel in dat laatste geval dient de rechter op grond van deze bepaling de be-klaagde te veroordelen tot het betalen van een geldsom die het equivalent is van de geschatte waarde van het verdwenen vermogensvoordeel.
  12. Artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek vereist enkel dat de vermo-gensvoordelen waarop de daarin omschreven gedragingen betrekking hebben, zaken zijn bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Geen enkele wetsbepaling vereist dat die zaken, om het voorwerp van de bedoelde witwasmisdrijven te kunnen uitmaken, bovendien identificeerbaar zijn in het vermogen van de be-klaagde.
  13. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 42, 3° en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: enerzijds oordeelt het arrest dat alle cashstortingen op de privérekeningen van de eisers het voorwerp zijn van de witwasmisdrijven onder de telastleggingen A omdat zij een vermogensvoor-deel in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek uitmaken dat afkomstig is van fis-cale fraude; anderzijds beveelt het arrest lastens de eisers niet de verbeurdver-klaring van de vermogensvoordelen voortkomend uit de telastleggingen C ten-einde een dubbele verbeurdverklaring van dezelfde bedragen te vermijden, aan-gezien de niet aangegeven beroepsinkomsten reeds werden verbeurdverklaard als voorwerp van de witwasmisdrijven onder de telastleggingen A; zodoende stelt het arrest vast dat de gevorderde verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen van 50 pct. van de cashstortingen als niet aangegeven beroepsinkomsten reeds werd bevolen als voorwerp van het witwasmisdrijf en kan het niet oordelen dat alle cashstortingen het voorwerp van de witwasmisdrijven uitmaken; bovendien beveelt het arrest voor de telastleggingen B en D een verbeurdverklaring bij equivalent op grond van artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek, wat inhoudt dat de vermogensvoordelen niet meer kunnen worden geïdentificeerd in het ver-mogen van de eisers, maar oordeelt het anderzijds met betrekking tot de telast-leggingen A dat de vermogensvoordelen wel nog kunnen worden geïdentificeerd; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd, minstens is de verbeurdverklaring op grond van de artikelen 505, zesde lid en 42, 3°, Strafwetboek niet naar genoe-gen van recht gemotiveerd.
  15. Het arrest oordeelt in essentie dat: - de eisers II en III zich hebben schuldig gemaakt aan de respectieve telastleg-gingen C.1 tot C.8 (eisers III) en C.9 tot C.16 (eiser II) door het bedrieglijk niet aangeven in de personenbelasting betreffende de aanslagjaren 2005 tot 2012 van de beroepsinkomsten die zij hebben verkregen ingevolge de econo-mische activiteiten van de eiseres I; - tot die beroepsinkomsten de vermogensvoordelen behoren die de eisers II en III hebben verkregen ingevolge de door alle eisers gepleegde feiten van ont-duiking van door de eiseres I verschuldigde vennootschapsbelastingen en btw, vermeld in de telastleggingen B en D; - de vermelde telastleggingen C betrekking hebben op niet nader te bepalen be-dragen, maar het telkens minstens bedragen betreft die overeenstemmen met de bedragen van de cashstortingen, voorwerp van de respectieve telastleggin-gen A.1 tot A.8 (eisers III) en A.9 tot A.16 (eiser II); - de lastens de eisers II en III bewezen verklaarde witwasmisdrijven, voorwerp van de vermelde telastleggingen A, bestaan uit cashstortingen op privéreke-ningen van deelbedragen vermeld in de telastleggingen C; - het de vermogensvoordelen die de eisers II en III hebben verkregen uit de te-lastleggingen C niet verbeurdverklaart om geen dubbele verbeurdverklaring uit te spreken met het voorwerp van de witwasmisdrijven onder de telastleg-gingen A. Met die redenen oordeelt het arrest niet dat de in de telastleggingen A vermelde cashstortingen voortkomen uit de telastleggingen B en D, maar wel dat zij voort-komen uit de telastleggingen C. Daarmee oordeelt het arrest evenmin dat het voorwerp van de witwasmisdrijven vermeld onder de telastleggingen A meer be-draagt dan de marginale aanslagvoet van 50 pct. van het geheel van de door de eisers II en III ontdoken beroepsinkomsten vermeld onder de telastleggingen C. In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het fei-telijke grondslag.
  16. De aangevoerde motiveringsgebreken en onwettigheid zijn afgeleid uit die onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 405,42 euro waarvan de eisers I, II en III elk 135,14 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200324.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.19 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.