id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.4 Rolnummer: P.18.1042.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2019-02-27 Raadplegingen: 259 - laatst gezien 2026-06-28 06:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De vernietiging van een beslissing over de straf belet niet dat de rechter op verwijzing een verbeurdverklaring uitspreekt op grond van een schriftelijke vordering die het openbaar ministerie reeds heeft genomen tijdens de rechtspleging die voorafgaat aan de vernietigde beslissing; aldus hoeft het openbaar ministerie die schriftelijke vordering niet opnieuw te nemen voor de rechter op verwijzing. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Openbaar ministerie en vervolgende partij Vrije woorden: Vernietiging van beslissing over de straf - Bijzondere verbeurdverklaring vermogensvoordelen door rechter op verwijzing - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Wijze Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Cassatie - Vernietiging van beslissing over de straf - Bijzondere verbeurdverklaring vermogensvoordelen door rechter op verwijzing - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Wijze Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1042.N I
- W F L E V O, beklaagde,
- HUKARGO nv, met zetel te 2500 Lier, Antwerpsesteenweg 384, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent. II WERL bvba, met zetel te 2500 Lier, Antwerpsesteenweg 384, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brus-sel, correctionele kamer, van 24 september 2018, op verwijzing gewezen inge-volge het arrest van het Hof van 22 september
- De eisers I.1 en II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie mid-delen aan. De eiseres I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 22 februari 2019 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de replieknota
- Op de rechtszitting van 19 februari 2019 werd de zaak overeenkomstig ar-tikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek verdaagd naar de rechtszitting van 26 februari 2019 teneinde de eisers toe te laten te repliceren op de mondelinge conclusie van het openbaar ministerie en heeft het Hof bepaald dat de repliek-noot diende te worden ingediend ten laatste op 21 februari om 16 uur.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de originele replieknota ter griffie van het Hof werd neergelegd op 22 februari 2019, dit is na de voormelde bepaalde termijn en dus laattijdig. Het feit dat de nota eerder per fax werd opgestuurd op 21 februari om 16 u 31, wat ook laattijdig was, doet hieraan geen afbreuk. De replieknoot is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest spreekt de eisers I.1 en II vrij van de telastleggingen D.I.i, D.I.h, D.I.j, D.I.l en D.I.n. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de eisers I.1 en II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I en II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: het arrest verwerpt het verweer van de eisers dat de redelijke termijn is overschreden zodat de strafvordering niet ontvankelijk moet worden verklaard of minstens ontslag van rechtsvervolging moet worden verleend; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat het proces sinds de aanvang van het onderzoek 10 jaar en 4 maanden heeft geduurd, waarvan maximaal 17 maanden te wijten zijn aan de houding van de eisers; de motivering van het arrest dat de zaak complex is en het verloop van de rechtspleging normaal is, volstaat niet om te oordelen dat de re-delijke termijn niet is overschreden; een aan de vervolgende instanties te wijten periode van 9 jaar, waarschijnlijk 10 jaar tot aan het arrest van het Hof, over-schrijdt zelfs in een complexe zaak de redelijke termijn volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- Er bestaat geen algemene drempel waaronder of waarboven de duur van de rechtspleging noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is. Uit het feit dat het strafonderzoek en het navolgende proces voor de vonnisrechter en eventueel de cassatierechter een periode van 9 of 10 jaar in beslag neemt die niet geheel aan de beklaagde te wijten is, volgt niet noodzakelijk dat de redelijke termijn waar-binnen over een ingestelde strafvervolging moet zijn beslist, is overschreden. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op het ogenblik van zijn uitspraak, reke-ning gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak, de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en de gerechtelijke overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt op grond van de gegevens die het vermeldt dat het strafonderzoek wegens de complexiteit van de zaak niet onredelijk lang heeft geduurd, de procedure verder een normaal verloop heeft gekend en het lange tijdsverloop na het verwijzingsarrest te wijten is aan de houding van de eisers. Aldus verantwoordt het de beslissing dat de redelijke termijn niet is overschre-den, naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt ten onrechte geen rekening met de overschrijding van de redelijke termijn om de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken of minstens een straf lager dan het wettelijk minimum op te leggen.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers I.1 en II
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1110 Ge-rechtelijk Wetboek en artikel 435 Wetboek van Strafvordering: het arrest ver-werpt het verweer van de eisers dat de vernietiging van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 december 2014 in zoverre dat hen schuldig verklaart aan de telastleggingen D.I.i, D.I.h, D.I.j, D.I.l en D.I.n, ook de vernietiging in-hield van hun schuldigverklaring aan de telastleggingen D.I.f, D.I.k en D.I.o; het arrest oordeelt dat de vermogensvoordelen, voorwerp van die laatste telastleg-gingen, afkomstig waren van het misdrijf misbruik van vertrouwen en dat het verwijzingsarrest van 22 september 2015 de grieven in verband met de schuldig-verklaring van de eisers aan die witwasmisdrijven heeft verworpen; daarmee verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht en gaat het niet na of de ver-nietigde redenen niet eveneens de beslissing schragen met betrekking tot het be-wezen verklaren van de telastleggingen D.I.f, D.I.k en D.I.o; aldus miskent het arrest de rechtsmacht van de rechter op verwijzing na cassatie en beantwoordt het niet eisers' verweer.
- In strafzaken is niet artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek van toepassing, maar wel artikel 435 Wetboek van Strafvordering. Dat artikel bepaalt in zijn eer-ste en tweede lid dat ingeval van vernietiging het Hof, indien daartoe aanleiding bestaat, de zaak verwijst en het gerecht waarnaar de zaak wordt verwezen, zich naar het arrest van het Hof gedraagt betreffende het door het Hof beslechte rechtspunt.
- De rechter op verwijzing heeft slechts rechtsmacht binnen de grenzen van de vernietiging en de verwijzing. Het staat aan de rechter op verwijzing te bepa-len, onder controle van het Hof, in hoeverre hij van de zaak kennis moet nemen en dus welke de vernietigde beslissingen van de bestreden rechterlijke uitspraak zijn die door hem opnieuw moeten worden beoordeeld. Het zijn immers slechts de vernietigde beslissingen van de bestreden rechterlijke uitspraak, met inbegrip van de onafscheidbare beslissingen en de gevolgbeslissingen, die de omvang van de vernietiging en de verwijzing bepalen en dus niet de onderliggende reden of redenen die aanleiding hebben gegeven tot cassatie.
- Volgens het arrest van 17 december 2014 van het hof van beroep te Ant-werpen betreffen de telastleggingen D.I.i, D.I.h, D.I.j, D.I.l en D.I.n witwasmis-drijven waarbij de eiser I.1 vermogensvoordelen, verkregen uit de valsheden vermeld in de telastleggingen A, B en C, in contanten heeft gestort op zijn per-soonlijke rekeningen. Die valsheden bestonden uit het voeren van een boekhou-ding die niet de werkelijke staat van activa en passiva van de eiseres II weergaf. De witgewassen vermogensvoordelen van de telastleggingen D.I.f, D.I.k en D.I.o komen daarentegen, volgens het op dat punt niet vernietigde oordeel van dat ar-rest voort uit misdrijven van misbruik van vertrouwen, gepleegd door de eiser I.1 ten nadele van de eiseres II.
- In het verwijzingsarrest heeft het Hof het alsdan bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen vernietigd omdat het op grond van de vaststellin-gen van dat arrest niet vaststond dat de bedoelde valsheden zijn voorafgegaan aan de telastleggingen D.I.i, D.I.h, D.I.j, D.I.l en D.I.n, die gevolgmisdrijven uit-maken. Wat betreft de telastleggingen D.I.f, D.I.k en D.I.o oordeelt het verwijzingsar-restarrest daarentegen dat het alsdan bestreden arrest van 17 december 2014 een juist onderscheid heeft gemaakt tussen de creditverrichtingen op de in die telast-leggingen bedoelde rekeningen, die deel uitmaken van de in de telastlegging F bepaalde misdrijven van misbruik van vertrouwen, en de erop volgende debet-verrichtingen die witwasmisdrijven uitmaken. Aldus zijn de misdrijven waaruit de witgewassen vermogensvoordelen voortkomen hier wel degelijk gepleegd vóór de witwasmisdrijven.
- Hieruit volgt dat de vernietiging van de beslissing van het alsdan bestreden arrest over de schuldigverklaring van de eisers aan de telastleggingen D.I.i, D.I.h, D.I.j, D.I.l en D.I.n geen impact heeft op de beslissing van dat arrest over de schuldigverklaring aan de telastleggingen D.I.f, D.I.k en D.I.o. Het arrest dat in die zin oordeelt, beantwoordt het verweer van de eisers en verantwoordt de be-slissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers I.1 en II en tweede middel van de eiseres I.2
- Het middel voert schending aan van artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie werd genomen voorafgaand aan de behandeling van de zaak in eerste aanleg en deze op de rechtszitting van 22 januari 2018 mondeling werd herhaald; na de cassatie van alle straffen en verbeurdverklaringen, zoals hier, dient het openbaar ministerie de verbeurdverklaring opnieuw schriftelijk te vor-deren; doordat dit niet is gebeurd, kon de verbeurdverklaring niet worden uitge-sproken.
- De vernietiging van een beslissing over de straf belet niet dat de rechter op verwijzing een verbeurdverklaring uitspreekt op grond van een schriftelijke vor-dering die het openbaar ministerie reeds heeft genomen tijdens de rechtspleging die voorafgaat aan de vernietigde beslissing. Aldus hoeft het openbaar ministerie die schriftelijke vordering niet opnieuw te nemen voor de rechter op verwijzing. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 150,21 euro waarvan de eisers I 55,85 euro verschuldigd zijn en de eiseres II 94,36 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.