id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.5 Rolnummer: P.18.1067.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-02-27 Raadplegingen: 358 - laatst gezien 2026-06-28 06:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de enkele omstandigheid dat de rechter bepaalde verweermiddelen van een partij afwijst als dilatoir, volgt niet als dusdanig dat de rechter niet onpartijdig over de schuld en straf van deze partij kan oordelen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Onpartijdige rechterlijke instantie - Afwijzing verweermiddelen als dilatoir - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 4 Uit het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld kan niet worden afgeleid dat een beklaagde het recht zou hebben op een heropening van het debat om gegevens, die hem reeds bekend waren bij de behandeling van de zaak, alsnog aan de rechter voor te leggen, zodat de rechter een verzoek van een beklaagde tot heropening van het debat mag afwijzen indien blijkt dat de beklaagde de elementen waarop dit verzoek is gesteund, kon aanvoeren tijdens de behandeling van de zaak. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Beklaagde - Verzoek tot heropening van het debat - Afwijzing - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Beklaagde - Verzoek tot heropening van het debat - Afwijzing - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Beklaagde - Verzoek tot heropening van het debat - Afwijzing - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 Het recht van de beklaagde in het strafproces om binnen de wettelijke regels zijn verdediging te organiseren zoals hij meent die te moeten organiseren en te bepalen welk ogenblik hij het meest geschikt acht om bij de behandeling van de zaak een vraag tot het voegen van stukken te formuleren, is niet absoluut; indien de rechter vaststelt dat de beklaagde de vraag tot het voegen reeds vroeger kon formuleren en hij met de laattijdig geformuleerde vraag in wezen beoogt de strafvordering te stremmen en zich dus schuldig maakt aan procesmisbruik, mag hij het verzoek op die grond afwijzen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.b - Beklaagde - Organisatie van zijn verdediging - Grens - Vraag tot het voegen van stukken - Afwijzing - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Beklaagde - Organisatie van zijn verdediging - Grens - Vraag tot het voegen van stukken - Afwijzing - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1067.N C F G P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, tegen CELLEX PHILIPPINES Inc, vennootschap naar recht van de staat Delaware, met zetel te Corona del Mar, CA92625 (Verenigde Staten van Amerika), Seacrest Drive 1528, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 26 september 2018. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 20 februari 2019 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest weigert ten onrechte om de auditieve opnames van het verhoor van F, E en P te voegen; het arrest steunt eisers schuldigverklaring op de inhoud van dit verhoor, zoals weergegeven in de transcripties en samenge-vat in een proces-verbaal; deze bewijsgegevens verwijzen aldus naar de auditie-ve opnames, die niet aan de tegenspraak van de partijen zijn voorgelegd. 2. Het arrest steunt eisers schuldigverklaring niet op de inhoud van het ver-hoor F, E en P. De appelrechters oordelen integendeel dat: - de auditieve opnames van dit verhoor niet nodig zijn voor eisers schuldigver-klaring; - het gegeven dat de eiser in de Verenigde Staten van Amerika verkregen gel-den van investeerders liet overmaken naar een Luxemburgse vennootschap waarvan hijzelf de financiële rekening kon beheren, waarna deze gelden we-derrechtelijk werden afgeleid voor privédoeleinden die onverenigbaar zijn met een investeringsprogramma in welke zakelijke sector ook, afdoende aan-toont dat dat elke legale herkomst van de door de eiser in het Rijk bestede gelden, voorwerp van de telastleggingen, is uit te sluiten; - hierbij wordt gesteund op het proces-verbaal dat werd opgesteld over de uitvoering van de rogatoire commissie waarbij de voormelde personen werden verhoord, waarin het verband wordt gelegd tussen de stukken uit het Amerikaanse onderzoek en de korte samenvatting van dit verhoor; - de voormelde personen als dusdanig ook niets kunnen verklaren over de mate-riële feiten van witwassen die aan de beoordeling van het hof van beroep voorliggen; - de beoordeling van de vervolgde misdrijven van witwas primordiaal op basis van documenten gebeurt, waarbij wordt geëvalueerd of een normale economi-sche aanwending van gelden verkregen van derden voorhanden is; - de eiser zich over de documenten die de uitgevoerde rechtshulpverzoeken hebben opgeleverd uitgebreid kan verweren en hierover tegenspraak kan voe-ren. In zoverre gaat het middel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 3. De aangevoerde wetsschendingen en miskenning van algemene rechtsbe-ginselen zijn afgeleid uit deze onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, alsook mis-kenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en de wapengelijkheid: het arrest weigert F, E en P te horen als getuigen, hoewel deze tijdens het vooronderzoek belastende verklarin-gen hebben afgelegd; de appelrechters steunen deze afwijzing op de vaststelling dat deze verklaringen niet doorslaggevend zijn noch ontlastend voor de eiser en dat eisers verzoek dilatoir is en in deze zaak niet dienend is; de appelrechters gaan hierbij ten onrechte niet na of er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van deze getuigen noch of er voor het niet-ondervragen van deze personen vol-doende compenserende factoren zijn. 5. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uit-spreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een be-klaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die be-klaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door arti-kel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen on-dervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervol-ging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 6. Uit artikel 6.1 EVRM volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aange-voerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting en de beklaagde dit bewijs moet kunnen tegenspreken. 7. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen fei-telijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszit-ting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compense-rende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het toekennen van een mindere bewijswaarde aan dergelijke verklaringen, het voorhanden zijn van een video-opname van het tijdens het vooronderzoek afgenomen verhoor wat een be-oordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring moet toelaten, het bestaan van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring ondersteunt of bevestigt, de mogelijkheid om aan de getuige geschre-ven vragen te bezorgen of de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de moge-lijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken op het vlak van de geloofwaardigheid van de getuige of interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 8. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde, tenzij één van de criteria van dermate overwegend belang is dat dit criterium volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn ge-heel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt. 9. Het staat aan de rechter om rekening houdend met de voormelde criteria onaantastbaar te oordelen of het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aan-wijst. 10. Het arrest wijst eisers verzoek om F, E en P als getuige te horen of te laten verhoren af op de volgende gronden: - de beoordeling van de vervolgde misdrijven van witwas gebeurt primordiaal op basis van documenten, waarbij wordt geëvalueerd of een normale econo-mische aanwending van gelden, verkregen van derden voorhanden is; - deze getuigen kunnen als dusdanig niets verklaren over de materiële feiten van witwas die ter beoordeling voorliggen zodat het niet nodig is over te gaan tot hun verhoor; - deze tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen zijn ook niet doorslag-gevend voor het vervolgde witwasmisdrijf, maar wel het gegeven dat de eiser in de Verenigde Staten van Amerika verkregen gelden van investeerders liet overmaken naar een Luxemburgse vennootschap waarvan hijzelf de financiële rekening kon beheren, waarna deze gelden wederrechtelijk werden afgeleid voor privédoeleinden die onverenigbaar zijn met een investeringsprogramma in welke zakelijke sector ook, wat afdoende aantoont dat elke legale herkomst van de door de eiser in het Rijk bestede gelden, voorwerp van de telastleggin-gen, is uit te sluiten. Met opgave van die concrete omstandigheden verwerpen de appelrechters eisers verzoek tot het horen van F, E en P als getuigen à charge en vermelden zij de compenserende factoren voor het niet-horen van die getuigen. Aldus oordeelt het arrest, zonder schending van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM noch miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging of de wapengelijkheid, dat die omstandigheden dermate overwegend zijn dat zij volstaan om eruit af te lei-den dat het strafproces in zijn geheel beschouwd eerlijk is verlopen en is de be-slissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel 11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de onpartijdigheid van de rechter, het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht van wapenge-lijkheid: het arrest verwerpt eisers verzoek tot heropening van het debat om hem de mogelijkheid te geven juridisch standpunt in te nemen over de mate waarin de resultaten van het gerechtelijk onderzoek door het gebrek aan onpartijdigheid van de onderzoeksrechter is aangetast, als dilatoir; het verwerpt eisers verzoek tot het voegen van de auditieve opnames van het verhoor van F, E en P eveneens als dilatoir; de eiser heeft evenwel het recht om, zelfs extensief, gebruik te ma-ken van de middelen die hem in de strafprocedure ter beschikking staan, ook wanneer dit tot vertraging kan leiden; bovendien bestond er voor eisers juridisch verweer een legitieme verantwoording, wat het dilatoir karakter uitsluit; door ei-sers middelen als louter dilatoir te kwalificeren, ontstaat een gewettigde twijfel over de geschiktheid van de appelrechters om uitspraak te doen over eisers schuld en straf. 12. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter bepaalde verweermiddelen van een partij afwijst als dilatoir, volgt niet als dusdanig dat de rechter niet onpartij-dig over de schuld en straf van deze partij kan oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. De rechter mag een verzoek van een beklaagde tot heropening van het de-bat afwijzen indien blijkt dat de beklaagde de elementen waarop dit verzoek is gesteund, kon aanvoeren tijdens de behandeling van de zaak. Uit het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM en het algemeen rechts-beginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld kan niet worden afgeleid dat een beklaagde het recht zou hebben op een heropening van het debat om gegevens, die hem reeds bekend waren bij de behandeling van de zaak, alsnog aan de rechter voor te leggen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Met betrekking tot eisers verweer dat de resultaten van het gerechtelijk on-derzoek door het gebrek aan onpartijdigheid van de onderzoeksrechter zijn aan-getast en zijn verzoek hiertoe het debat te heropenen, oordelen de appelrechters dat: - de ongepaste houding van de onderzoeksrechter tijdens het verhoor van één van de getuigen, geen afbreuk doet aan de daarbuiten correcte bejegening van de beklaagden door deze onderzoeksrechter en een eerlijk proces niet onmo-gelijk maakt, zodat de strafvordering ontvankelijk is; - eisers verzoek tot heropening van het debat om, zo de strafvordering ontvan-kelijk wordt verklaard, standpunt te kunnen innemen over de mate waarin de bewijswaarde van de resultaten van het gevoerde gerechtelijk onderzoek door dit gebrek is aangetast, artikel 152 Wetboek van Strafvordering schendt; - er immers conclusietermijnen werden bepaald, zodat de eiser conclusies diende te nemen, ook over het rechtspunt waarover de heropening van het de-bat wordt gevraagd temeer daar het standpunt dat de appelrechters thans in-nemen over dit rechtspunt een mogelijks te verwachten standpunt is dat niet als een "nieuw feit" kan worden aangemerkt. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest naar recht oordelen dat eisers voormeld verzoek dilatoir is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 15. Uit het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verde-diging, en het vermoeden van onschuld volgt dat een beklaagde in het strafproces binnen de wettelijke regels zijn verdediging organiseert zoals hij meent die te moeten organiseren. Het komt in de regel hem toe te bepalen welk ogenblik hij het meest geschikt acht om bij de behandeling van de zaak een vraag tot het voe-gen van stukken te formuleren. Dit recht is evenwel niet absoluut. Indien de rechter vaststelt dat de beklaagde de vraag tot het voegen reeds vroeger kon for-muleren en hij met de laattijdig geformuleerde vraag in wezen beoogt de straf-vordering te stremmen en zich dus schuldig maakt aan procesmisbruik, mag hij het verzoek op die grond afwijzen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 16. Het staat aan de rechter te oordelen of het laattijdig formuleren van een verzoek tot voeging van stukken is ingegeven door de wil de strafvordering te stremmen. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevol-gen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 17. Met betrekking tot eisers verzoek tot het voegen van de auditieve opnames van het verhoor van F, E en P, oordelen de appelrechters dat: - zij beschikken over de letterlijke en uitgebreide transcriptie van elk van de getuigenverhoren, waarvan de authenticiteit is bevestigd door een Ameri-kaanse magistraat, terwijl de opnames werden verricht in aanwezigheid van een Belgisch onderzoeksrechter; - het gegeven dat het verhoor correct is weergegeven, is bevestigd door de Amerikaanse magistraat en ook blijkt uit het opgestelde proces-verbaal over de uitvoering van deze drie verhoren; - uit geen enkele vermelding in het gerechtsdossier blijkt dat de auditieve op-names nog bestaan of naar Amerikaans recht bewaard dienden te worden na de transcriptie; - er door de eiser niet wordt betwist dat het F, E en P waren die werden ver-hoord, wiens verklaringen in dezelfde zin gaan en eenduidig in de richting van de eiser wijzen; - eisers verzoek aldus van dilatoire aard is in een poging de rechtsgang te ver-tragen en de verjaring van de vordering te doen intreden. Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat de eiser zich met het voormelde verzoek schuldig maakt aan procesmisbruik. Deze beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek, zoals toe-passelijk vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 mei 2007 en artikel 42, 1°, Strafwetboek: het arrest beveelt de verbeurdverklaring van het voorwerp van de witwasmisdrijven, gepleegd vóór 1 september 2007; ondanks eisers desbetref-fende verweer laten de appelrechters ten onrechte na om, behoudens wat de som van 387,55 euro op eisers geblokkeerde rekening betreft, vast te stellen dat hetzij deze sommen voorafgaandelijk in beslag zijn genomen of geïndividualiseerd zijn, hetzij deze sommen of ermee overeenstemmende bedragen nog te vinden zijn in eisers vermogen. 19. Krachtens artikel 505, derde lid, Strafwetboek, zoals toepasselijk vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 mei 2007, wordt het voorwerp van het mis-drijf witwassen verbeurdverklaard, zelfs als het geen eigendom van de veroor-deelde is, zonder dat die verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt. Die bepaling vereist niet dat aldus verbeurd te verklaren geldsommen vooraf-gaandelijk in beslag zijn genomen of zijn geïndividualiseerd noch dat deze sommen of daarmee overeenstemmende bedragen zich nog in het vermogen van de veroordeelde bevinden. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds verklaart het een bedrag van 2.479.883,68 euro, een bedrag van 901.379,20 USD, een onroerend goed, een voertuig en ef-fecten voor een bedrag van 34.911,38 euro verbeurd en anderzijds zegt het voor recht dat de totale verbeurdverklaring het bedrag van 1.527.963,00 euro en het bedrag van 560.000,00 USD niet mag overstijgen. 21. Het arrest verklaart, eensdeels, een bedrag van 2.479.883,68 euro, een be-drag van 901.379,20 USD, een onroerend goed, een voertuig en effecten voor een bedrag van 34.911,38 euro verbeurd. Het oordeelt, anderdeels, dat bij de ver-volgde misdrijven handelingen zijn vervolgd die betrekking hebben op hetzelfde geld of dezelfde waarden die voorwerp waren van meerdere witwashandelingen, wat maakt dat de totale verbeurdverklaring het bedrag van 1.527.963,00 euro en het bedrag van 560.000,00 USD niet mag overstijgen, omdat anders een dubbel-telling zou worden gerealiseerd. Deze redenen zijn niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 242,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div