id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.6 Rolnummer: P.18.1130.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-02-27 Raadplegingen: 507 - laatst gezien 2026-06-29 10:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 144ter, § 5, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering geen nietigheden kunnen worden opgeworpen; daaruit volgt dat een procespartij niet de onontvankelijkheid van de strafvordering kan opwerpen omdat de federale procureur niet op de in artikel 144ter, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalde wijze heeft beslist de strafvordering te zullen uitoefenen en de strafvordering bijgevolg door de territoriaal bevoegde procureur des Konings had moeten worden ingesteld
(1).
(1)Cass. 20 mei 2014, AR P.14.0746.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.5, AC 2014, nr. 361; het Grondwettelijk Hof heeft met het arrest nr. 49/2013 van 28 maart 2013 de stelling dat die bepaling strijdig zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, omdat bijv. de verdeling tussen de bevoegdheid van procureur des Konings en de arbeidsauditeur wel tot nietigheid kan leiden, op gemotiveerde wijze verworpen. De onmogelijkheid om ter zake nietigheden op te werpen was een bewuste keuze van de wetgever, waarvoor een duidelijke verantwoording werd gegeven (Parl. St. Kamer, 2000-2001, DOC 50-0897/004, p. 6) en waarbij geoordeeld werd dat het hier gaat om een kwestie van wettelijke taakverdeling tussen de verschillende entiteiten van het openbaar ministerie. AW Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Bevoegdheidsverdeling tussen procureur des Konings, procureur-generaal en federale procureur - Uitwerking Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1130.N S M J R E, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 2 oktober
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 144ter, § 3, Gerechtelijk Wet-boek, artikel 47 Wetboek van Strafvordering en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafvorde-ring ontvankelijk werd ingesteld door de federale procureur; op het tijdstip dat hij de onderzoeksrechter heeft gevorderd, bestond er nog geen door artikel 144ter, § 3, Gerechtelijk Wetboek bedoelde beslissing van de federale procureur om zich met de zaak te gelasten; die beslissing werd pas achteraf genomen; het arrest past artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering ten on-rechte op deze onregelmatigheid toe; die onregelmatigheid houdt immers geen verband met bewijsverkrijging, maar wel met de ontvankelijkheid van de straf-vordering.
- Artikel 144ter, § 5, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat inzake de bevoegd-heidsverdeling tussen de procureur des Konings en de federale procureur betref-fende de uitoefening van de strafvordering geen nietigheden kunnen worden op-geworpen. Daaruit volgt dat een procespartij niet de onontvankelijkheid van de strafvorde-ring kan opwerpen omdat de federale procedure niet op de in artikel 144ter, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalde wijze heeft beslist de strafvordering te zullen uitoefenen en de strafvordering bijgevolg door de territoriaal bevoegde procu-reur des Konings had moeten worden ingesteld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor zover het middel de toepassing bekritiseert van artikel 32 Vooraf-gaande Titel Wetboek van Strafvordering door het arrest, is het gericht tegen overtollige redenen en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd, wat gelijk staat met een afwezigheid van redenen; het arrest oordeelt enerzijds dat het bij de beoordeling van de schuld van de eiseres aan de telastlegging G2 niet steunt op de e-mails verstuurd van en naar het e-mailadres c.d@gmail.com (p. 24-25); het verwijst anderzijds bij de beoordeling van de schuld van de eiseres aan die telastlegging G2 naar de processen-verbaal 020683/2011 van 24 mei 2011 en 033263/2011 van 2 september 2011 (p. 35-36); deze processen-verbaal, zijnde stukken waarop het Hof wel vermag acht te slaan, houden een analyse in van de e-mails onder meer verstuurd van en naar het voormelde e-mailadres en een verhoor van C D waarbij hij met deze e-mails wordt geconfronteerd.
- De in het middel vermelde processen-verbaal zijn geen stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en de inhoud ervan is niet opgenomen in stukken waar-op het Hof wel vermag acht te slaan. Aldus verplicht het middel tot een onder-zoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 189,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div