id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190301.2 Rolnummer: C.18.0129.N Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2019-03-21 Raadplegingen: 1053 - laatst gezien 2026-06-29 07:39 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190301.2 Fiche 1 Gelet op de bestaansreden van deze bepaling, moet artikel 1326 Burgerlijk Wetboek niet worden nageleefd wanneer de eenzijdige verbintenis is neergelegd in een overeenkomst waarbij de bepalingen van artikel 1325 Burgerlijk Wetboek werden nageleefd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VORM Vrije woorden: Vormvereiste - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1326 Fiche 2 Wanneer de appelrechter de beslissing van de eerste rechter nopens de rechtsplegingsvergoeding hervormt, dient hij zich voor wat betreft de indexering van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd voor de procedure in eerste aanleg, te plaatsen op de datum van de uitspraak door de eerste rechter
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Appelrechter - Hervorming rechtsplegingsvergoeding eerste rechter - Indexering van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd voor de procedure in eerste aanleg - Werking in de tijd - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1017, eerste lid, 1018, 6°, en 1022, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 26-10-2007 - Artt. 2, tweede lid, en 8 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0219.N J.G. eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woon-plaats kiest, tegen
- F.G.
- G.C. verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woon-plaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 27 november
- Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 4 januari 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (...) Tweede middel
- Gelet op de bestaansreden van deze bepaling, moet artikel 1326 Burgerlijk Wetboek niet worden nageleefd wanneer de eenzijdige verbintenis is neergelegd in een overeenkomst waarbij de bepalingen van artikel 1325 Burgerlijk Wetboek werden nageleefd.
- De appelrechter stelt vast dat de overeenkomst van 13 maart 2014 werd opgesteld in zoveel exemplaren als er partijen met tegengestelde belangen waren en elk origineel exemplaar vermeldt hoeveel originele exemplaren werden opge-steld.
- Gelet op deze vaststelling, vermocht de appelrechter op grond van boven-vermelde in de plaats gestelde reden wettig te oordelen dat het geschrift van 13 maart 2014 niet aan de vormvereiste van artikel 1326 Burgerlijk Wetboek diende te voldoen. Het middel dat aanvoert dat de appelrechter ten onrechte heeft aanvaard dat de overeenkomst van 13 maart 2014 tevens wederkerige verbintenissen van de ver-weerders omvat, terwijl dat deze akte slechts eenzijdige verbintenissen van de eiser en Jozef Goven omvat, kan aldus niet tot cassatie leiden en is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. (...) Vierde middel
- Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten. Krachtens artikel 1018, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten deze kosten de rechtsplegingsvergoeding. Krachtens artikel 1022, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechts-plegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij, waarvan de Koning de basis-, minimum- en maximumbedragen vaststelt. Krachtens artikel 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding zijn de basis-, minimum- en maximum bedragen gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden deze bedragen met 10 procent vermeerderd of verminderd. Krachtens artikel 2, tweede lid, van dit besluit worden de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd per aanleg.
- Uit deze bepalingen volgt dat, wanneer de appelrechter de beslissing van de eerste rechter nopens de rechtsplegingsvergoeding hervormt, hij zich voor wat betreft de indexering van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd voor de pro-cedure in eerste aanleg, dient te plaatsen op datum van de uitspraak door de eer-ste rechter.
- Ten tijde van de uitspraak door de eerste rechter, met name op 7 oktober 2015, bedroeg het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 16.500 euro voor in geld waardeerbare vorderingen van meer dan 1.000.000 euro. De appelrechter die de eiser samen met Jozef Goven veroordeelt tot de betaling aan de verweerders van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eer-ste aanleg begroot aan de hand van de indexering geldig vanaf 1 juni 2016 op 18.000 euro, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser gezamenlijk met Jozef Goven veroordeelt tot een rechtsplegingsvergoeding van meer dan 16.500 euro. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Zegt dat er geen aanleiding is tot verwijzing van de zaak. Verwijst de eiser in 9/10 van de kosten en de verweerders in 1/10 ervan. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.213,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2019 uitgesproken door sectie-voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190301.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190301.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190103.2 ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260130.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div