← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190304.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190304.3 Rolnummer: S.15.0051.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-04-24 Raadplegingen: 868 - laatst gezien 2026-06-29 09:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van rechtsmacht, zoals ook opgenomen in artikel 11, eerste lid en tweede lid, a, van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 inzake de immuniteit van rechtsmacht en hun eigendommen volgt dat, wanneer een zaak betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst tussen een andere staat en een natuurlijke persoon en die andere staat zich beroept op de immuniteit van rechtsmacht, deze staat geen beroep kan doen op die immuniteit, tenzij aan een aantal criteria is voldaan waaronder de aanstelling voor het vervullen van bepaalde functies "in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid", hetzij de "acta iure imperii". Thesaurus CAS: IMMUNITEIT Vrije woorden: Immuniteit van de Staten - Immuniteit van rechtsmacht - Draagwijdte - Arbeidsovereenkomst - Uitoefening van bevoegheden van de overheid - Criteria - Gevolg Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Geschil - Immuniteit van de Staten - Immuniteit van rechtsmacht - Draagwijdte - Uitoefening van bevoegheden van de overheid - Criteria - Gevolg Annotaties Publicaties: Recthspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - VAN DEN BERGH, Bart; Noot "Over immuniteit van rechtsmacht en internationaal gewoonterecht." - 2020, nr. 7, p. 625-

  1. Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - VAN DEN BERGH, Bart; Noot "Over immuniteit van rechtsmacht en internationaal gewoonterecht." - 2020, nr. 7, p. 625-
  2. Journal des tribunaux [JT] - DOPAGNE, Frédéric; Note "Le juge belge et l'immunité de juridiction de l'Etat étranger: à propos de l'approche du droit international coutumier." - 2020, n° 6825, p. 581-586 et 595-
  3. Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.15.0051.N VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA, vertegenwoordigd door de "Attor-ney-General of the United States" (vertaald: de Minister van Justitie), "Office of Foreign Litigation" (vertaald: afdeling buitenlandse geschillenvoering), met kan-toor te Washington DC 20005 (Verenigde Staten van Amerika), 1100 L Street NW, Kantoor 11005, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen P.V.N., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 27 juni
  4. Sectievoorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  5. Krachtens het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van rechts-macht zoals ook opgenomen in artikel 11, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 inzake de immuniteit van rechtsmacht en hun eigendommen, kan een staat, tenzij anders overeengekomen tussen de be-trokken staten, geen beroep doen op immuniteit van rechtsmacht ten overstaan van een rechter van een andere staat die voor het overige bevoegd is ter zake van een geding dat betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst tussen de staat en een natuurlijke persoon voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk zijn ver-richt of dienen te worden verricht op het grondgebied van die andere staat. Krachtens datzelfde internationale gewoonterecht, zoals ook opgenomen in arti-kel 11, tweede lid, a, van voormeld verdrag, geldt deze uitzondering op de im-muniteit van rechtsmacht niet wanneer de werknemer is aangesteld voor het ver-vullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de over-heid.
  6. Hieruit volgt dat, wanneer een zaak betrekking heeft op een arbeidsover-eenkomst tussen een andere staat en een natuurlijke persoon en die andere staat zich beroept op de immuniteit van rechtsmacht, deze staat geen beroep kan doen op die immuniteit, tenzij aan een aantal criteria is voldaan waaronder de aanstel-ling voor het vervullen van bepaalde functies "in de uitoefening van bevoegdhe-den van de overheid", hetzij de "acta iure imperii".
  7. De appelrechters stellen vast dat het geschil betrekking heeft op de vergoe-ding die de verweerder vordert ingevolge een betwist ontslag wegens dringende reden van 2 maart
  8. Zij stellen verder vast dat de verweerder in dienst trad als "bediende voor de voorraad" op de ambassade van de eiseres en doorgroeide tot "chef douane en verzending" en dat die functie bestond uit: - verlenen van advies aan het diplomatiek personeel met betrekking tot privile-ges en immuniteiten in bepaalde fiscale aangelegenheden; - opzetten en onderhouden van contacten met lokale functionarissen binnen de Belgische ministeries van Buitenlandse zaken, Financiën en Transport, lucht-havenfunctionarissen, vertegenwoordigers van verzending en verhuisbedrij-ven en transportfunctionarissen binnen het eigen ministerie van Binnenlandse zaken; - voorbereiden van de vereiste formulieren met betrekking tot import- en belas-tingvrijstellingen op aankopen in EU en niet-EU-landen; - adviseren en begeleiden van Amerikaanse werknemers met betrekking tot di-verse aspecten van hun private voertuigen; - controleren welk personeelslid van de ambassade recht heeft op welke num-merplaat diplomatiek, Belgisch, transit, vaststellen van registratie van het voertuig; - teruggeven van onder andere diplomatieke nummerplaten aan de lokale over-heden. Zij verwerpen de door de eiseres ingeroepen immuniteit van rechtsmacht op de volgende gronden: - de vraag rijst of de functies die worden verricht door de verweerder in het ka-der van zijn werkzaamheden op de ambassade wijzen op de uitoefening van de bevoegdheden van de overheid; - de eiseres geeft hierbij uitdrukkelijk aan dat de verweerder wel de documen-ten voorbereidde die betrekking hadden op deze taken, maar niet bevoegd was deze documenten in naam van de eiseres te ondertekenen, vermits "enkel Amerikaanse werknemers waaraan handtekeningbevoegdheid is gedelegeerd, officiële documenten kunnen ondertekenen namens [de eiseres]"; - dit duidelijk maakt dat de functies die door de verweerder in het kader van zijn werkzaamheden op de ambassade verrichtte niet wijzen op de uitoefening van de bevoegdheden van de overheid.
  9. Zij stellen verder vast en oordelen dat: - de uitoefening van de bevoegdheden van de overheid vereist dat de betrokken werknemer de overheid waarvoor hij werkt, kan verbinden; - in de specifieke taakomschrijving van de verweerder er geen enkel element is dat erop wijst dat hij de eiseres kon verbinden; - hij enkel moet adviseren, begeleiden, contacten opzetten en onderhouden; - de eiseres zelf bevestigt dat de verweerder mocht voorbereiden maar niet te-kenen, gezien hij geen Amerikaan is en geen handtekeningsbevoegdheid hem is toegekend; - uit de door de eiseres ter ondersteuning van het ontslag ingeroepen dringende reden zelf blijkt dat de verweerder de eiseres niet kon verbinden en bijgevolg geen taken uitoefende die behoren tot de bevoegdheden van de hem tewerk-stellende overheid, gezien hem verweten wordt een attest te hebben afgele-verd zonder dat hij de bevoegdheid hiertoe had. Zij oordelen aldus dat de verweerder louter voorbereidende handelingen stelde die geen functie uitmaken inzake de uitoefening van bevoegdheden van de over-heid en geven verder te kennen, zonder het hogervermeld criterium van het ge-woonterecht te verengen, dat de afwezigheid van bevoegdheid om de tewerkstel-lende overheid te verbinden en het verwijt zich ten onrechte die bevoegdheid te hebben toegeëigend in concreto uitsluit dat bij de verweerder sprake kon zijn van een uitoefening van de bevoegdheden van die overheid. Zij verantwoorden aldus hun beslissing dat er geen sprake is van de aanstelling tot een functie waarbij daden van uitoefening van de bevoegdheid van de over-heid worden gesteld en dat de immuniteit van rechtsmacht dient te worden ver-worpen, naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 234,57 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en in open-bare rechtszitting van 4 maart 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bij-stand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190304.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220627.3F.8 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220627.3F.8 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240408.3F.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240408.3F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.