id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Wanneer de eerste rechter het verzoek van een appellant om een taalwijziging heeft verworpen en deze laatste in zijn grievenformulier schending aanvoert van de voorschriften betreffende de rechtspleging, dan is daarin de grief tegen de verwerping van het verzoek om een taalwijziging begrepen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Aanvoering van de schending van de voorschriften betreffende de rechtspleging - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 15-06-1935 - Art.
23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Vrije woorden: Verzoek om taalwijziging door de eerste rechter verworpen - Hoger beroep - Grievenformulier - Aanvoering van de schending van de voorschriften betreffende de rechtspleging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 15-06-1935 - Art.
23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1158.N M J A C, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Toon Muysewinkel en mr. Hanne Vanhoof, advocaten bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Leuven van 4 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 68 Wegverkeerswet, artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 210 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering voor de op 22 april 2016 vastgestelde verkeersinbreuken nog niet was ingetreden op 15 februari 2018, dit is de datum van inwerkingtreding van artikel 25 van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersvei-ligheid, waardoor de in artikel 68 Wegverkeerswet bepaalde verjaringstermijn van een jaar naar twee jaar is gebracht; de beweerde stuitingsdaad van 21 april 2017, dit is de datum vermeld op de mededeling van het bevel tot dagvaarding aan het parket te Verviers, werd immers niet uitgevoerd tijdens de oorspronke-lijke verjaringstermijn aangezien het parket te Verviers dat bevel slechts heeft ontvangen op 16 mei 2017; bijgevolg is de laatste stuitingsdaad het opvragen van het strafregister van de eiser op 2 december 2016, dit is meer dan een jaar vóór 15 februari
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de procureur des Konings bij brief van 15 maart 2017 het inlichtingenbulletin van de eiser heeft opgevraagd. Hierdoor werd de verjaring van de strafvordering gestuit bin-nen de oorspronkelijke verjaringstermijn. Op 15 februari 2018 was sedert die stuitingsdatum nog geen jaar verstreken. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvorde-ring: volgens het bestreden vonnis hebben de appelrechters geen rechtsmacht om te oordelen over de beslissing van het beroepen vonnis waarbij eisers verzoek om een taalwijziging werd geweigerd, omdat de eiser in zijn grievenformulier niet duidelijk heeft vermeld dat hij zich met die beslissing niet akkoord kan ver-klaren; de eiser heeft in zijn grievenformulier echter de rubriek "Procedure" aangekruist en daarbij "Schending voorschriften betreffende de rechtspleging" vermeld; aldus heeft hij wel degelijk duidelijk en nauwkeurig verwezen naar de beslissing tot weigering van de gevraagde taalwijziging, te meer daar dit het eni-ge procedurele verweer is dat de eiser voor de politierechtbank heeft gevoerd.
- Krachtens artikel 204 Wetboek van Strafvordering moet de appellant op straffe van verval van het hoger beroep in zijn verzoekschrift of het modelgrie-venformulier nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven opgeven.
- Een grief als bedoeld bij artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de spe-cifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het be-roepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.
- Het staat aan de appelrechter om te bepalen, rekening houdend met de wij-ze waarop de appellant in het verzoekschrift of grievenformulier de grieven heeft vermeld, of de grieven voldoende nauwkeurig zijn opgegeven. Bij die beoorde-ling mag de rechter niet overdreven soepel zijn omdat anders de bedoeling van de wetgever om ondoordachte hogere beroepen te vermijden niet kan worden be-reikt. Hij mag evenmin overdreven formalistisch zijn omdat anders het door ar-tikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter dreigt in het ge-drang te komen. Het Hof gaat na of de rechter uit de door hem gemaakte vast-stellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verant-woord.
- Wanneer de eerste rechter het verzoek van een appellant om een taalwijzi-ging heeft verworpen en deze laatste in zijn grievenformulier schending aanvoert van de voorschriften betreffende de rechtspleging, dan is daarin de grief tegen de verwerping van het verzoek om een taalwijziging begrepen. Bijgevolg kunnen de appelrechters, op grond van de vaststelling dat het grievenformulier niet uit-drukkelijk vermeldt dat het ook tegen die beslissing is gericht, niet wettig beslis-sen dat zij geen rechtsmacht hebben om daarover te oordelen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat ze aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 maart 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Tim-perman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div