id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Hoger beroep - Strafzaken - Grievenformulier of verzoekschrift - Geen formele ondertekening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Hoger beroep - Strafzaken - Grievenformulier of verzoekschrift - Geen formele ondertekening - Gevolg - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 7 Indien het openbaar ministerie in zijn grievenformulier verwijst naar het door de beklaagde ingestelde hoger beroep en ingediende grievenformulier en aangeeft dit hoger beroep te volgen, dan geeft het te kennen dat het binnen de perken van zijn hoger beroep tegen het beroepen vonnis dezelfde grieven aanvoert als de beklaagde; aldus maakt het openbaar ministerie zich die grieven eigen binnen de perken van zijn hoger beroep
(1).
(1)Cass. 18 september 2018, AR P.18.0369.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.8 arrest niet gepubliceerd; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584 met concl. advocaat-generaal WINANTS. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Volgappel van het openbaar ministerie - Verwijzing naar het grievenformulier van de beklaagde - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1222.N F S, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, tegen
- S M, optredend in eigen naam en in naam van O M,
- R M,
- J M, optredende in eigen naam en in naam van I M,
- S M,
- R M,
- M M, optredend in eigen naam en in naam van A M, B M, R M, A M en E M,
- M B, optredend in eigen naam en in naam van A M, B M, R M, A M en E M,
- E M,
- A M,
- S M,
- D L,
- B M,
- N B,
- S M,
- N M,
- S M,
- S M,
- V M,
- S M,
- S M M,
- A M,
- B H, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 22 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verleent akte van de afstand van het hoger beroep van de ver-weerders 6, 7, 8 en
- In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser vervallen omdat zijn grievenformulier niet is ondertekend; de appelrechter kan die sanctie echter niet uitspreken indien geen twijfel erover kan bestaan dat de appellant zich de in het grievenformulier vermelde grieven eigen heeft gemaakt; dit zou getuigen van overdreven formalisme, zeker wanneer de gevolgen van de vervallenverklaring bijzonder ernstig zijn; op grond van de feiten die het vast-stelt, kan het arrest niet wettig oordelen dat de eiser en zijn voormalige raads-man zich de grieven niet eigen hebben gemaakt.
- Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een rede-lijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaar-den mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.
- Volgens artikel 204, eerste lid, tweede zin, Wetboek van Strafvordering wordt het grievenformulier ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat. Uit de tekst van deze bepaling en de algemene economie van de ermee beoogde regeling volgt dat de sanctie op de niet-ondertekening van het grievenformulier in de regel bestaat in het verval van het hoger beroep. Het is immers door de on-dertekening van dat formulier dat de eiser in beroep of zijn raadsman aangeeft dat hij zich de erin vermelde grieven eigen maakt.
- De sanctie van het verval van het hoger beroep is slechts uitzonderlijk niet van toepassing, namelijk indien het op grond van de specifieke feiten van het ge-val vaststaat dat de appellant of zijn raadsman, ondanks het gebrek aan formele ondertekening van het grievenformulier, zich de erin vermelde grieven toch ei-gen heeft gemaakt. De appelrechter oordeelt daarover onaantastbaar, maar het Hof gaat na of hij uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- De voormelde regels hebben een algemene draagwijdte. De toepassing er-van door de appelrechter staat niet in functie van de ernst van de gevolgen van vervallenverklaring van het hoger beroep voor de appellant. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt op grond van de volgende redenen dat de eiser of zijn raadsman zich de in het grievenformulier aangeduide grieven niet eigen hebben gemaakt en de eiser bijgevolg vervallen is van zijn hoger beroep: - het op 3 november 2017 ter griffie neergelegde grievenformulier is niet on-dertekend door de eiser, een advocaat of een andere bijzonder gevolmachtig-de; - de eiser heeft persoonlijk hoger beroep aangetekend tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis ter griffie van de gevangenis op 30 oktober 2017; - op de beroepsakte is vermeld: "De gedetineerde zal uitdrukkelijk de juiste draagwijdte van het aangewende rechtsmiddel mededelen door de bestreden beschikkingen aan te duiden"; - het afgestempelde en door de griffier ondertekende grievenformulier bevat enkel elektronisch aangebrachte vermeldingen, waaronder: "Naam: Julie Nerinckx, advocaat, loco Katrien Van der Straeten, advocaat"; - in de regel heeft het niet ondertekenen van het grievenformulier het verval van het hoger beroep tot gevolg; - de ondertekening van het grievenformulier is een essentiële vormvereiste omdat daardoor de appellant of zijn raadsman te kennen geeft dat hij zich de erin vermelde grieven eigen maakt en vooral daardoor de overige partijen ze-kerheid kunnen verkrijgen wie precies voor welke grieven hoger beroep aan-tekent; - anders dan de eiser aanvoert, bevat de akte van hoger beroep geen verwijzing naar een, laat staan concreet, neergelegd of nog neer te leggen grievenformu-lier; - de loutere, niet handgeschreven vermelding op het grievenformulier van de naam van de advocaat en van de advocaat voor wie het werd neergelegd, ga-randeert geenszins dat de eiser en zijn raadsman zich de grieven eigen hebben gemaakt; - in de gegeven omstandigheden is er geen sprake van een overdreven forma-lisme dat niet te verenigen valt met het recht op toegang tot een rechter zoals geformuleerd door artikel 6.1 EVRM, maar is totaal niet uit te maken door wie het grievenformulier werd neergelegd, wat essentieel is om te kunnen na-gaan of de eiser en zijn toenmalige raadsman zich de grieven eigen hebben gemaakt; - aan deze onduidelijkheid kan niet worden verholpen door het thans, buiten de beroepstermijn, doen oproepen van de bedoelde advocaten, noch door de be-vestiging door de eiser dat het grievenformulier hem eigen is; - ook het feit dat in het grievenformulier de datum van het bestreden vonnis en het notitienummer van het dossier zijn vermeld, kan niet meebrengen dat de identiteit van de indiener van het grievenformulier duidelijk is; - de handtekening van de griffier op het grievenformulier heeft enkel authen-tieke bewijswaarde wat het neerleggen van dat formulier en de datum betreft, maar niet meer. Deze handtekening en dagtekening zijn geen bewijs van wie het grievenformulier heeft ingediend. Het is ook niet aan de griffier, die ove-rigens niet het betreffende grievenformulier heeft opgesteld, om de indiener te wijzen op alle formaliteiten die moeten worden vervuld, a fortiori niet wanneer dit een advocaat is; - ook de verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is niet ter zake dienend gezien de specifieke omstandigheden van het geval, terwijl de zwaarte van de straf geen criterium is om de essenti-ele vormvoorwaarde van de ondertekening van het grievenformulier aan de kant te schuiven. Met die redenen leidt het arrest uit de vastgestelde feiten geen gevolgen af die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aange-nomen, maar verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht der akten: het arrest oordeelt dat er in eisers beroepsakte geen verwijzing staat naar een grievenformulier en miskent zodoende de bewijskracht van die beroepsakte.
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht der akten. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het arrest oordeelt, eensdeels, dat op eisers beroepsakte is vermeld: "De gedetineerde zal uitdrukkelijk de juiste draagwijdte van het aangewende rechts-middel mededelen door de bestreden beschikkingen aan te duiden." Het oordeelt, anderdeels, dat die vermelding geen verwijzing inhoudt naar een grievenformu-lier, meer bepaald naar een concreet neergelegd of nog neer te leggen grieven-formulier. Aldus geeft het arrest geen uitlegging van de bewoordingen van eisers beroepsakte, maar beoordeelt het enkel de juridische gevolgen daarvan. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvor-dering: de appelrechters oordelen dat de schuld van de eiser bij hen niet aanhan-gig is gemaakt door het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen alle be-schikkingen van het beroepen vonnis, maar dat dit hoger beroep hen enkel sai-sine verleent voor de strafmaat; zij leiden dit oordeel af uit het gegeven dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier de rubrieken "1.4 strafmaat" en "1.2 andere" heeft aangekruist, waarbij het in die laatste rubriek zijn "volgap-pel" formuleert als volgt: "Gelet op het aangetekende hoger beroep en het neer-gelegd grievenformulier van [de eiser] volgt het openbaar ministerie het inge-stelde hoger beroep en tekent het, wat deze partij betreft, ook hoger beroep aan wat de lastens hem uitgesproken straffen betreft"; door in zijn grievenformulier te verwijzen naar eisers hoger beroep en grievenformulier, waaronder de aange-kruiste rubriek "1.1 schuldigverklaring", en te verklaren dit hoger beroep te vol-gen, gaf het openbaar ministerie te kennen dat het binnen de perken van zijn ho-ger beroep dezelfde grieven aanvoerde als de eiser; gelet op de feiten die zij vaststellen, kunnen de appelrechters niet wettig oordelen dat zij enkel saisine hebben over de strafmaat.
- Indien het openbaar ministerie in zijn grievenformulier verwijst naar het door de beklaagde ingestelde hoger beroep en ingediende grievenformulier en aangeeft dit hoger beroep te volgen, dan geeft het te kennen dat het binnen de perken van zijn hoger beroep tegen het beroepen vonnis dezelfde grieven aan-voert als de beklaagde. Aldus maakt het openbaar ministerie zich die grieven ei-gen binnen de perken van zijn hoger beroep.
- Wanneer echter het hoger beroep van een beklaagde op grond van artikel 204 Wetboek van Strafvordering vervallen wordt verklaard, zijn de grieven die hij binnen de perken van dat hoger beroep heeft geformuleerd, nooit bij de appel-rechter aanhangig gemaakt. In dat geval heeft de appelrechter evenmin saisine om te oordelen over dezelfde grieven die het openbaar ministerie bij hem aan-hangig heeft gemaakt met een louter volgberoep. Wanneer aldus het hoger be-roep van de beklaagde met betrekking tot zijn schuldigverklaring vervallen is verklaard, het openbaar ministerie diens hoger beroep op dat punt enkel heeft gevolgd en het met betrekking tot de strafmaat een zelfstandig hoger beroep heeft ingesteld, heeft de appelrechter enkel saisine over de strafmaat. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat het openbaar ministerie zich de grieven van de eiser niet eigen kan hebben gemaakt of overgenomen aangezien de eiser of zijn raadslie-den door de niet-ondertekening van hun grievenformulier zelf niet eens te ken-nen hebben gegeven dat zij zich de erin vermelde grieven eigen hebben gemaakt; het oordeelt, anderzijds, dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier met betrekking tot de eiser door het aankruisen van rubriek "1.12 andere" met de vermelding "VOLGAPPEL Gelet op het aangetekende hoger beroep en het neer-gelegd grievenformulier van [de eiser] volgt het openbaar ministerie het inge-stelde hoger beroep en tekent het, wat deze partij betreft, ook hoger beroep aan wat de lastens hem uitgesproken straffen betreft", nauwkeurig heeft bepaald welke grieven tegen het beroepen vonnis worden ingebracht; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd, wat gelijkstaat met een gebrek aan motivering en dus een gebrek aan antwoord op eisers desbetreffende verweer.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest en de op grond daarvan aangevoerde afwezigheid van antwoord op het verweer van de ei-ser zijn geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel van dit middel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 262,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 maart 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231018.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180522.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div