← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.3 Rolnummer: P.19.0137.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-03-12 Raadplegingen: 523 - laatst gezien 2026-06-29 09:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Naast de afwezigheid van de bij artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4°, Wet Strafuitvoering limitatief opgesomde tegenaanwijzingen, is de zekerheid over de identiteit en het land van herkomst van de veroordeelde een noodzakelijke voorwaarde voor zijn voorlopige invrijheidstelling en zijn daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied omdat zonder die gegevens het al dan niet bestaan van tegenaanwijzingen niet kan worden beoordeeld en niet kan worden bepaald naar welk land de veroordeelde dient te worden gerepatrieerd

(1).
(1)Cass. 9 januari 2018, AR P.17.1283.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.6, AC 2018, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsmodaliteiten - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank Wettelijke bepalingen: Wet - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 Het is de strafuitvoeringsrechtbank niet verboden om ingeval van onzekerheid over de identiteit van een veroordeelde een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering af te wijzen; de strafuitvoeringsrechtbank is niet verplicht de zaak voor verdere behandeling in voortzetting te stellen tot wanneer daar zekerheid over bestaat. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Strafuitvoeringsmodaliteiten - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Afwijzing - Onzekerheid over de identiteit van de veroordeelde Wettelijke bepalingen: Wet - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0137.N A M, alias K B, veroordeeld tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 47, § 2, en 54, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis beslist om eisers verzoek tot voorlopige invrijheid-stelling met het oog op verwijdering van het grondgebied af te wijzen, hoewel er nog geen zekerheid is over eisers identiteit en de strafuitvoeringsrechtbank bij-gevolg geen beslissing mocht nemen en de zaak in voortzetting had moeten stel-len tot er daarover zekerheid is en de gevraagde modaliteit kan worden toege-kend.
  4. Artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorlopige invrijheid-stelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering van de veroordeelde kan worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan.
  5. Naast de afwezigheid van de bij artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4°, Wet Strafuit-voering limitatief opgesomde tegenaanwijzingen, is de zekerheid over de identi-teit en het land van herkomst van de veroordeelde een noodzakelijke voorwaarde voor zijn voorlopige invrijheidstelling en zijn daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied. Immers, zonder die gegevens kan het al dan niet bestaan van tegenaanwijzingen niet worden beoordeeld en kan niet bepaald worden naar welk land de veroordeelde dient te worden gerepatrieerd.
  6. Daaruit volgt dat het de strafuitvoeringsrechtbank niet verboden is om ingeval van onzekerheid over de identiteit van een veroordeelde een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering af te wijzen. De strafuitvoeringsrechtbank is niet verplicht de zaak voor verdere behandeling in voortzetting te stellen tot wanneer daar zekerheid over bestaat. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 maart 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.