← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.4 Rolnummer: P.19.0138.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-03-12 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-06-29 09:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche De strafuitvoeringsrechtbank, die onaantastbaar oordeelt over het bestaan van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen om strafuitvoeringsmodaliteiten toe te staan, kan zich uitspreken over het toekennen van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit op basis van de gegevens die beschikbaar zijn op het ogenblik van de behandeling van de zaak; het gegeven dat een bepaalde informatie niet aan de strafuitvoeringsrechtbank is bezorgd, verplicht de rechtbank niet de behandeling van de zaak uit te stellen tot die informatie haar wordt overgemaakt. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek tot het bekomen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Tegenaanwijzingen - Beoordeling - Aard - Grondslag - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 17-05-2006 - Artt. 47, § 1 en 54, § 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0138.N J S, veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Artikel 96, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat voor de veroordeelde cassatieberoep openstaat tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing, de herziening of de herroeping van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten, evenals de overeenkom-stig Titel XI genomen beslissingen. De bijzondere strafuitvoeringsmodaliteit van de uitgaansvergunning die de straf-uitvoeringsrechtbank overeenkomstig artikel 59 Wet Strafuitvoering kan toe-staan, is geen uitvoeringsmodaliteit bepaald in Titel V van de wet, noch een bij-zondere voorwaarde als bedoeld in Titel XI van dezelfde wet. Tegen de beslis-sing over dergelijke bijzondere strafuitvoeringsmodaliteit staat voor de veroor-deelde geen cassatieberoep open. In zoverre gericht tegen de afwijzing van de gevraagde uitgaansvergunningen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 47, § 1 en 54, § 1, Wet Strafuitvoering: de strafuitvoeringsrechtbank kan maar beslissen wanneer ze voldoende geïnformeerd is en alle nuttige en noodzakelijke stukken voorhanden zijn om een reclasseringsplan te toetsen; een externe maatschappelijke enquête ontbreekt, zodat de strafuitvoeringsrechtbank zich niet kon uitspreken over de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht.
  4. Krachtens artikel 54, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering kent de strafuit-voeringsrechtbank de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer zij vast-stelt dat alle wettelijke vastgelegde voorwaarden zijn vervuld en indien de ver-oordeelde zich akkoord verklaart met de opgelegde voorwaarden. Krachtens artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering kunnen de in Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan, die betrekking hebben op 1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde, 2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen, 4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid, 6° de door de veroordeelde geleverde inspan-ningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermo-genssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.
  5. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt onaantastbaar over het bestaan van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen om derge-lijke modaliteiten toe te staan.
  6. Uit deze bepalingen volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank zich kan uit-spreken over het toekennen van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit op basis van de gegevens die beschikbaar zijn op het ogenblik van de behandeling van de zaak. Het gegeven dat een bepaalde informatie niet aan de strafuitvoeringsrecht-bank is bezorgd, verplicht de rechtbank niet de behandeling van de zaak uit te stellen tot die informatie haar wordt overgemaakt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 57 Wet Strafuitvoering: het vonnis motiveert niet waarom het de maximumtermijn voor het opnieuw indienen van een verzoek tot het verkrijgen van de strafuitvoe-ringsmodaliteit van het elektronisch toezicht van één jaar oplegt; omdat het ei-sers verzoek om elektronisch toezicht afwijst, moet de strafuitvoeringsrechtbank motiveren waarom de eiser vanaf 3 februari 2020 een nieuwe aanvraag daartoe mag indienen.
  8. Artikel 57, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat indien de strafuit-voeringsrechtbank de verzochte uitvoeringsmodaliteit niet toekent, zij in haar vonnis de datum bepaalt waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indie-nen. Krachtens het tweede lid van dat artikel mag die termijn niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis, indien de veroordeelde een of meer cor-rectionele gevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedra-gen. Onder voorbehoud van artikel 54, § 2, derde lid, is deze termijn evenwel maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de cor-rectionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt.
  9. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt binnen deze wettelijke grenzen on-aantastbaar deze termijn. Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank niet nader motiveren waarom het de maximumtermijn oplegt voor het indienen van een nieuw verzoek. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 maart 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.