← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2 Rolnummer: P.18.0747.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-03-15 Raadplegingen: 805 - laatst gezien 2026-06-29 10:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Zich als partij gedragen naar de wijsheid van de appelrechters wat de van haar gevorderde rechtsplegingsvergoeding betreft houdt in dat zij die vordering heeft betwist zodat bijgevolg het cassatiemiddel dat daaromtrent geen verweer werd gevoerd niet nieuw en ontvankelijk is

(1).
(1)Zie B. DE GRYSE, "De wijsheid van de rechter" in B. DAUWE, B. DE GRYSE, E. DE GRYSE, B. MAES, K. VAN LINT (eds.), Liber Amicorum Ludovic De Gryse, Gent, Larcier, 2010, 483-490. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Procedure voor de feitenrechter - Gevorderde rechtsplegingsvergoeding - Zich daaromtrent gedragen naar de wijsheid van de appelrechters - Middel afgeleid uit gebrek aan verweer - Gevolg Thesaurus CAS: BERUSTING Vrije woorden: Strafzaken - Zich gedragen naar de wijsheid van de appelrechters - Begrip Fiche 3 De herstelmaatregel beoogt niet de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar strekt ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad
(1).
(1)Zie Cass. 14 mei 2013, AR P.12.1218.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130514.5, AC 2013, nr. 294, met concl. van eerste advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 24 mei 2011, AR P.10.2044.N, AC 2011, nr. 343, met concl. van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelmaatregel - Doel Fiches 4 - 6 Het optreden voor het strafgerecht van een herstelvorderende overheid, die een wettelijke of decretale opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, kan niet worden gelijkgesteld met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering; bij afwezigheid van een wettelijke grondslag kan een beklaagde bijgevolg niet worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een herstelvorderende overheid wiens vordering tegen die beklaagde door de strafrechter wordt ingewilligd, net zoals een herstelvorderende overheid wiens vordering tegen een beklaagde wordt afgewezen, niet kan worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die beklaagde
(1).
(1)Zie Cass. 14 mei 2013, AR P.12.1218.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130514.5, AC 2013, nr. 294, met concl. van eerste advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 24 mei 2011, AR P.10.2044.N, AC 2011, nr. 343, met concl. van advocaat-generaal DUINSLAEGER; P. VANSANT en G. VAN HOORICK, Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2018, Mechelen, Wolters Kluwer, 2018, 947-
  1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Optreden van de herstelvorderende overheid - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Artikel 162bis, Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Procedure voor de feitenrechter - Rechtsplegingsvergoeding aan herstelvorderende overheid wiens vordering tegen de beklaagde door de strafrechter wordt ingewilligd - Uitwerking Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0747.N
  2. B A G M, beklaagde,
  3. K C L, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Sander Kaïret, advocaat bij de balie Gent, tegen STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50 bus 1, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Christian Lemache, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 13 juni
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  5. Het arrest stelt vast dat de feiten van instandhouding onder de telastleggin-gen A en B niet langer strafbaar zijn. In zoverre ook gericht tegen deze beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij ge-brek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 145, 182 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het ar-rest willigt ten onrechte de herstelvordering in voor de omheining in houten pa-len en de draad op de percelen 451B en 443K4, aangezien de eisers daarvoor niet werden vervolgd en er evenmin vrijwillig voor zijn verschenen; de rechter kan slechts kennis nemen van de bij hem aanhangig gemaakte feiten; hij kan het her-stel in de oorspronkelijke staat niet bevelen betreffende feiten waarvoor er geen vervolging is ingesteld; met het oordeel dat uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de houten palen en de draad op andere percelen zouden zijn geplant ter afwerking van de aangelegde parking, miskent het arrest de bewijskracht van de dagvaarding; uit de lezing van de dagvaarding blijkt niet dat er vervolging is in-gesteld voor de omheining in houten palen en de draad.
  7. Voor het door het middel bekritiseerde oordeel verwijst het arrest niet naar de dagvaarding, zodat het dan ook de bewijskracht ervan niet kan miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  8. Het arrest oordeelt niet dat er strafvervolging werd ingesteld betreffende de omheining in houten palen en de draad op de percelen 451B en 443K
  9. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het fei-telijke grondslag.
  10. Het arrest oordeelt dat de herstelvordering wat betreft de omheining door middel van houten palen en een draad niet kan worden ingewilligd in de mate dat die is aangebracht op het perceel 443K
  11. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  12. De herstelvordering moet geënt zijn op de feiten die het voorwerp uitma-ken van een bewezen verklaarde telastlegging. Ze beoogt het herstel van de wet-tigheid naar de toekomst en moet een desgevallend gewijzigde toestand in aan-merking nemen.
  13. De herstelvordering is geënt op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging, zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastlegging. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. De telastlegging waarvoor de eisers schuldig werden verklaard heeft de aanleg van een parking in kiezel en betonnen boordstenen en verlichting op het perceel gelegen te Opglabbeek, Molenweg 177, eerste afdeling, sectie A, nr. 451B tot voorwerp. Het arrest (p. 17) oordeelt dat voor zover de herstelvordering betrekking heeft op het perceel A451B, uit het aanvankelijk proces-verbaal wel degelijk blijkt dat de houten palen en draad werden geplaatst ter afwerking van de aangelegde parking en dus wel degelijk in oorzakelijk verband staan met de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastleggingen A en B en de verwijdering ervan dus deel uitmaakt van het herstel in de vorige toe-stand. Aldus oordeelt het arrest wettig dat de appelrechters kennis konden nemen van de herstelvordering betreffende de omheining met houten palen en draad in zo-verre die werd aangebracht op het perceel gelegen te Opglabbeek, Molenweg 177, eerste afdeling, sectie A, nr. 451B. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds oordeelt het dat zowel het perceel 451B als het perceel 443K4 werden omheind door middel van houten palen en een draad waartussen een beukenhaag werd geplant waardoor het herstel niet kan worden bevolen vermits dit herstel slechts kan worden uitgesproken voor het perceel ge-kend als 1A451B; anderzijds oordeelt het arrest dat deze houten palen en draad in een oorzakelijk verband staan met de wederrechtelijke toestand die het voor-werp uitmaakt van de telastleggingen A en B en de verwijdering ervan deel uit-maakt van het herstel in de vorige toestand; die motieven heffen elkaar op, wat gelijk staat met een totale afwezigheid van motivering; bovendien is het arrest tegenstrijdig door enerzijds te motiveren dat zowel het perceel 451B als het per-ceel 443K4 werden omheind door middel van houten palen en een draad waar-tussen een beukenhaag werd geplant waardoor het herstel niet kan worden bevo-len vermits dit herstel slechts kan worden uitgesproken voor het perceel gekend als 1A451B en anderzijds in het dictum het herstel te bevelen inzonderheid door het verwijderen van de omheining in houten palen en draad.
  16. Het arrest (p. 17-18) oordeelt dat: - waar de eerste rechter enkel het herstel heeft bevolen op het perceel kadas-traal gekend als 1A451B, de verweerder ook het verwijderen vordert van de omheining in houten palen en draad op het perceel kadastraal gekend als 1A443K4; - uit het strafdossier blijkt dat op dit laatste perceel geen parking is aangelegd maar dat zowel de percelen 451B als 443K4 werden omheind door middel van houten palen en een draad waartussen een beukenhaag werd geplant; - ter hoogte van de linker perceelsgrens op het perceel 443K4 een doorgang werd gelaten; - de dagvaarding enkel melding maakt van het perceel kadastraal gekend als 1A451B en zo werd overgeschreven op het hypotheekkantoor; - onder deze omstandigheden het herstel slechts kan worden uitgesproken voor het perceel gekend als 1A451B; - voor zover de herstelvordering betrekking heeft op het perceel 1A451B, wordt opgemerkt dat uit het aanvankelijk proces-verbaal wel degelijk blijkt dat de houten palen en draad werden geplaatst ter afwerking van de aangelegde par-king en deze houten palen en draad wel degelijk in oorzakelijk verband staan met de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastleg-gingen A en B en de verwijdering ervan deel uitmaakt van het herstel in de vorige toestand. Het arrest beveelt het verwijderen van de omheining in houten palen en draad op het perceel kadastraal gekend als 1A451B. Daaruit volgt dat er van een tegenstrijdigheid tussen de redenen van het arrest onderling of tussen de redenen van het arrest en het dictum geen sprake is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wet-boek, alsmede miskenning van het beschikkingsbeginsel en de miskenning van de bewijskracht van akten: door het herstel te bevelen bestaande in het verwijde-ren van de omheining in houten palen en draad op het perceel kadastraal gekend als 1A451B doet het arrest uitspraak over een niet-gevorderde zaak; de verweer-der had immers de verwijdering gevorderd van de omheining in houten palen en draad op de percelen 451B en 443K4; zelfs als er op het perceel 1A451B daad-werkelijk een omheining aanwezig zou zijn, staat vast dat de wegname ervan niet werd gevorderd door de verweerder.
  18. De verweerder blijkt in zijn appelconclusie (p. 10) wel degelijk de verwij-dering van de omheining in houten palen en draad op het perceel 1A451B te heb-ben gevorderd. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van de conclusie van de verweerder en mist het feitelijke grondslag.
  19. De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit die onjuiste lezing en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  20. Het middel voert schending aan van de artikelen 162bis, 194 en 211 Wet-boek van Strafvordering en de artikelen 1022 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het beschikkingsbeginsel: het arrest kent ten onrechte aan de verweerder een rechtsplegingsvergoeding toe voor beide aanleggen; de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur wordt niet vermeld in artikel 162bis Wetboek van Strafvordering als partij die op een rechtsplegingvergoeding kan gerechtigd zijn; de arresten nr. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 van 21 mei 2015 van het Grondwettelijk Hof bevestigen dat in strafzaken het beginsel van de ver-haalbaarheid enkel geldt in de relatie tussen de beklaagde en de burgerlijke par-tij; het arrest kon de eisers niet veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen aangezien die niet was gevorderd door de verweerder en de eerste rechter aan de verweerder geen rechtsplegingvergoeding heeft toegekend. Ontvankelijkheid
  21. De verweerder voert aan dat het middel nieuw is en dus niet ontvankelijk, omdat de eisers in hun appelconclusies geen verweer hebben gevoerd tegen de vordering van de verweerder tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.
  22. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 16 mei 2018 blijkt dat de raadsman van de eisers zich wat de gevorderde rechtsplegingsvergoeding betreft naar de wijsheid van de appelrechters heeft gedragen. Dit houdt in dat de eisers die vordering hebben betwist. Het middel is bijgevolg niet nieuw. De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel wordt verworpen. Gegrondheid
  23. Artikel 162bis Wetboek van Strafvordering beperkt de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken tot de verhoudingen tussen de be-klaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij enerzijds en de burgerlijke partij anderzijds.
  24. De herstelmaatregel beoogt niet de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar strekt ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toe-stand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt ge-schaad. Het optreden voor het strafgerecht van een herstelvorderende overheid, die een wettelijke of decretale opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, kan niet worden gelijkgesteld met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering. Bij afwezigheid van een wettelijke grondslag kan een beklaagde bijgevolg niet worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een her-stelvorderende overheid wiens vordering tegen die beklaagde door de strafrech-ter wordt ingewilligd, net zoals een herstelvorderende overheid wiens vordering tegen een beklaagde wordt afgewezen, niet kan worden veroordeeld tot de beta-ling van een rechtsplegingsvergoeding aan die beklaagde.
  25. Het arrest dat de eisers veroordeelt tot betaling aan de verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.440 euro voor de rechtspleging in hoger beroep, is niet naar recht verant-woord. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers veroordeelt tot betaling aan de verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro voor de pro-cedure in eerste aanleg en van 1.440 euro voor de rechtspleging in hoger beroep. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers tot vier vijfden van de kosten van hun cassatieberoepen. Veroordeelt het Vlaamse Gewest voor de overige kosten. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 304,05 euro waarvan 123,81 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 12 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220914.2F.2 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.169 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130514.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.