← België

K. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2N.5 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.5 Rolnummer: P.18.0298.N Zaak: K. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-03-15 Raadplegingen: 867 - laatst gezien 2026-06-29 11:00 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat de strafrechter stukken uit het debat kan weren op de enkele grond dat ze door een partij werden ingediend buiten de overeenkomstig artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen voor het indienen en het meedelen van conclusies, ook niet indien die stukken zijn gevoegd bij een laattijdig neergelegde of meegedeelde conclusie; de rechter kan stukken wel weren indien die worden neergelegd met dilatoire doeleinden in die zin dat ze niets kunnen bijdragen voor de beslechting van het aanhangige geschil en de betrokken partij aldus een louter dilatoir oogmerk nastreeft dan wel indien het laattijdig indienen van de stukken misbruik van rechtspleging inhoudt omdat dit de goede rechtsbedeling hindert en de rechten van de andere partijen op onrechtmatige wijze aantast. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Stukken ingediend door een partij buiten de conclusietermijnen - Ambtshalve wering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Stukken ingediend door een partij buiten de conclusietermijnen - Ambtshalve wering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - 2019-20, nr. 12, p. 457-

  1. - VAN OVERBEKE, Steven; Noot'Het neerleggen en weren van stukken in het strafproces ten gronde' Tekst van de beslissing Nr. P.18.0298.N A A J G K, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Herman Baron, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen K V B, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8700 Tielt, Hoogstraat 34, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 februari
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Voorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en van de memorie
  3. De verweerster voert aan dat de eiseres het bewijs van aangetekende zending van de memorie aan de verweerster pas op 9 mei 2018 heeft ingediend ter griffie van het Hof, dit is buiten de door artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn van twee maanden volgend op de verklaring van cassatieberoep van 8 maart
  4. De verweerster voert aan dat de eiseres zich ten onrechte op overmacht beroept en wijst erop dat de memorie zelf tijdig door een raadsman werd ondertekend en ingediend ter griffie van het Hof. De verweerster leidt uit dit alles af dat het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk is.
  5. Het laattijdig indienen van het bewijs van verzending van eisers memorie aan de verweerster is zonder relevantie voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wordt bijgevolg verworpen.
  6. Uit artikel 429 Wetboek van Strafvordering volgt voor de vervolgde partij de verplichting zijn memorie, in de mate dat die geen betrekking heeft op de beslissing op de strafvordering, ter kennis te brengen van de tegenpartij en het bewijs van die verzending per aangetekende brief van die memorie in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijn om de memorie in te dienen. Deze vormvereiste is voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid van de memorie.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres op 9 mei 2018, dit is buiten de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee maanden volgend op de verklaring van cassatieberoep van 8 maart 2018, het bewijs van aangetekende zending van de memorie aan de verweerster op 8 mei 2018 heeft ingediend.
  8. De eiseres voert aan dat die laattijdigheid een gevolg is van overmacht omdat haar raadsman haar op 8 mei 2018 om 16 uur heeft meegedeeld zijn mandaat neer te leggen. Met die eigen en door geen enkel stuk gestaafde beweringen maakt de eiseres niet aannemelijk dat zij zich in een overmachtssituatie bevond. In zoverre de memorie van de eiseres betrekking heeft op de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiseres, is ze niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3, 6.1, 6.3 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 152 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging tevens omvattende de eerbiediging van de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak: het arrest weert ten onrechte de op 10 november 2017 neergelegde conclusie en de stukken 24, 25/1 tot en met 25/11 en 26 uit het debat; uit de wetsgeschiedenis van artikel 152 Wetboek van Strafvordering volgt dat het niet mogelijk is om een laattijdig neergelegde conclusie principieel uit te sluiten; indien een partij aanvoert nieuwe en ter zake dienende stukken te hebben ontdekt na het verstrijken van haar laatste conclusietermijn, die zij verwerkt in een conclusie welke zij neerlegt en meedeelt aan de partijen met respect van de reeds bepaalde rechtsdag, dan kan de rechter die conclusie niet uit het debat weren op de grond dat geen ontdekt nieuw of ter zake dienend stuk of feit zoals bepaald in artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering voorligt dat nieuwe besluiten na het verstrijken van de conclusietermijnen rechtvaardigt; de appelrechters stellen niet vast en geen van de andere procespartijen heeft aangevoerd dat die conclusie en stukken om louter dilatoire doeleinden werden neergelegd dan wel om de rechten van andere partijen te miskennen; het arrest is niet naar behoren gemotiveerd omdat de appelrechters niet vaststellen dat de wering van de conclusie de rechten van de betrokken partij niet miskent; die wering is enkel mogelijk na een tegensprekelijk debat en noch uit het arrest noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt een dergelijk debat; ook dit houdt een motiveringsgebrek in; het Hof kan het nieuw en ter zake dienend karakter zelf beoordelen aangezien dat is vermeld in de conclusie; het arrest miskent de bewijskracht van de brieven van de raadsman van de verweerster aangezien het oordeelt dat die brieven de wering vragen van andere stukken dan die welke in die brieven worden vermeld; het arrest stelt vast dat de raadsman van de verweerster op de rechtszitting van 14 november 2017 het verzoek tot wering heeft herhaald, maar die vaststelling is in tegenspraak met de vaststelling in het proces-verbaal van de rechtszitting dat die raadsman de wering vraagt van bepaalde conclusies en stukken neergelegd door de eiseres; door die onduidelijkheid is het arrest niet regelmatig gemotiveerd.
  10. Artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat conclusies die niet zijn neergelegd en meegedeeld vóór het verstrijken van de overeenkomstig het tweede lid bepaalde termijnen, ambtshalve uit het debat worden geweerd. Artikel 152, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt in welke gevallen de conclusies kunnen worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig de eerste paragraaf, tweede lid, bepaalde termijnen en dat de rechter ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen kan vastleggen en een nieuwe rechtsdag kan bepalen.
  11. Noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat de strafrechter stukken uit het debat kan weren op de enkele grond dat ze door een partij werden ingediend buiten de overeenkomstig artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen voor het indienen en het meedelen van conclusies, ook niet indien die stukken zijn gevoegd bij een laattijdig neergelegde of meegedeelde conclusie. De rechter kan stukken wel weren indien die worden neergelegd met dilatoire doeleinden in die zin dat ze niets kunnen bijdragen voor de beslechting van het aanhangige geschil en de betrokken partij aldus een louter dilatoir oogmerk nastreeft dan wel indien het laattijdig indienen van de stukken misbruik van rechtspleging inhoudt omdat dit de goede rechtsbedeling hindert en de rechten van de andere partijen op onrechtmatige wijze aantast.
  12. Het arrest dat de stukken 24, 25/1 tot en met 25/11 en 26 uit het debat weert op grond van artikel 152, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering omdat ze werden neergelegd en meegedeeld buiten de overeenkomstig artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijnen, is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  13. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  14. De onwettigheid van de beslissing over het weren van de vermelde stukken, leidt tot de onwettigheid van de overige beslissingen van het arrest, behoudens wat betreft de beslissing over de ontvankelijkheid en het niet-vervallen verklaren van de hogere beroepen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens wat betreft de beslissing over de ontvankelijkheid en het niet-vervallen verklaren van de hogere beroepen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot een zesde van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 464,58 euro waarvan 274,45 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 12 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.29 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211006.2F.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211027.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.