id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.5 Rolnummer: P.17.1139.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-04-05 Raadplegingen: 587 - laatst gezien 2026-06-29 11:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Voor een geldboete opgelegd krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, Wet van 18 februari 1969 kan als vervangende straf niet het door artikel 69bis Wegverkeerswet bedoelde vervangend rijverbod worden opgelegd, maar enkel de door artikel 40, eerste lid, Strafwetboek bedoelde vervangende gevangenisstraf
(1).
(1)Cass. 10 september 2013, AR P.13.1166.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.3, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Wettigheid - Als vervoersonderneming de bestuurder niet naar behoren te hebben geïnstrueerd en gecontroleerd - Strafbaarstelling - Artikel 2, § 1, eerste lid, Wet van 18 februari 1969 - Veroordeling tot een geldboete en vervangend rijverbod - Artikel 69bis Wegverkeerswet - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 18-02-1969 - Art. 2, § 1, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1969021803 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 40 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet - 16-03-1968 - Art. 69bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 69 - Artikel 69bis Vrije woorden: Als vervoersonderneming de bestuurder niet naar behoren te hebben geïnstrueerd en gecontroleerd - Strafbaarstelling - Artikel 2, § 1, eerste lid, Wet van 18 februari 1969 - Veroordeling tot een geldboete en vervangend rijverbod - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 18-02-1969 - Art. 2, § 1, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1969021803 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 40 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet - 16-03-1968 - Art. 69bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.17.1139.N
- J. P. A.-M. E., beklaagde,
- T. H., beklaagde,
- B. W. A. L., beklaagde,
- TRANSPORT LEYSEELE bvba, met zetel te 8730 Beernem, Tinhout-straat 185, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correc-tionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 25 oktober
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres 4
- De burgerrechtelijk aansprakelijke partij is krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht haar cassatieberoep te laten betekenen aan de par-tijen tegen wie het is gericht.
- Het bestreden vonnis verklaart de eiseres 4 burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete en de kosten van de strafvordering waartoe de eisers 1 en 2 worden veroordeeld, tot de kosten voor haar begroot en tot een bij-drage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res 4 haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. Het cassatieberoep van de eiseres 4 is, in zoverre gericht tegen de beslissing over haar burgerrechtelijke aansprakelijkheid, niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiseres 4
- De eiseres 4 heeft haar memorie niet ter kennis gebracht van het openbaar ministerie bij het appelgerecht, zoals vereist door artikel 429, vierde lid, Wet-boek van Strafvordering. De memorie is voor wat betreft die eiseres 4, niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 76 Gerechtelijk Wetboek: aangezien uit de stukken niet blijkt dat de zeventiende correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, een gespecia-liseerde kamer betreft zoals bedoeld in voormelde wetsbepaling dient het vonnis te worden vernietigd wegens onregelmatige samenstelling.
- Artikel 76, § 2, Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat uit stukken van het strafdossier moet blijken dat de rechtbank die het vonnis uitspreekt een gespe-cialiseerde kamer is in de zin van die wetsbepaling. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
- Het subonderdeel voert schending aan van de artikelen 76 en 78 Gerechte-lijk Wetboek: het bestreden vonnis werd niet uitgesproken door een alleenrecht-sprekend rechter.
- Krachtens artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek neemt ten min-ste één correctionele kamer in het bijzonder kennis van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de be-voegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet be-horen tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Krachtens artikel 78, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bestaan de kamers van de rechtbank van eerste aanleg uit één of uit drie rechters. Krachtens artikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, ontvangt de alleenrecht-sprekende rechter van de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het Insti-tuut voor Gerechtelijke Opleiding. Krachtens artikel 92, § 1, Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank, toegewezen aan een kamer met drie rechters.
- Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de kamer van de recht-bank van eerste aanleg die in hoger beroep kennis neemt van de overtredingen bepaald in artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, steeds bestaat uit drie rechters. Het subonderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede subonderdeel
- Het subonderdeel voert aan dat het bestreden vonnis onwettig niet werd uitgesproken door een rechter die een gespecialiseerde vorming heeft ontvangen van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding; in zoverre wordt aangenomen dat de in artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde strafvorderingen ook kunnen worden gebracht voor een kamer met drie rechters, is er een discri-minatie vast te stellen tussen de rechtsonderhorigen naargelang hun zaak wordt behandeld door een kamer met één dan wel met drie rechters, omdat enkel in het eerste geval die rechter een gespecialiseerde vorming moet ontvangen; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt immers niet dat minstens één van de rechters die het bestreden vonnis hebben uitgesproken de bedoelde vorming heeft genoten. Het subonderdeel verzoekt het Hof volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt art. 78, 4de lid Gerechtelijk Wetboek, zo geïnter-preteerd dat enkel alleenzetelende rechters die zetelen in kamers die kennis ne-men van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aan-gelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerech-ten, een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het instituut voor gerech-telijk opleiding ontvangen, terwijl collegiaal zetelende rechters (rechters in een kamer met 3 rechters) die kennis nemen van dezelfde overtredingen, deze vor-ming niet dienen te ontvangen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?"
- Bij arrest nr. 162/2018 van 22 november 2018 heeft het Grondwettelijk Hof, naar aanleiding van de prejudiciële vraag met een identiek onderwerp, ge-oordeeld: - artikel 78 Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het niet erin voorziet dat, wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, van hetzelfde wetboek bedoelde correctionele kamer uit drie rechters bestaat, één van de rechters een bijzondere opleiding heeft gevolgd of dat één van hen rechter is in de arbeidsrechtbank; - de gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd ten aanzien van alle von-nissen die vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad zijn gewezen in omstandigheden als vermeld in de prejudiciële vraag.
- De handhaving van de gevolgen van artikel 78 Gerechtelijk Wetboek heeft tot gevolg dat de eisers zich niet langer kunnen beroepen op de met het subon-derdeel aangevoerde ongrondwettelijkheid. Het subonderdeel is niet ontvankelijk.
- Het Hof is op grond van artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet ertoe gehouden de prejudiciële vraag te stellen. Derde subonderdeel
- Het subonderdeel voert schending aan van artikel 78 Gerechtelijk Wet-boek: uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat min-stens één van de rechters die het bestreden vonnis hebben uitgesproken de in ar-tikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde vorming heeft genoten, zo-dat, in zoverre wordt aangenomen dat de verplichting om een gespecialiseerde vorming te hebben genoten ook van toepassing is op kamers met drie rechters die kennis nemen van sociaal strafrecht, de kamer die het bestreden vonnis heeft uitgesproken onwettig is samengesteld.
- Het subonderdeel is afgeleid van de met het tweede subonderdeel vergeefs aangevoerde grief en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis beantwoordt ei-sers verweer door enkel te verwijzen naar het beroepen vonnis; het bestreden vonnis beantwoordt aldus niet eisers verweer in de mate dat dit niet werd aange-voerd voor de eerste rechter en dat dit het beroepen vonnis bekritiseert.
- Het bestreden vonnis oordeelt met overname van de redenen van het be-roepen vonnis dat: - de verbalisanten op vrijdag 25 juli 2014 bij controle vaststellen dat de eiser 1 geregeld gebruik maakt van een magneet om correcte registratie van de rijtij-den te verhinderen; - de magneet werd aangetroffen in het voertuig; - de boordcomputer foutmeldingen gaf die aangemaakt worden bij gebruik van een magneet op de kitas en op de kitas wrijfsporen vastgesteld werden; - een en ander blijkt uit de foto's die zich in het dossier bevinden en die op het ogenblik van de feiten werden genomen; - de foto's en de toelichting bij de vaststellingen in een navolgend proces-verbaal van 6 november 2014 vervat zijn, geen afbreuk doet aan hun bewijs-waarde; - de verbalisanten op woensdag 22 oktober 2014 bij controle vaststellen dat de eiser 2 gebruik maakt van een magneet om correcte registratie van de rijtijden te verhinderen; - er geen magneet werd aangetroffen in het voertuig; - de boordcomputer foutmeldingen gaf die aangemaakt worden bij gebruik van een magneet op de kitas en op de kitas wrijfsporen werden vastgesteld; - een en ander blijkt uit de foto's die zich in het dossier bevinden en die op het ogenblik van de feiten werden genomen; - de foto's en de toelichting bij de vaststellingen in een navolgend proces-verbaal van 25 februari 2015 vervat zijn, geen afbreuk doet aan hun bewijs-waarde. Het bestreden vonnis oordeelt verder dat: - de oordeelkundige beslissingen van de eerste rechter voor wat betreft de strafbaarheid, de vaststellingen op 25 juli 2014 ten aanzien van de eiser 1, de vaststellingen op 22 oktober 2014 ten aanzien van de eiser 2, de telastleggin-gen ten aanzien van de eiser 3 aldus door het bestreden vonnis worden bijge-treden; - aldus geantwoord is op alle door de eisers aangereikte middelen in de mate dat zij dienend voorkomen en dat alle overige opwerpingen van de eisers niet van aard zijn om hoger vermelde vaststellingen te ontzenuwen of om hierover anders te beslissen. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat enkel tot staving van dit verweer werd aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - Artikel 40 Strafwetboek; - Artikel 69bis Wegverkeerswet.
- Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 18 februari 1969 betref-fende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten in-zake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, worden de overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straf-fen, onverminderd de eventuele schadevergoeding. Artikel 2, § 1, vijfde lid, van deze wet bepaalt dat de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, toepasselijk zijn op deze overtredingen. Krachtens artikel 40, eerste lid, Strafwetboek kan de geldboete bij gebreke van betaling worden vervangen door een gevangenisstraf, waarvan de duur bij het vonnis of arrest van veroordeling wordt bepaald en die drie maanden niet mag te boven gaan voor hen die wegens wanbedrijf zijn veroordeeld. De vervanging van de onbetaalde geldboete door een rijverbod is een vervangen-de straf die artikel 69bis Wegverkeerswet oplegt voor de overtredingen van die wet of de uitvoeringsbesluiten ervan. Voor een geldboete opgelegd krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, Wet van 18 fe-bruari 1969 kan als vervangende straf niet het door artikel 69bis Wegverkeers-wet bedoelde vervangend rijverbod worden opgelegd, maar enkel de door arti-kel 40, eerste lid, Strafwetboek bedoelde vervangende gevangenisstraf.
- Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser 3 voor de telastlegging D, we-gens een inbreuk op de Verordening (EG) nr. 561/2006 strafbaar gesteld krach-tens artikel 2, § 1, van de voormelde wet van 18 februari 1969, tot een geldboete van 1.000 euro, verhoogd met 50 decimes en aldus gebracht op 6.000 euro, en bepaalt dat die geldboete zal kunnen vervangen worden door een vervangend rij-verbod van 300 dagen. Het bestreden vonnis legt de eiser aldus een onwettige vervangende straf op. Omvang van de cassatie
- De onwettigheid van het opgelegde vervangend rijverbod tast de wettigheid niet aan van de beoordeling van de schuld en van de overige straffen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser 3 veroordeelt tot een ver-vangend rijverbod van 300 dagen voor de telastlegging E. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser 3 tot negentien twintigsten van de kosten en laat de beslis-sing over de overige kosten van zijn cassatieberoep over aan de rechter op ver-wijzing. Veroordeelt de eisers 1, 2 en 4 tot de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdende in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 165,88 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div