← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.6 Rolnummer: P.17.1140.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige Invoerdatum: 2019-04-05 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-06-28 06:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een voorziening in de zin van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegverkeer en Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende tachografen in het wegvervoer kan elk middel zijn dat voor de in die bepalingen bedoelde manipulaties kan worden gebruikt en bestuurderskaarten waarvan de bestuurder van het voertuig geen titularis is, kunnen dergelijk middel uitmaken.; de omstandigheid dat het gebruik van andermans bestuurderskaart als dusdanig strafbaar is gesteld, of dat een dergelijke kaart kan worden ingetrokken of geschorst bij misbruik of dat de bestuurder die de beschikking heeft in zijn voertuig van andermans bestuurderskaart niet is veroordeeld voor fraude met die kaart, belet niet dat het voorhanden hebben van de bestuurderskaart van een ander door de bestuurder in het voertuig een voorziening kan zijn in de zin van de voormelde bepalingen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Vrije woorden: Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 en Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 - Begrip voorziening - Draagwijdte Fiches 2 - 3 Het begrip voorziening in de zin van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegverkeer en Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende tachografen in het wegvervoer is duidelijk en voor geen andere interpretatie vatbaar, zodat de uitlegging van dit begrip niet noodzakelijk is voor de te wijzen beslissing en de prejudiciële vraag bijgevolg niet dient te worden gesteld

(1).
(1)J. GHYSELS en B. VANLERBERGHE, Prejudiciële vragen: de techniek in kaart gebracht, Intersentia, Antwerpen, 2013, p.
  1. Het gaat hier dan om een 'acte clair'. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Hof van Cassatie - Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 en Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 - Begrip voorziening - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Europese Unie - Hof van Cassatie - Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 en Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 - Begrip voorziening - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.17.1140.N
  2. L. P., beklaagde,
  3. FIRST TENT bvba, met zetel te 8000 Brugge, Kolvestraat 22, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correc-tionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 25 oktober
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres 2
  5. De burgerrechtelijk aansprakelijke partij is krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht haar cassatieberoep te laten betekenen aan de par-tijen tegen wie het is gericht.
  6. Het bestreden vonnis verklaart de eiseres 2 burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete en de kosten van de strafvordering waartoe de eiser 1 wordt veroordeeld.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res 2 haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiseres 2
  8. De eiseres 2 heeft haar memorie niet ter kennis gebracht van het openbaar ministerie bij het appelgerecht, zoals vereist door artikel 429, vierde lid, Wet-boek van Strafvordering. De memorie is niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 76 Gerechtelijk Wetboek: aangezien uit de stukken niet blijkt dat de V14 correctionele kamer van de recht-bank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, een gespecialiseerde kamer betreft zoals bedoeld in voormelde wetsbepaling dient het vonnis te wor-den vernietigd wegens onregelmatige samenstelling.
  10. Artikel 76, § 2, Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat uit stukken van het strafdossier moet blijken dat de rechtbank die het vonnis uitspreekt een gespe-cialiseerde kamer is in de zin van die wetsbepaling. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
  11. Het subonderdeel voert schending aan van de artikelen 76 en 78 Gerechte-lijk Wetboek: het bestreden vonnis werd onwettig niet uitgesproken door een al-leenrechtsprekend rechter.
  12. Krachtens artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek neemt ten min-ste één correctionele kamer in het bijzonder kennis van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de be-voegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet be-horen tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Krachtens artikel 78, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bestaan de kamers van de rechtbank van eerste aanleg uit één of uit drie rechters. Krachtens artikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, ontvangt de alleenrecht-sprekende rechter van de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het Insti-tuut voor Gerechtelijke Opleiding. Krachtens artikel 92, § 1, Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank, toegewezen aan een kamer met drie rechters.
  13. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de kamer van de recht-bank van eerste aanleg die in hoger beroep kennis neemt van de overtredingen bepaald in artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, steeds bestaat uit drie rechters. Het subonderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede subonderdeel
  14. Het subonderdeel voert aan dat het bestreden vonnis onwettig niet werd uitgesproken door een rechter die een gespecialiseerde vorming heeft ontvangen van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding; in zoverre wordt aangenomen dat de in artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde strafvorderingen ook kunnen worden gebracht voor een kamer met drie rechters, is er een discri-minatie vast te stellen tussen de rechtsonderhorigen naargelang hun zaak wordt behandeld door een kamer met één dan wel met drie rechters, omdat enkel in het eerste geval die rechter een gespecialiseerde vorming moet ontvangen; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt immers niet dat minstens één van de rechters die het bestreden vonnis hebben uitgesproken de bedoelde vorming heeft genoten. Het subonderdeel verzoekt het Hof volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt art. 78, 4de lid, Gerechte-lijk Wetboek, zo geïnterpreteerd dat enkel alleenzetelende rechters die zetelen in kamers die kennis nemen van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de ar-beidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde over-tredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegd-heid van de arbeidsgerechten, een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het instituut voor gerechtelijk opleiding ontvangen, terwijl collegiaal zetelende rechters (rechters in een kamer met 3 rechters) die kennis nemen van dezelfde overtredingen, deze vorming niet dienen te ontvangen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?"
  15. Het bestreden vonnis vermeldt dat het gewezen werd door de voorzitter X. Stevenaert, en de rechters V. Vanneste en D. Deraeve en dat rechter D. Deraeve de bedoelde opleiding heeft gevolgd. Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  16. De voorgestelde prejudiciële vraag die berust op deze onjuiste lezing, wordt niet gesteld. Derde subonderdeel
  17. Het subonderdeel voert schending aan van de artikel 78 Gerechtelijk Wet-boek: uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat min-stens één van de rechters die het bestreden vonnis hebben uitgesproken de in ar-tikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde vorming heeft genoten, zo-dat, in zoverre wordt aangenomen dat de verplichting om een gespecialiseerde vorming te hebben genoten ook van toepassing is op kamers met drie rechters die kennis nemen van sociaal strafrecht, de kamer die het bestreden vonnis heeft uitgesproken onwettig is samengesteld.
  18. Het bestreden vonnis vermeldt dat het gewezen werd door de voorzitter X. Stevenaert, en de rechters V. Vanneste en D. Deraeve en dat rechter D. Deraeve de bedoelde opleiding heeft gevolgd. Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 15.8 van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (hierna Verorde-ning (EEG) nr. 3821/85) : het bestreden vonnis geeft aan het begrip "voorzie-ning" een onjuiste betekenis; het bestreden vonnis oordeelt onwettig dat een an-dere bestuurderskaart een voorziening is zoals bedoeld in die bepaling, alhoewel met "voorziening" is bedoeld een installatie die de normale werking van de ta-chograaf kan verstoren, zoals magneten of onderbrekers; krachtens artikel 14.4.c Verordening (EEG) nr. 3821/85 wordt het gebruik van andermans bestuurders-kaart trouwens als dusdanig beteugeld zodat het gewone bezit zonder vastgesteld gebruik, zoals hier, geen inbreuk kan zijn op artikel 15.8 Verordening (EEG) nr. 3821/
  20. Ondergeschikt verzoeken de eisers volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Dient art. 15.8 in fine van de verorde-ning 3821/85 en art. 32.3 van de verordening 165/2014 zo te worden uitgelegd dat de loutere aanwezigheid van een andere bestuurderskaart dan deze van de bestuurder van het betrokken voertuig, moet worden aanzien als een voorziening in de zin van de betrokken artikels?"
  21. Artikel 15.8, Verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalt: "Het vervalsen, uitwissen of vernietigen van op het registratieblad, in het con-troleapparaat of op de bestuurderskaart geregistreerde gegevens en van de door het in bijlage I B omschreven controleapparaat afgedrukte documenten is verbo-den. Hetzelfde geldt voor misbruik van het controleapparaat, het registratieblad of de bestuurderskaart waardoor de gegevens of de afgedrukte documenten ver-valst, ontoegankelijk gemaakt of vernietigd kunnen worden. In het voertuig mag geen voorziening aanwezig zijn die voor dergelijk misbruik kan worden aange-wend." Artikel 32.3, van de Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/8 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, bepaalt: "Het is verboden gegevens op het registratieblad, op de tachograaf of op de be-stuurderskaart opgeslagen gegevens, of afdrukken van de tachograaf te verval-sen, te verbergen, uit te wissen of te vernietigen. Manipulatie van de tachograaf, het registratieblad of de bestuurderskaart die kan leiden tot het vervalsen, uit-wissen of vernietigen van de gegevens en/of afgedrukte informatie is verboden. In het voertuig mag geen voorziening aanwezig zijn die met dit doel kan worden gebruikt."
  22. Een voorziening in de zin van die bepalingen kan elk middel zijn dat voor de in die bepalingen bedoelde manipulaties kan worden gebruikt. Bestuurderskaarten waarvan de bestuurder van het voertuig geen titularis is, kunnen dergelijk middel uitmaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. De omstandigheid dat het gebruik van andermans bestuurderskaart als dus-danig strafbaar is gesteld, of dat een dergelijke kaart kan worden ingetrokken of geschorst bij misbruik of dat de bestuurder die de beschikking heeft in zijn voer-tuig van andermans bestuurderskaart niet is veroordeeld voor fraude met die kaart, belet niet dat het voorhanden hebben van de bestuurderskaart van een an-der door de bestuurder in het voertuig een voorziening kan zijn in de zin van de voormelde bepalingen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  24. Het begrip ‘voorziening' in voormelde bepalingen is duidelijk en voor geen andere interpretatie vatbaar. De uitlegging van dit begrip is niet noodzakelijk voor de te wijzen beslissing. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.