← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.7 Rolnummer: P.18.0865.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht - Unierecht Invoerdatum: 2019-04-05 Raadplegingen: 682 - laatst gezien 2026-06-29 01:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Bij arrest nr. 162/2018 van 22 november 2018 heeft het Grondwettelijk Hof, naar aanleiding van een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp geoordeeld dat artikel 78 Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in zoverre het niet erin voorziet dat, wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde correctionele kamer uit drie rechters bestaat, één van de rechters een bijzondere opleiding heeft gevolgd of dat één van hen rechter is in de arbeidsrechtbank en heeft het de gevolgen van die bepaling gehandhaafd ten aanzien van alle vonnissen die vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad zijn gewezen in omstandigheden als vermeld in de prejudiciële vraag; de handhaving van de gevolgen van artikel 78 Gerechtelijk Wetboek heeft tot gevolg dat de beklaagden zich niet langer kunnen beroepen op de met het middel aangevoerde ongrondwettigheid en het Hof is op grond van artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet ertoe gehouden de prejudiciële vraag te stellen

(1).
(1)Cass. 20 februari 2018, AR P.16.1133.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180220.1, AC 2018, nr. 107 met concl. OM; zie ook Cass. 20 februari 2018, AR P. 17.0314.N, AC 2018, nr. 108 met concl. OM; GwH 22 november 2018, nr. 162/
  1. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Rechtbank van eerste aanleg - Correctionele kamer - Correctionele kamer zetelend in beroep - Sociaal strafrecht - Samenstelling - Artikel 78 Gerechtelijk Wetboek - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Uitspraak van het Grondwettelijk Hof over een prejudiciële vraag met identiek onderwerp - Schending - Handhaving van de gevolgen van de geschonden bepalingen - Gevolg - Draagwijdte Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Strafzaken - Rechterlijke organisatie - Rechtbank van eerste aanleg - Correctionele kamer - Correctionele kamer zetelend in beroep - Sociaal strafrecht - Samenstelling - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Uitspraak van het Grondwettelijk Hof over een prejudiciële vraag met identiek onderwerp - Schending - Handhaving van de gevolgen van de geschonden bepalingen - Gevolg - Draagwijdte Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Strafzaken - Rechterlijke organisatie - Rechtbank van eerste aanleg - Correctionele kamer - Correctionele kamer zetelend in beroep - Sociaal strafrecht - Samenstelling - Artikel 78 Gerechtelijk Wetboek - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Uitspraak van het Grondwettelijk Hof over een prejudiciële vraag met identiek onderwerp - Schending - Handhaving van de gevolgen van de geschonden bepalingen - Gevolg - Draagwijdte Fiche 4 Uit de bepalingen van de artikelen 46, 47 en 48 van de Verordening (EU) nr. 165/2014 betreffende tachografen in het wegvervoer volgt dat de bepalingen van de Verordening (EEG) 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer slechts als overgangs- maatregelen blijven gelden voor zover ze zijn vervangen door bepalingen van de Verordening (EU) nr. 165/2014 die uitvoeringshandelingen vereisen; hieruit volgt dat vanaf 2 maart 2016 de aan de beklaagden met de telastleggingen opgedragen verplichtingen zijn vastgesteld in artikel 32.1 Verordening (EU) nr. 165/2014, bepaling die wat betreft deze verplichting als dusdanig geen verdere uitvoering behoeft. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Vrije woorden: Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 - Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 - Intrekking door artikel 47 Verordening (EU) nr. 165/2014 van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 - Toepassing van Verordening (EU) nr. 165/2014 met ingang van 2 maart 2016 - Instandhouding door artikel 46 Verordening (EU) nr. 165/2014 van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 als overgangsmaatregel tot de in de Verordening (EU) nr. 165/2014 genoemde uitvoeringshandelingen van toepassing worden - Telastleggingen vastgesteld in art. 32.1 Verordening (EU) nr. 165/2014 - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0865.N
  2. P. P. E. K., beklaagde,
  3. NEBIM USED TRUCKS bv, met zetel te 6004 Weert (Nederland), Risse-weg 36-38, beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8800 Roeselare, Kolenkaai 4, waar de eisers woon-plaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correc-tionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 mei
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres 2
  5. Het vonnis stelt de eiseres als burgerrechtelijk aansprakelijke partij buiten zake zonder kosten. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet: het bestreden vonnis, dat is uitgesproken door een rechtbank samengesteld uit drie rechters, is niet uitgesproken door een rechter die een gespecialiseerde vorming heeft ontvangen van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding, alhoewel dit wel vereist is voor een alleensprekend rechter die kennis neemt van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten; aldus is een discriminatie vast te stellen tussen de rechtsonderhorigen naargelang hun zaak wordt behandeld door een kamer met één dan wel met drie rechters, omdat enkel in het eerste geval die rechter een gespecialiseerde vorming moet ontvangen; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt immers niet dat minstens één van de rechters die het bestreden vonnis hebben uitgesproken de bedoelde vorming heeft genoten. Het middel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 78, vijfde lid, 92, § 1, eerste lid, en 101, § 2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, aldus uitgelegd dat een kamer met drie rechters van de rechtbank van eerste aanleg die in hoger beroep tegen een von-nis van de politierechtbank kennis neemt van een overtreding van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van ge-noemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, geen gespecialiseerde vorming moeten ontvangen zoals bedoeld in artikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, of niet samengesteld is uit onder meer één rechter in de arbeidsrechtbank, terwijl de al-leensprekende rechter die overeenkomstig artikel 76, § 2, tweede lid, van dit wetboek in een gespecialiseerde kamer van diezelfde rechtbank zetelt om kennis te nemen van dezelfde overtredingen, deze vorming wel dient te ontvangen en de correctionele kamer van het hof van beroep die kennis neemt van dezelfde aange-legenheden, is samengesteld onder meer uit één raadsheer in het arbeidshof, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?"
  7. Bij arrest nr. 162/2018 van 22 november 2018 heeft het Grondwettelijk Hof, naar aanleiding van een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp ge-oordeeld: - artikel 78 Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het niet erin voorziet dat, wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde correctionele kamer uit drie rechters bestaat, één van de rechters een bijzondere opleiding heeft gevolgd of dat één van hen rechter is in de arbeidsrechtbank; - de gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd ten aanzien van alle von-nissen die vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad zijn gewezen in omstandigheden als vermeld in de prejudiciële vraag. De handhaving van de gevolgen van artikel 78 Gerechtelijk Wetboek heeft tot gevolg dat de eisers zich niet langer kunnen beroepen op de met het middel aan-gevoerde ongrondwettelijkheid. Het middel is niet ontvankelijk.
  8. Het Hof is op grond van artikel 26, § 2, eerste lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet ertoe gehouden de prejudiciële vraag te stellen. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 46 en 47 van de Verorde-ning (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 febru-ari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verorde-ning (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Euro-pees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van so-ciale aard voor het wegvervoer (hierna Verordening (EU) nr. 165/2014), artikel 149 Grondwet, artikel 2 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvorde-ring: het bestreden vonnis oordeelt klaarblijkelijk dat de feiten volledig dienen te worden beoordeeld op grond van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (hierna Verordening (EEG) nr. 3821/85), die ook de strafrechtelijk beteugelde handelingen bevatten en dus niet op grond van Verordening (EU) nr. 165/2014; aldus miskent het bestreden vonnis de artikelen 46 en 47 van deze verordening; het bestreden vonnis beant-woordt niet eisers' verweer dat er als dusdanig geen uitvoeringshandelingen no-dig waren, aangezien de van toepassing zijnde bepalingen geen uitvoeringshan-delingen behoefden; het bestreden vonnis miskent het feit dat er op gewezen werd dat er wel degelijk al uitvoeringshandelingen werden genomen.
  10. De eisers worden respectievelijk met de telastleggingen A en B vervolgd om een voertuig onderworpen aan de Verordening (EEG) nr. 3821/85 bestemd voor het vervoer over de weg van personen of goederen in het verkeer op de openbare weg te hebben gebracht en als werkgever of bestuurder niet te hebben toegezien op het juiste gebruik van het controleapparaat en of de bestuurders-kaart indien de bestuurder moet rijden met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage 1 beantwoordend controleapparaat. Dit houdt een overtreding in van artikel 13 Verordening (EEG) nr. 3821/
  11. Artikel 47 Verordening (EU) nr.165/2014 bepaalt dat de Verordening (EEG) nr. 3821/85 wordt ingetrokken. Artikel 48 Verordening (EU) nr. 165/2014 bepaalt dat deze verordening in wer-king treedt op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, zij onder voorbehoud van de in artikel 46 bedoelde over-gangsmaatregelen van toepassing is met ingang van 2 maart 2016 en de artikelen 24, 34 en 45 van toepassing zijn met ingang van 2 maart
  12. Artikel 46 Verordening (EU) nr. 165/2014 bepaalt dat zolang de in deze verorde-ning genoemde uitvoeringshandelingen niet zijn vastgesteld en zij niet voor de uitvoering van deze verordening kunnen worden toegepast, de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3821/85 en in bijlage IB daarvan, als overgangsmaatregel van toepassing blijven, tot de datum waarop de in de Verordening (EU) nr. 165/2014 genoemde uitvoeringshandelingen van toepassing worden. Hieruit volgt dat de bepalingen van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 slechts als overgangsmaatregelen blijven gelden voor zover ze zijn vervangen door be-palingen van de Verordening (EU) nr. 165/2014 die uitvoeringshandelingen ver-eisen.
  13. Artikel 32.1 Verordening (EU) nr. 165/2014 bepaalt dat vervoersonderne-mingen en bestuurders ervoor zorgen dat digitale tachografen en bestuurders-kaarten correct werken en correct worden gebruikt en dat vervoersondernemin-gen en bestuurders die gebruik maken van analoge tachografen ervoor zorgen dat deze correct werken en dat deze registratiebladen correct worden gebruikt.
  14. Uit het voorgaande volgt dat vanaf 2 maart 2016 de aan de eisers met de te-lastleggingen A en B opgedragen verplichtingen zijn vastgesteld in artikel 32.1 Verordening (EU) nr. 165/2014, bepaling die wat betreft deze verplichting als dusdanig geen verdere uitvoering behoeft. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  15. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de eiseres 2 buiten zake stelt als burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseres 2 tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 157,74 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200609.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180220.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.