← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190322.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190322.1 Rolnummer: F.17.0111.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-04-23 Raadplegingen: 526 - laatst gezien 2026-06-28 06:13 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190322.1 Fiche 1 In het raam van een taxatie op grond van tekenen en indiciën kan de gehele aangroei van het tegoed op een rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap gedurende het belastbaar tijdperk als een indicie van hogere gegoedheid in de zin van artikel 341 WIB92 in aanmerking genomen worden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Begrip - Tegoed op rekening-courant - Aangroei Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 341 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 De omstandigheid dat de belastingplichtige op het einde van het jaar voorafgaand aan het belastbaar tijdperk beschikt over een bedrag aan spaartegoeden dat vervolgens onveranderd blijft tijdens het daaropvolgende belastbaar tijdperk, waarvoor de administratie overgaat tot een taxatie op grond van tekenen en indiciën, houdt niet het tegenbewijs in van de vastgestelde indicie, bestaande in de aangroei van een tegoed op de rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap tijdens dat belastbaar tijdperk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Tegenbewijs - Aangroei van tegoed op rekening-courant Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 341 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.17.0111.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, directeur van het centrum P Leuven, met kantoor te 3001 Leuven (Heverlee), Philipssite 3 A, bus 1, eiser, tegen
  1. L.V.
  2. N.M. verweerders, met als raadsman mr. Willy Huber, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kan-toor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 215, waar de verweerders woonplaats kie-zen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 januari
  3. Procureur-generaal Dirk Thijs heeft op 22 januari 2019 een schriftelijke conclu-sie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  4. De verweerders voeren een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het on-derdeel verduidelijkt niet hoe en waardoor het arrest de als geschonden aange-wezen wetsbepalingen schendt.
  5. Het onderdeel voert op voldoende nauwkeurige wijze aan dat het arrest on-der meer artikel 341 WIB92 schendt door te oordelen dat het in deze bepaling bedoelde tegenbewijs is geleverd "nu spaartegoeden op 31 december 1994 aan-wezig, ook aanwezig geacht kunnen worden op 31 december 1995". De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  6. Krachtens artikel 341, eerste lid, WIB92 mag de raming van de belastbare grondslag, behoudens tegenbewijs, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlij-ke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. In het raam van een taxatie op grond van tekenen en indiciën kan de gehele aan-groei van het tegoed op een rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap gedurende het belastbaar tijdperk als een indicie van hogere ge-goedheid in de zin van artikel 341 WIB92 in aanmerking genomen worden.
  7. Wanneer de administratie de belastbare grondslag overeenkomstig artikel 341 WIB92 heeft vastgesteld volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, moet de belas-tingplichtige, aan de hand van positieve en controleerbare gegevens, aantonen dat die gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar wa-ren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare periode zijn verkregen. De omstandigheid dat de belastingplichtige op het einde van het jaar vooraf-gaand aan het belastbaar tijdperk beschikt over een bedrag aan spaartegoeden dat vervolgens onveranderd blijft tijdens het daaropvolgende belastbaar tijdperk, waarvoor de administratie overgaat tot een taxatie op grond van tekenen en indi-ciën, houdt niet het tegenbewijs in van de vastgestelde indicie, bestaande in de aangroei van een tegoed op de rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap tijdens dat belastbaar tijdperk.
  8. De appelrechter die oordeelt dat de verweerders het tegenbewijs van de vastgestelde indicie, bestaande in de aangroei van een tegoed op hun rekening-courant in de vennootschap tijdens het inkomstenjaar 1995 leveren omdat zij het bewijs leveren van spaartegoeden op 31 december 1994, die ook aanwezig geacht kunnen worden op 31 december 1995, schendt artikel 341 WIB
  9. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  10. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 22 maart 2019 uitgesproken door sectievoorzit-ter Eric Dirix, in aanwezigheid van procureur-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190322.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190322.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.