← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.2 Rolnummer: P.18.1248.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2019-04-05 Raadplegingen: 722 - laatst gezien 2026-06-29 11:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Hoewel het recht van verdediging vereist dat een beklaagde voldoende ingelicht wordt over de hem ten laste gelegde feiten, schrijft geen enkele bepaling voor dat die inlichting alleen kan voortvloeien uit de vordering tot verwijzing, de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding; die inlichting kan mede gegeven worden aan de hand van de stukken van het strafdossier of de conclusie van een burgerlijke partij, waarvan de beklaagde heeft kunnen kennisnemen en waarover hij voor de feitenrechter zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen

(1).
(1)Cass. 23 mei 2001, AR P.01.0218.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.4, AC 2001, nr. 306; Cass. 28 juni 1994, AR P.94.0503.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940628.19, AC 1994, nr. 335. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Beklaagde ingelicht over de hem ten laste gelegde feiten - Wijze - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Beklaagde ingelicht over de hem ten laste gelegde feiten - Wijze - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 Uit artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat, onverminderd de toepassing van het derde lid of vijfde lid van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek, wanneer meerdere burgerlijke partijen in het gelijk zijn gesteld, ieder van hen afzonderlijk recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de beklaagde, ongeacht of zij al dan niet samen met één of meerdere andere in het gelijkgestelde burgerlijke partijen worden bijgestaan door eenzelfde advocaat en ongeacht of zij al dan niet in dezelfde zin hebben geconcludeerd
(1).
(1)Cass. 10 juni 2014, AR P.14.0280.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.3, AC 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Berekening - Strafzaken - Meerdere burgerlijke partijen in het gelijk gesteld Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 162bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Meerdere burgerlijke partijen in het gelijk gesteld - Rechtsplegingsvergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 162bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1248.N C. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Karen Verhuizen, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. P. D. K., burgerlijke partij,
  3. M.-C. V., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 14 november
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM: de appelrechters verklaren zich bevoegd om kennis te nemen van de strafvordering, ondanks een dubbelzinnige en dus onduidelijke telastlegging; het behoort aan de vervolgende instantie om in de inleidende akte de vervolgde feiten af te lijnen en aan te geven voor welke elementen uit het geheel van de strafinformatie vervolging wordt in-gesteld, zowel ter bepaling van de saisine als ter vrijwaring van het recht van verdediging van de beklaagde die niet ertoe gehouden kan zijn om louter aan de hand van het strafdossier na te gaan of veronderstellingen te maken over welke precieze, naar plaats- en tijdsaanduiding geconcretiseerde feiten het gaat of zou gaan.
  6. Hoewel het recht van verdediging vereist dat een beklaagde voldoende in-gelicht wordt over de hem ten laste gelegde feiten, schrijft geen enkele bepaling voor dat die inlichting alleen kan voortvloeien uit de vordering tot verwijzing, de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding. Die inlich-ting kan mede gegeven worden aan de hand van de stukken van het strafdossier of de conclusie van een burgerlijke partij, waarvan de beklaagde heeft kunnen kennisnemen en waarover hij voor de feitenrechter zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM; artikel 14.2 IVBPR en artikel 154 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser schuldig, terwijl uit de stukken onmogelijk de afleiding kan worden gemaakt zoals de appelrechters hebben ge-daan; elke feitelijke grond van schuld ontbreekt en het voorliggend bewijsmate-riaal kan enkel en alleen rechtsgeldig en redelijk à décharge worden geïnterpre-teerd.
  8. Het middel komt geheel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen be-voegdheid heeft, en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 162bis Wetboek van Strafvor-dering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: het arrest kent aan elk van de ver-weerders een rechtsplegingsvergoeding toe, terwijl zij zich hebben laten bijstaan door eenzelfde raadsman en het dan ook betaamt aan hen gezamenlijk één rechtsplegingsvergoeding toe te kennen voor de beide aanleggen.
  10. Artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: - in zijn eerste lid dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij; - in zijn derde lid dat de rechter in de daar bepaalde omstandigheden het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen met een bijzonder ge-motiveerde beschikking; - in zijn vijfde lid dat de rechter het daar bepaalde maximum van de rechtsplegingsvergoeding niet mag overschrijden wanneer meerdere partijen die vergoeding genieten. Uit die bepalingen en uit artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat, onverminderd de toepassing van het vermelde derde lid of vijfde lid, wanneer meerdere burgerlijke partijen in het gelijk zijn gesteld, ieder van hen afzonderlijk recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de be-klaagde, ongeacht of zij al dan niet samen met één of meerdere andere in het ge-lijkgestelde burgerlijke partijen worden bijgestaan door eenzelfde advocaat en ongeacht of zij al dan niet in dezelfde zin hebben geconcludeerd. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Vierde middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grond-wet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer; diverse, aangehaalde en perti-nente elementen van de verdediging opgenomen in een schriftelijke conclusie werden niet behandeld en het arrest motiveert niet waarom het ermee geen reke-ning houdt.
  12. Het middel dat niet preciseert welk verweer het arrest niet beantwoordt, is onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 26 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezig-heid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940628.19 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.