id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.4 Rolnummer: P.19.0219.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-04-05 Raadplegingen: 530 - laatst gezien 2026-06-29 03:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het uit artikel 7.1, tweede zin, EVRM voortvloeiende verbod voor de rechter om een wet die een zwaardere straf bepaalt toe te passen op feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, geldt niet alleen voor wetten die in strafsancties voorzien, maar ook voor wetten die reeds door de rechter opgelegde strafsancties herdefiniëren of wijzigen
(1).
(1)Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0509.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.10, AC 2018, nr. 133 met concl. van advocaat-generaal WINANTS. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Artikel 7.1 - Legaliteitsbeginsel - Niet-retroactiviteit van de strafwet - Draagwijdte Fiches 2 - 3 Artikel 7 EVRM verzet er zich niet tegen dat de strafuitvoeringsrechtbank de toelaatbaarheidsdatum van de voorwaardelijke invrijheidsstelling bepaalt op grond van de wet zoals die van toepassing is op het ogenblik van de beslissing die in uitvoering is; daarmee herdefinieert noch wijzigt de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde straf noch legt zij een zwaardere straf op dan deze die van toepassing was ten tijde van de feiten. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling - Toelaatbaarheidsdatum - Grondslag - Wet van toepassing op het ogenblik van de uitgevoerde beslissing - Gevolg Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Toelaatbaarheidsdatum - Grondslag - Wet van toepassing op het ogenblik van de uitgevoerde beslissing - Verenigbaarheid met artikel 7.1 EVRM Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0219.N J. D. D.V., veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Timperman heeft geconcludeerd. II. PROCEDUREVERLOOP Bij arrest van 26 september 2006 heeft het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant de eiser veroordeeld tot levenslange opsluiting wegens moord. Bij arrest van 30 januari 2007 heeft het Hof eisers cassatieberoep verworpen. Bij arrest van 17 februari 2015 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat artikel 6.1 EVRM is geschonden wegens een gebrek aan motivering van de beslissing van de jury. Bij arrest van 16 juni 2015 heeft het Hof de heropening van de rechtspleging be-volen, zijn arrest van 30 januari 2007 ingetrokken, het arrest van het hof van as-sisen van 26 september 2006 vernietigd in zoverre het uitspraak deed over de strafvordering en de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant, anders samengesteld. Bij arrest van 29 juni 2016 heeft dat hof van assisen de eiser bij verstek veroor-deeld tot levenslange opsluiting. Na het ontvankelijke verzet van de eiser heeft dat hof van assisen hem bij arrest op tegenspraak van 28 april 2017 veroordeeld tot levenslange opsluiting. Bij ar-rest van 24 oktober 2017 heeft het Hof eisers cassatieberoep verworpen. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 442septies, § 1, Wetboek van Strafvordering: de strafuitvoeringsrechtbank verklaart eisers verzoek tot voor-waardelijke invrijheidsstelling niet ontvankelijk omdat hij zich niet in de tijds-voorwaarde bevindt die volgt uit de toepassing van artikel 25, § 2, c, Wet Straf-uitvoering, zoals vervangen bij artikel 4 van de wet van 17 maart 2013 tot wijzi-ging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (hierna Wet 17 maart 2013), in werking getreden op 19 maart 2013; dit artikel 4 verlengt de tijdsvoorwaarde voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling van le-venslang gestraften van tien jaar tot vijftien jaar; door de toepassing ervan geeft de strafuitvoeringsrechtbank aan de levenslange straf die aan de eiser is opge-legd bij het arrest van 28 april 2017 een invulling die zwaarder is dan de invul-ling ervan ten tijde van de vernietigde veroordeling van 26 september
- Krachtens artikel 25, § 2, c, Wet Strafuitvoering, zoals van toepassing van-af 19 maart 2013 ingevolge de wijziging van die bepaling bij artikel 4 Wet 17 maart 2013, wordt de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegekend aan de ver-oordeelde tot een levenslange opsluiting die vijftien jaar van deze straf heeft on-dergaan. In de vorige versie van die bepaling was die tijdsvoorwaarde tien jaar.
- Artikel 442septies, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Het gerecht waarnaar de zaak wordt verwezen, spreekt de beschuldigde of de beklaagde vrij of bevestigt de vernietigde veroordeling, behoudens vermindering van de door deze veroordeling opgelegde straf, indien daartoe grond bestaat."
- Eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft betrekking op de uitvoering van de straf van levenslange opsluiting waartoe hij is veroordeeld bij het arrest van 28 april
- De strafuitvoeringsrechtbank beoordeelt eisers verzoek op grond van artikel 25, § 2, c, Wet Strafuitvoering zoals van toepassing op het moment van dat arrest, dit is in de versie vanaf 19 maart
- Daarmee geeft deze rechtbank aan die straf geen zwaardere invulling dan aan de straf van levenslange opsluiting die aan de eiser was opgelegd bij het vernietigde arrest van 26 september
- De wijziging van de uitvoeringsmodaliteiten van deze straf belet immers niet dat de beide opgelegde straffen gelijk zijn. Het vonnis dat in dezelfde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 2 Strafwet-boek en artikel 25, § 2, c, Wet Strafuitvoering, zoals van toepassing vóór de wij-ziging ervan bij artikel 4 Wet 17 maart 2013: de strafuitvoeringsrechtbank neemt het arrest van 28 april 2017 als temporeel uitgangspunt om de toelaatbaarheids-datum van de voorwaardelijke invrijheidsstelling te bepalen en past zodoende een tijdsvoorwaarde van vijftien jaar toe op grond van artikel 25, § 2, c, Wet Strafuitvoering, zoals van toepassing vanaf 19 maart 2013; deze tijdsvoorwaarde was echter op het tijdstip van de feiten, dit is 25 augustus 2003, tien jaar op grond van artikel 2, tweede lid, 1°, c, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemis-dadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964; die tijdsvoorwaarde is herno-men en tot recht versterkt bij artikel 25, § 2, c, Wet Strafuitvoering zoals van toepassing vóór 19 maart 2013; bijgevolg houdt de wetswijziging van 17 maart 2013, ook al heeft zij betrekking op de strafuitvoering, een aanzienlijke verzwa-ring van eisers detentietoestand in en dient zij te worden aangezien als een her-definiëring of wijziging van de draagwijdte van de levenslange straf; op het moment van het plegen van de feiten kon de eiser die wijziging in de draagwijdte van de straf niet voorzien.
- Artikel 7.1, tweede zin, EVRM bepaalt dat geen zwaardere straf mag wor-den opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
- Het uit die bepaling voortvloeiende verbod voor de rechter om een wet die een zwaardere straf bepaalt toe te passen op feiten gepleegd vóór de inwerking-treding van de nieuwe wet, geldt niet alleen voor wetten die in strafsancties voorzien, maar ook voor wetten die reeds door de rechter opgelegde strafsancties herdefiniëren of wijzigen.
- Het arrest van 28 april 2017 veroordeelt de eiser tot levenslange opsluiting wegens moord. Dit is de straf die artikel 394 Strafwetboek ongewijzigd op dat misdrijf stelt sinds het moment van het plegen van de feiten.
- Op het moment van de feiten was artikel 2, tweede lid, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling van toepassing, dat bepaalde dat een voorwaardelijke invrijheidstelling alleen kon worden ver-leend wanneer de levenslang veroordeelde tien jaar van zijn straf had ondergaan en voldeed aan een aantal andere voorwaarden. Artikel 25, § 2, c, Wet Strafuit-voering, zoals ingevoerd bij de wet van 17 mei 2006, behield die tijdsvoorwaar-de, maar verleende aan de levenslang gestrafte een recht op voorwaardelijke in-vrijheidsstelling mits de strafuitvoeringsrechtbank geen tegenaanwijzingen vast-stelt. Met de wetswijziging van 17 maart 2013 is dat recht behouden, maar de tijdsvoorwaarde verlengd tot vijftien jaar. Die bepalingen wijzigen niet de op het misdrijf gestelde straf, maar enkel de wijze waarop de straf wordt ten uitvoer ge-legd. Zij bepalen immers enkel de tijdsvoorwaarde en de rechtsgrond op grond waarvan de levenslang gestrafte de voorwaardelijke invrijheidsstelling kan ver-krijgen. Die uitvoeringsmodaliteiten waren bovendien voorzienbaar op het mo-ment van het opleggen van de straf van levenslange opsluiting bij het arrest van 28 april
- Daaruit volgt dat artikel 7 EVRM zich niet ertegen verzet dat de strafuit-voeringsrechtbank hier het arrest van 28 april 2017 als temporeel uitgangspunt neemt om de toelaatbaarheidsdatum van de voorwaardelijke invrijheidsstelling te bepalen. Daarmee herdefinieert of wijzigt de strafuitvoeringsrechtbank niet de aan de eiser opgelegde straf en legt zij hem ook geen zwaardere straf op dan deze die van toepassing was ten tijde van de feiten. Het vonnis dat in dezelfde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 21 Wet 17 maart 2013: de strafuitvoeringsrechtbank verklaart eisers verzoek tot voorwaardelijke invrij-heidstelling niet ontvankelijk omdat hij zich niet bevindt in de tijdsvoorwaarde die volgt uit de toepassing van artikel 25, § 2, c, Wet Strafuitvoering, zoals ver-vangen bij artikel 4 Wet 17 maart 2013; de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt dat uit artikel 21 Wet 17 maart 2013 volgt dat de procedureregels die gelden op het ogenblik van de definitieve beslissing, in casu het arrest van 28 april 2017, van toepassing zijn; de initiële veroordeling van de eiser tot levenslange opslui-ting bij het arrest van 26 september 2006 trad in kracht van gewijsde op 30 janu-ari 2007, datum van het arrest waarbij eisers cassatieberoep werd verworpen; vanaf die datum is de toepassing van artikel 25, § 2, c), Wet Strafuitvoering, in de versie van vóór de wetswijziging van 17 maart 2013, voor de eiser een ver-worven recht; de latere heropening van de rechtspleging op eisers verzoek bij ar-rest van het Hof van 16 juni 2015 doet hieraan geen afbreuk en kan niet in het nadeel van de eiser worden uitgelegd; bijgevolg kan de strafuitvoeringsrechtbank geen toepassing maken van de tijdsvoorwaarde voor voorwaardelijke invrij-heidsstelling op grond van artikel 25, § 2, c), Wet Strafuitvoering in de versie van toepassing na de wetswijziging van 17 maart
- Indien het Hof deze interpretatie van artikel 21 Wet 17 maart 2013 niet mogelijk acht, vraagt de eiser in ondergeschikte orde de volgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 21 van de Wet van 17 maart 2013 (tot wijziging van het Gerech-telijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtsposi-tie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten), in samenhang gelezen met artikel 25 § 2 c) van de Wet van 17 mei 2006 (betreffende de externe recht-positie) de artikelen 10, 11 en 12, lid 2 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het EVRM, inzoverre het tot gevolg heeft dat de tijdsvoorwaar-de van vijftien jaar om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheid-stelling wordt toegepast op een persoon die werd veroordeeld tot een levenslan-ge opsluiting voor feiten die zich situeren vóór de inwerkingtreding van de Wet van 17 maart 2013, maar wiens definitieve veroordeling pas in kracht van ge-wijsde trad na de inwerkingtreding van de Wet van 17 maart 2013, terwijl een persoon die tot levenslange opsluiting werd veroordeeld wegens feiten die zich eveneens situeren vóór de inwerkingtreding van de Wet van 17 maart 2013, maar wiens definitieve veroordeling in kracht van gewijsde trad vóór de inwerkingtre-ding van de Wet van 17 maart 2013, reeds aanspraak kan maken op een voor-waardelijke invrijheidstelling na 10 jaar van de straf te hebben ondergaan?" "Schendt artikel 21 van de Wet van 17 maart 2013 (tot wijziging van het Gerech-telijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtsposi-tie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten), in samenhang gelezen met artikel 25 § 2 c) van de Wet van 17 mei 2006 (betreffende de externe recht-positie) en artikel 442 septies § 1 Sv., de artikelen 10, 11 en 12, lid 2 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het EVRM, inzoverre het tot gevolg heeft dat de tijdsvoorwaarde van vijftien jaar om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegepast op een persoon die werd veroordeeld tot een levenslange opsluiting voor feiten die zich situeren vóór de inwerkingtreding van de Wet van 17 maart 2013, wiens initiële veroordeling tot levenslange opsluiting in kracht van gewijsde trad vóór de inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2013, maar wiens veroordeling vervolgens werd vernietigd (in zoverre het uitspraak deed over de strafvordering) en waarbij de rechtsple-ging werd heropend overeenkomstig artikel 442bis e.v. Sv. en die daarna op-nieuw werd veroordeeld tot levenslange opsluiting middels een arrest dat in kracht van gewijsde trad na de inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2013, terwijl een persoon die eveneens feiten pleegde vóór de inwerkingtreding van de Wet van 17 maart 2013, wiens veroordeling tot levenslange opsluiting in kracht van gewijsde trad vóór de inwerkingtreding van de Wet van 17 maart 2013, doch wie geen heropening van de rechtspleging verkreeg, reeds na 10 jaar van de straf te hebben ondergaan, aanspraak kan maken op een voorwaardelijke invrij-heidstelling?"
- Krachtens artikel 21 Wet 17 maart 2013 blijft artikel 25, § 2, c), Wet Strafuitvoering, in zijn versie van toepassing vóór de inwerkingtreding van deze wet, bij wijze van overgangsmaatregel van kracht voor de veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn getreden vóór die inwerkingtreding. Uit die bepaling volgt dat artikel 25, § 2, c), Wet Strafuitvoering, in zijn versie van toepassing na de inwerkingtreding van de Wet 17 maart 2013, van toepas-sing is op eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling.
- Eensdeels is eisers veroordeling bij het arrest van 26 september 2006 onbe-staande ingevolge de vernietiging ervan bij het arrest van het Hof van 16 juni
- Het feit dat die vernietiging volgt op de heropening van de rechtspleging, doet daaraan geen afbreuk. Het arrest van 26 september 2006 doet dan ook voor de eiser geen recht ontstaan op de toepassing van de alsdan geldende strafuitvoe-ringsmodaliteiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Anderdeels berust het feit dat de eiser ingevolge zijn veroordeling op 28 april 2017 valt onder minder gunstige uitvoeringsmodaliteiten met betrekking tot de hem opgelegde straf dan het geval was op het moment van de vernietigde veroordeling van 26 september 2006, niet enkel op het feit dat de rechtspleging is heropend, maar ook op het feit dat de eiser op 28 april 2017 opnieuw werd veroordeeld tot levenslange opsluiting, terwijl het hof van assisen bij het opleg-gen van die straf rekening kon houden met de wijziging van artikel 25, § 2, c, Wet Strafuitvoering bij artikel 4 Wet 17 maart
- Het vonnis dat in dezelfde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De rechtstoestand van een persoon die is veroordeeld tot levenslange op-sluiting bij een arrest dat kracht van gewijsde heeft verkregen vóór de inwer-kingtreding van de Wet 17 maart 2013, is niet vergelijkbaar met de rechtstoe-stand van een persoon die is veroordeeld tot levenslange opsluiting bij een arrest dat kracht van gewijsde heeft verkregen na de inwerkingtreding van die wet. De eerste prejudiciële vraag, die geen betrekking heeft op vergelijkbare rechts-toestanden die verschillend worden behandeld, wordt niet gesteld.
- De tweede prejudiciële vraag verzoekt in wezen niet van het Grondwette-lijk Hof te vernemen of artikel 21 Wet 17 maart 2013 de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, maar wel of het Hof met de uitlegging die het van deze wets-bepaling geeft, die grondwetsartikelen schendt. Het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing een beslissing van het Hof te toetsen aan de voormelde grondwetsartikelen. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 26 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezig-heid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div