id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.6 Rolnummer: P.18.1273.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-04-05 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-06-29 12:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter kan het strafbaar opzet vereist voor het plegen van het misdrijf bepaald in de artikelen 322 en 323 Strafwetboek afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens die aan de tegenspraak van de partijen zijn voorgelegd, zoals de gegevens vermeld in de berichten opgeslagen in een gsm-toestel toebehorende aan een andere beklaagde
(1).
(1)Cass. 20 september 2016, AR P.16.0231.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.6, AC 2016, nr.
- Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Opzet - Vaststelling van het opzet - Draagwijdte Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1273.N H. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 21 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Op de openbare rechtszitting van 19 maart 2019 heeft raadsheer Alain Bloch ver-slag uitgebracht en heeft advocaat-generaal met opdracht Alain Winants gecon-cludeerd. De eiser heeft op 21 maart 2019 ter griffie een door artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is te-genstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de door de politie vergaarde inlichtingen over een voertuig dat gekend was voor drugsgerelateerde praktijken dat geruime tijd geparkeerd stond ter hoogte van kaai 730 en die verwerkt wer-den in het aanvankelijk proces-verbaal niet gebruikt worden als bewijs maar en-kel aanleiding geven tot verder onderzoek; anderzijds betrekt het arrest diezelfde gegevens bij de beoordeling van de schuld.
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat de schuld van de beklaagde bewezen is op grond van de informatie dat een voertuig dat gekend was voor drugsgerelateerde praktijken geruime tijd geparkeerd stond ter hoogte van kaai 730, maar wel op grond van een geheel van feiten waaruit het vermoeden kon worden afgeleid dat een vereniging aan het werk was, die erop gericht was om drugs "uit te halen" van een vracht die was toegekomen in de ha-ven. Het middel dat steunt op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artike-len 322 en 323 Strafwetboek: het arrest antwoordt niet op eisers verweer dat hij het opzet niet had deel uit te maken van een vereniging en niet op de hoogte was van het strafbaar karakter ervan; het arrest kan het strafbaar opzet van de eiser niet bewezen verklaren op grond van berichten in een Blackberry-toestel van een andere beklaagde.
- De rechter kan het strafbaar opzet vereist voor het plegen van het misdrijf bepaald in de artikelen 322 en 323 Strafwetboek afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens die aan de tegenspraak van de partijen zijn voorgelegd, zoals de gegevens vermeld in de berichten opgeslagen in een gsm-toestel toebe-horende aan een andere beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat: - de eiser de bestuurder was van het voertuig dat geïntercepteerd werd ter hoog-te van kaai 730 van de Antwerpse haven; - berichten in het Blackberry-toestel van zijn passagier werden aangetroffen waarin duidelijke afspraken worden gemaakt om vanaf de haven een vracht-wagen te volgen omdat de haven zelf een moeilijke en gevaarlijke plaats is; - de voorafgaande afspraken die uit deze berichten blijken, aantonen dat er sprake was van een goede organisatie zoals blijkt uit het bericht waar gewe-zen wordt op de noodzaak om twee wagens te gebruiken, hetgeen later bij de interceptie is gebleken; - een bierviltje werd gevonden in het verdachte voertuig waarin de eiser werd aangetroffen, met daarop een containernummer van een container afkomstig uit Peru en Panama, ook al werden bij controle van die containers geen drugs aangetroffen. Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat het feit dat eisers aanwezigheid op een plaats die gekend is voor drugvervoer, toevallig was, ongeloofwaardig is, er geen twijfel bestaat over het criminele opzet van de eiser en dat hij deelnam aan een vereniging die de bedoeling had een lading drugs uit te halen. Aldus be-antwoordt het arrest het bedoelde verweer en is de beslissing over eisers opzet regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel preciseert in geen enkel van zijn onderdelen hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre het schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, is het mid-del in zijn beide onderdelen onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en de artikelen 322 en 323 Strafwetboek, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld zoals vervat in de vermelde verdragsbepaling: het arrest houdt bij de beoordeling van eisers schuld aan de ten laste gelegde feiten die plaatsvonden op 10 mei 2012 rekening met feiten die zich anderhalf jaar later voordeden, waarvoor hij op 15 juni 2017 veroordeeld werd en die geen betrekking hebben op de ten laste ge-legde feiten.
- De artikelen 322 en 323 Strafwetboek zijn vreemd aan de grief. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt ook zoals vermeld in het antwoord op het tweede mid-del. Op grond van die redenen die de beslissing over eisers opzet schragen, is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre komt het onderdeel op tegen een overtollige reden, kan het niet leiden tot cassatie en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 322 en 323 Strafwet-boek, alsook miskenning van het begrip feitelijk vermoeden: het arrest houdt bij de beoordeling van eisers schuld aan de ten laste gelegde feiten die plaatsvonden op 10 mei 2012 rekening met feiten die zich anderhalf jaar later voordeden en waarvoor hij op 15 juni 2017 werd veroordeeld; aldus kent het arrest gevolgen toe aan deze veroordeling welke onmogelijk verantwoord kunnen worden.
- De artikelen 322 en 323 Strafwetboek zijn vreemd aan de grief. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt ook zoals vermeld in het antwoord op het tweede mid-del. Op grond van die redenen die de beslissing over eisers opzet schragen, is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre komt het onderdeel op tegen een overtollige reden, kan het niet leiden tot cassatie en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afge-vaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div