id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.2 Rolnummer: C.15.0356.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-05-09 Raadplegingen: 807 - laatst gezien 2026-06-29 08:12 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.2 Fiches 1 - 3 De bepalingen van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen, inzake de procedure van afzetting van een ziekenhuisarts, zijn van dwingend recht in het voordeel van de ziekenhuisarts; de niet-naleving ervan leidt tot de relatieve nietigheid van de afzetting
(1).
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 9 februari 2009, AR C.07.0348.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090209.7, AC 2009, nr.
- Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: Ziekenhuis - Beheerder - Medische Raad - Advies - Ziekenhuisgeneesheer - Afzetting - Dwingende wet - Gevolg Thesaurus CAS: ARTS Vrije woorden: Ziekenhuisgeneesheer - Ziekenhuis - Beheerder - Medische Raad - Advies - Afzetting - Dwingende wet - Gevolg Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Dwingende wet - Ziekenhuis - Beheerder - Medische Raad - Advies - Ziekenhuisgeneesheer - Afzetting - Gevolg Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor gezondheidsrecht [T.Gez.] - DEWALLENS, Filip; Noot "De autonomie van de afzettingsprocedure van ziekenhuisartsen." - 2020-2021, nr. 2, p. 133-
- Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.15.0356.N B.V.G., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen ALGEMEEN ZIEKENHUIS NIKOLAAS vzw, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Moerlandstraat 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woon-plaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 30 juni 2010 en 22 november
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 28 februari 2019 verwe-zen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 28 februari 2019 een schriftelij-ke conclusie neergelegd. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
- De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid van het onder-deel aan in zoverre het gericht is tegen het tussenarrest van 30 juni 2010: de ap-pelrechters hebben in dat arrest alleen standpunt ingenomen over het vraagstuk van de fout, zonder uitspraak te doen over de schadeloosstelling, terwijl de kri-tiek van de eiseres betrekking heeft op de verwerping van haar vordering tot het verkrijgen van een opzeggingsvergoeding.
- Het onderdeel komt op tegen het oordeel van de appelrechters in het tus-senarrest van 30 juni 2010 dat de opzegging als onherroepelijk moet worden be-schouwd en volle uitwerking moet krijgen. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- De bepalingen van de Ziekenhuiswet 1987 inzake de procedure van afzet-ting van een ziekenhuisarts zijn van dwingend recht in het voordeel van de zie-kenhuisarts. De niet-naleving ervan leidt tot de relatieve nietigheid van de afzet-ting.
- De appelrechters stellen vast dat de opzegging door de verweerster van de overeenkomst die zij met de eiseres had gesloten, onregelmatig was. Zij stellen niet vast dat de eiseres de nietigheid van de opzegging heeft gedekt en aan de na-leving van de procedure van afzetting heeft verzaakt. De appelrechters die niettemin oordelen dat "de opzegging d.d. 27 maart 2002 als onherroepelijk moet worden beschouwd en volle uitwerking moet krijgen", dat "de opzeggingstermijn (...) dus ingevolge de opzegging d.d. 27 maart 2002 ingegaan [is] op 1 april 2002 om in de praktijk te eindigen op 30 juni 2003", dat "[de eiseres] (...) na de opzegging d.d. 27 maart 2002, ingaande op 1 april 2002, nog tot en met 30 juni 2003 in dienst [is] gebleven", dat "de wanprestatie van [de verweerster] (...) dus niet voor gevolg [heeft] dat de contractuele opzeg-gingstermijn niet werd geëerbiedigd", zodat "[de eiseres] (...) geen recht [heeft] op een vergoeding voor enige niet-gerespecteerde opzeggingstermijn", verant-woorden hun beslissing tot afwijzing van de gevorderde opzeggingsvergoeding niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 30 juni 2010 in zoverre het oordeelt dat de opzegging van 27 maart 2002 volle uitwerking moet krijgen. Vernietigt het bestreden arrest van 22 november 2013 in zoverre het uitspraak doet over de gevorderde opzeggingsvergoeding en oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeel-telijk vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Alain Smetryns, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Mireille Delange, Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in open-bare rechtszitting van 1 april 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Alain Smetryns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bij-stand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090209.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div