← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.4 Rolnummer: S.15.0096.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-09 Raadplegingen: 636 - laatst gezien 2026-06-29 00:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De door artikel 28, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving gebruikte bewoordingen verhinderen niet dat in geval van gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een vast benoemd personeelslid van het vrij gesubsidieerd onderwijs op vordering van dat personeelslid in het nadeel van de inrichtende macht, uitgesproken op grond van een ernstige contractuele wanprestatie van de inrichtende macht van die aard dat dit personeelslid op grond van die feiten terecht de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de inrichtende macht had kunnen vaststellen, die rechterlijke uitspraak kan worden aangezien als een vonnis of arrest dat de beëindiging door de inrichtende macht van de opdracht van een door haar vast benoemd personeelslid strijdig acht met het Decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, zoals bedoeld in artikel 28, § 2, van de wet van 29 mei 1959, en dat dit personeelslid als een ten onrechte ontslagen personeelslid kan worden aangezien in de zin van die wetsbepaling. Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Onderwijs - Vrij gesubsidieerd onderwijs - Arbeidsovereenkomst - Einde - Gerechtelijke ontbinding - Vordering - Personeelslid - Ernstige contractuele wanprestatie - Onregelmatige beëindiging - Gevolg Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Vrije woorden: Onderwijs - Vrij gesubsidieerd onderwijs - Arbeidsovereenkomst - Gerechtelijke ontbinding - Vordering - Personeelslid - Ernstige contractuele wanprestatie - Onregelmatige beëindiging - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERWIJS Vrije woorden: Vrij gesubsidieerd onderwijs - Arbeidsovereenkomst - Einde - Gerechtelijke ontbinding - Vordering - Personeelslid - Ernstige contractuele wanprestatie - Onregelmatige beëindiging - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.15.0096.N VRIJE BASISSCHOLEN ZEDELGEM vzw, met zetel te 8210 Zedelgem, Groenestraat 29, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest, tegen G.B., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 24 november

  1. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee midde-len aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  2. Overeenkomstig artikel 1, tweede lid, Arbeidsovereenkomstenwet is deze wet ook van toepassing op de personeelsleden van de door het Rijk gesubsidieer-de inrichtingen van het vrij onderwijs wier toestand niet statutair is geregeld. Hieruit volgt dat alhoewel de personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onder-wijs die door de inrichtende macht aangesteld of benoemd zijn op de wijze be-paald in het decreet van de Vlaamse Raad van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding (hierna Decreet Rechtsposi-tie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs), zijn aangesteld of benoemd bij middel van een arbeidsovereenkomst, deze arbeidsovereenkomst nochtans niet wordt beheerst door de Arbeidsovereenkomstenwet.
  3. De appelrechters stellen vast dat de verweerder door de eiseres voltijds en vast werd benoemd als directeur van haar vrije basisschool Zedelgem Dorp.
  4. In zoverre het subonderdeel schending aanvoert van artikel 32 Arbeids-overeenkomstenwet dat op de arbeidsrelatie tussen de partijen geen toepassing vindt, is het niet ontvankelijk.
  5. Overeenkomstig artikel 1184, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is in wederke-rige contracten de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval een van beide partijen haar verbintenissen niet nakomt. Krachtens het tweede lid van voormeld artikel is het contract in dit geval niet van rechtswege ontbonden en heeft de partij jegens wie de verbintenis niet is uit-gevoerd de keuze om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeen-komst te vorderen, met schadevergoeding. Volgens artikel 1184, derde lid, Burgerlijk Wetboek moet de ontbinding in rech-te gevorderd worden en kan aan de verweerder, naargelang de omstandigheden uitstel worden verleend. De rechter kan de vordering tot ontbinding van de overeenkomst ten laste van een partij slechts inwilligen wanneer hij vaststelt dat de contractuele wanpresta-ties die haar worden verweten voldoende ernstig zijn om de ontbinding uit te spreken.
  6. Artikel 28, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige be-palingen van de onderwijswetgeving (hierna Schoolpactwet) bepaalt: "Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij on-derwijs houdende beëindiging of een vermindering van de opdracht van een door haar vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie per-soneelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest de inrichtende macht de salaris-toelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang zij de betrek-king aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst. (...) Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor de inrichtende macht: 1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door de inrichtende macht is hersteld; 2° ofwel indien dezelfde of een andere inrichtende macht het benadeelde perso-neelslid, met zijn akkoord, overneemt; 3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door dezelfde inrichtende macht of een andere inrichtende macht aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aan-vaarden; 4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt. De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening van de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het on-derwijs van het vonnis of arrest (...) aan de inrichtende macht werd toegekend, wordt van deze inrichtende macht teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid. Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Rege-ring bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld."
  7. De door artikel 28, § 2, Schoolpactwet gebruikte bewoordingen verhinde-ren niet dat in geval van gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een vast benoemd personeelslid van het vrij gesubsidieerd onderwijs op vor-dering van dat personeelslid in het nadeel van de inrichtende macht, uitgespro-ken op grond van een ernstige contractuele wanprestatie van de inrichtende macht van die aard dat dit personeelslid op grond van die feiten terecht de onre-gelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de inrichtende macht had kunnen vaststellen, die rechterlijke uitspraak kan worden aangezien als een vonnis of arrest dat de beëindiging door de inrichtende macht van de opdracht van een door haar vast benoemd personeelslid strijdig acht met het Decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, zoals bedoeld in artikel 28, § 2, Schoolpactwet, en dat dit personeelslid als een ten onrechte ontslagen personeelslid kan worden aangezien in de zin van die wetsbepaling. Het subonderdeel dat geheel ervan uitgaat dat in geval van gerechtelijke ontbin-ding van de arbeidsovereenkomst op vordering van een personeelslid van het ge-subsidieerd vrij onderwijs wegens een door de inrichtende macht begane ernstige contractuele wanprestatie, er geen sprake kan zijn van een onrechtmatig ontslag dat aan de werkgever kan worden toegerekend, zodat de in artikel 28, § 2, Schoolpactwet opgenomen verplichting tot doorbetaling van de wedde geen toe-passing kan vinden, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel faalt in zoverre naar recht. Tweede subonderdeel
  8. Anders dan waarvan het subonderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters in het tussenarrest van 27 januari 2014 niet dat de beëindiging van de arbeidsover-eenkomst door gerechtelijke ontbinding op vordering van een personeelslid van het gesubsidieerd vrij onderwijs, een rechtmatige en regelmatige wijze van be-eindiging in de zin van het Decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs en artikel 28, § 2, Schoolpactwet uitmaakt. Het subonderdeel dat op een onjuiste lezing van het arrest van 27 januari 2014 berust, mist feitelijke grondslag. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.279,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Alain Smetryns, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Mireille Delange, Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in open-bare rechtszitting van 1 april 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Alain Smetryns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bij-stand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220221.3 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.