id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190402.2 Rolnummer: P.19.0284.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-04-08 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-06-29 07:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De voorlopige aanhouding bedoeld bij artikel 16 Europees Uitleveringsverdrag, is deze die wordt bevolen bij toepassing van artikel 5 Uitleveringswet 1874 en die een einde neemt wanneer de raadkamer met toepassing van artikel 3, tweede lid, van dezelfde wet het verzoek tot uitlevering en de daarbij horende akten uitvoerbaar verklaart; vanaf dat ogenblik staat de vreemdeling ter beschikking van de uitvoerende macht en is hij met toepassing van die beslissing aangehouden waarbij die aanhouding niet meer voorlopig is in de zin van artikel 16 Europees Uitleveringsverdrag, zodat het vierde lid van dit artikel daarop niet van toepassing is. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Artikel 16 Europees Uitleveringsverdrag - Voorlopige aanhouding - Begrip - Duur Fiches 2 - 4 Het onderzoeksgerecht dat oordeelt over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in het kader van een uitleveringsprocedure oordeelt of de vrijheidsberoving wettig en rechtmatig is en doet geen uitspraak over de vaststelling van een burgerlijk recht noch over de gegrondheid van de strafvordering; dit betekent niet dat er voor dergelijk verzoek geen toegang tot de rechter gewaarborgd is, vermits artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die van zijn vrijheid is beroofd, het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Uitleveringsprocedure - Oordeel over verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Aard Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Oordeel over verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Aard Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Oordeel over verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Aard - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr.P.19.0284.N I. A., vreemdeling, aangehouden met het oog op uitlevering, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 maart 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16.4 Europees Verdrag van 13 december 1957 betreffende uitlevering (hierna Europees Uitleveringsver-drag): het arrest oordeelt dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet in de mogelijkheid is een opportuniteitsoordeel te doen over eisers aanhouding en dat enkel de uitvoerende macht daarover kan beslissen; het vermelde wetsartikel be-paalt uitdrukkelijk dat op ieder ogenblik van de procedure een voorlopige invrij-heidstelling mogelijk is en er maatregelen kunnen worden genomen om de vlucht van de persoon wiens aanhouding is verzocht te voorkomen; aldus blijkt dat ook een opportuniteitscontrole mogelijk is. 2. Artikel 16 Europees Uitleveringsverdrag bepaalt onder meer: "1. In geval van spoed kunnen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Par-tij de voorlopige aanhouding van de gezochte persoon verzoeken; de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij beslissen overeenkomstig haar wet op dit verzoek. 2. Het verzoek om voorlopige aanhouding dient te vermelden dat een van de in artikel 12, tweede lid, onder (
- a)bedoelde stukken aanwezig is en kennis te geven van het voornemen een uitleveringsverzoek te zenden; het vermeldt tevens het strafbare feit waarvoor uitlevering zal worden verzocht, de tijd waarop en de plaats waar het begaan is, alsmede voor zover mogelijk, het signalement van de gezochte persoon. 4. De voorlopige aanhouding kan worden beëindigd, indien de aangezochte Par-tij niet binnen een termijn van 18 dagen na het begin van de aanhouding het uit-leveringsverzoek en de in artikel 12 genoemde stukken ontvangen heeft; de voor-lopige aanhouding mag in geen geval langer duren dan 40 dagen. Voorlopige in-vrijheidstelling is evenwel op ieder ogenblik mogelijk, met dien verstande dat de aangezochte Partij daarbij alle maatregelen dient te nemen, die zij noodzakelijk acht om de vlucht van de persoon wiens aanhouding is verzocht te voorkomen." 3. Artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt dat de uitlevering zal toegestaan worden op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid ver-leend op voorwaarde dat deze akten de feiten duidelijk omschrijven voor dewel-ke ze werden verleend en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden. Artikel 5 Uitleveringswet 1874 bepaalt dat bij onverwijlde spoed de vreemdeling op grond van een der feiten onder artikel 1 van dezelfde wet vermeld, in België kan worden aangehouden op vertoon van een bevel tot aanhouding verleend door de onderzoeksrechter bevoegd voor de plaats waar hij verblijft of kan worden aangetroffen en aanleunend bij een officieel bericht aan de Belgische autoriteiten toegestuurd door de autoriteit van het land waar de vreemdeling veroordeeld of vervolgd is geweest. Het tweede lid van dit artikel bepaalt evenwel dat de vreemdeling terug in vrijheid zal worden gesteld indien hij binnen veertig dagen vanaf zijn aanhouding, geen mededeling heeft ontvangen van het bevel tot aan-houding door de vreemde bevoegde overheid. 4. Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat de voorlopige aanhou-ding bedoeld bij artikel 16 Europees Uitleveringsverdrag, deze is die wordt be-volen bij toepassing van artikel 5 Uitleveringswet 1874 en die een einde neemt wanneer de raadkamer met toepassing van artikel 3, tweede lid, van dezelfde wet het verzoek tot uitlevering en de daarbij horende akten uitvoerbaar verklaart. Vanaf dat ogenblik staat de vreemdeling ter beschikking van de uitvoerende macht en is hij met toepassing van die beslissing aangehouden. Die aanhouding is niet meer voorlopig in de zin van artikel 16 Europees Uitleveringsverdrag, zo-dat het vierde lid van dit artikel daarop niet van toepassing is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie dat de raadkamer bij beschikking van 22 februari 2019 het Russisch uitleveringsverzoek uitvoerbaar heeft verklaard en dat thans een adviesprocedure aanhangig is bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Het leidt hieruit af dat de eiser vanaf die datum definitief is aangehouden in het ka-der van de gevraagde uitlevering en dat het onderzoeksgerecht in het kader van eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling niet kan beslissen over de oppor-tuniteit van de aanhouding. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: met het oordeel dat enkel de uitvoerende macht kan beslissen over de opportuniteit van de aan-houding, ontzegt het arrest aan de eiser de toegang tot een onafhankelijk en on-partijdige rechter. 6. Het onderzoeksgerecht dat oordeelt over een verzoek tot voorlopige invrij-heidstelling in het kader van een uitleveringsprocedure oordeelt of de vrijheids-beroving wettig en rechtmatig is en doet geen uitspraak over de vaststelling van een burgerlijk recht noch over de gegrondheid van de strafvordering. Dit bete-kent niet dat er voor dergelijk verzoek geen toegang tot de rechter gewaarborgd is, vermits artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die van zijn vrijheid is be-roofd, het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 6.1 EVRM wel van toepassing is, faalt naar recht. Tweede middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet eisers in conclusie aangevoerde verweer dat zijn aanhouding on-wettig is, omdat die gebaseerd is op pertinent onjuiste gegevens en omdat het aanhoudingsbevel om louter politieke redenen door Rusland werd uitgevaardigd. 8. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor het onderzoeksgerecht dat geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering, ook al houdt het tegensprekelijk karakter van het debat voor het onderzoeksgerecht in dat dit gerecht moet antwoorden op het door de partijen aangevoerde verweer. In zoverre het middel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht. 9. Met het in het middel weergegeven verweer, beoogde de eiser in werke-lijkheid de opportuniteit van het uitleveringsverzoek te laten toetsen door de ap-pelrechters. 10. Met eigen redenen en met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie oordeelt het arrest dat de beslissing over de opportuniteit van de aanhouding thans bij de uitvoerende macht ligt. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 2 april 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kris-tel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190402.2 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div