← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.1 Rolnummer: P.18.0226.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 676 - laatst gezien 2026-06-29 11:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Noch artikel 6.1 EVRM noch artikel 210 Wetboek van Strafvordering noch het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging verplichten de rechter die op basis van de in de telastlegging gehanteerde omschrijving, samen gelezen met de dossierstukken, de juiste draagwijdte van de aanhangigmaking bepaalt, zonder evenwel de omschrijving van de telastlegging zelf te wijzigen, de partijen uit te nodigen daarover voorafgaandelijk standpunt in te nemen; de draagwijdte van de aanhangigmaking maakt immers altijd het voorwerp uit van het debat en de partijen dienen bij hun verweer daarmee rekening te houden. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Aanhangigmaking - Precisering van de omvang van de aanhangigmaking - Omschrijving van de telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Aanhangigmaking - Precisering van de omvang van de aanhangigmaking - Omschrijving van de telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Aanhangigmaking - Precisering van de omvang van de aanhangigmaking - Omschrijving van de telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0226.N

  1. G B, burgerlijke partij,
  2. SERCK nv, met zetel te 9090 Melle, Gontrode Heirweg 176, burgerlijke partij, eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen Y C M C, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Filip Van Hende, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 februari
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het verweer van de eiseres met betrekking tot de vereiste van be-drieglijk opzet bestaande in het nastreven van onrechtmatige voordelen, name-lijk dat de verweerder niet meer met de eiseres diende samen te werken, hij daar-toe een doelbewuste strategie heeft gevolgd om het opleggen van een ambtshalve maatregel mogelijk te maken, hij veronderstellingen heeft aangewend die door de deskundige niet werden bijgetreden, inbreuken op de overheids- en welzijns-regelgeving werden verdoezeld, er een nieuwe aannemer op de werf kon komen en schadevergoeding aan de eiseres door de provincie kon worden ontlopen; ook de eiser kan zich gelet op zijn samenlopend belang op dit gebrek aan antwoord beroepen; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser met betrekking tot het vereiste bedrieglijk opzet dat de verweerder onrechtmatige voordelen heeft nagestreefd, namelijk het niet moeten invorderen van de schade van de aanspra-kelijke Abetec nv, de invordering door de provincie van meer dan anderhalf mil-joen euro van de eiseres, het verdoezelen van de eigen aansprakelijkheid voor de inbreuk op het koninklijk besluit van 25 januari 2001 inzake asbest en dit ten koste van de arbeiders; ook de eiseres kan zich gelet op haar samenlopend belang op dit gebrek aan antwoord beroepen.
  5. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te om-kleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot sta-ving van een verweer is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
  6. Met de redenen die het bevat, beantwoordt en verwerpt het arrest (p. 13) het verweer van de eisers dat de verweerder heeft gehandeld met het vereiste be-drieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, zonder dat het diende te antwoor-den op de in het middel vermelde argumenten die slechts werden aangevoerd tot staving van dit verweer zonder evenwel een zelfstandig verweer te vormen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 210, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters beslissen ambtshalve dat zij niet gevat zijn met de aangevoerde valsheid in geschriften in zoverre die in de dertien in-gebrekestellingen zelf werd gepleegd voorafgaandelijk aan 22 maart 2007 en die in het proces-verbaal van die datum werden opgenomen en dus zonder dat zij de eisers hebben uitgenodigd zich uit te spreken over deze ambtshalve opgeworpen grief of exceptie; artikel 6.1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging verplichten overigens de rechter om de eisers de gelegenheid te geven standpunt in te nemen over een ambtshalve opgeworpen grief als dit verweer gebeurlijk leidt tot een mogelijke herkwalifica-tie of precisering van de feiten en de betichte periode waarin zij zouden zijn be-gaan, met een aanpassing van de saisine van het strafgerecht tot gevolg en dus de bevoegdheid van de appelrechters, minstens om op burgerlijk vlak wel nog uit-spraak te moeten doen over de burgerlijke rechtsvordering van de eisers.
  8. Noch artikel 6.1 EVRM noch artikel 210 Wetboek van Strafvordering noch het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdedi-ging verplichten de rechter die op basis van de in de telastlegging gehanteerde omschrijving, samen gelezen met de dossierstukken, de juiste draagwijdte van de aanhangigmaking bepaalt, zonder evenwel de omschrijving van de telastlegging zelf te wijzigen, de partijen uit te nodigen daarover voorafgaandelijk standpunt in te nemen. De draagwijdte van de aanhangigmaking maakt immers altijd het voorwerp uit van het debat en de partijen dienen bij hun verweer daarmee reke-ning te houden. Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 194, 195, 196 en 197 Strafwetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Straf-vordering: aangezien de telastlegging volgens de bewoordingen "door valselijk in het proces-verbaal van vaststellingen dd. 22.03.2007 de hierna opgesomde opmerkingen/ingebrekestellingen op te nemen die niet (of niet meer) overeen-stemmen met de werkelijkheid" ook slaat op het feit dat het proces-verbaal van 22 maart 2007 zelf intellectueel vals is door er de opmerkingen en ingebrekestel-lingen opnieuw in op te nemen en ze opnieuw voor waar te doen doorgaan, wan-neer ze dat niet of ondertussen niet meer zijn, is de beslissing dat de appelrech-ters niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de eisers niet naar recht verantwoord; de telastlegging viseert immers het feit dat het proces-verbaal van 22 maart 2007 zelf opnieuw de opmerkingen en ingebrekestellingen opneemt en aldus zelf een nieuw afzonderlijk misdrijf van valsheid in geschriften uitmaakt.
  10. Het staat in politie- en correctionele zaken aan de rechter en dus ook aan de appelrechter om op basis van de omschrijving van de feiten in de verwijzingsbe-slissing van het onderzoeksgerecht of in de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht, gelezen samen met de stukken van het gerechtelijk onderzoek of het opsporingsonderzoek, te bepalen welke de feiten zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolging of daaraan ten grondslag liggen. De rechter oordeelt daar onaantastbaar over.
  11. Met de redenen die het arrest (p 10, drie laatste alinea's, p. 11, twee eerste alinea's) bevat, geeft het te kennen dat de feiten van de valsheid van de ingebre-kestellingen zelf en het gebruik ervan niet behoren tot de aanhangig gemaakte feiten. Het onderdeel dat opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 197 Strafwetboek: de beslis-sing dat de appelrechters niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de burgerlij-ke rechtsvordering van de eisers wegens de vrijspraak van de verweerder is niet naar recht verantwoord; een vrijspraak van de verweerder voor het hem in de pe-riode van de telastlegging verweten gebruik van valsheid in geschriften van de dertien ingebrekestellingen, kan niet steunen op het oordeel dat de dertien inge-brekestellingen als dusdanig niet van valsheid zijn beticht en geen deel uitmaken van de strafbare periode; het feit dat een valsheid werd gepleegd vóór de aan-vang van de incriminatieperiode waarin de valsheid wordt gebruikt, kan als dus-danig de vrijspraak voor het gebruik van dat vals stuk niet verantwoorden.
  13. Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat naar het oordeel van de appelrechters het gebruik van de bedoelde ingebrekestellingen niet bij de rechter aanhangig is. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 194, 195, 196 en 197 Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvor-dering en de artikelen 127, 130 en 179 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende "le criminel tient le civil en état": de beslissing dat de appelrechters niet bevoegd zijn om kennis te ne-men van de burgerlijke rechtsvordering van de eisers wegens de vrijspraak van de verweerder is niet naar recht verantwoord; de appelrechters kunnen hun wet-telijke opdracht niet afschuiven op de burgerlijke rechter, zonder aan te geven waarom er geen sprake is van enige valsheid in geschriften; de appelrechters kunnen zich niet beperken tot het oordeel dat de burgerlijke rechter zal oordelen over de inhoud van het proces-verbaal en de eraan ten grondslag liggende inge-brekestellingen en vaststellingen; daardoor gaan zij ook niet in op het in de con-clusie van de eisers ontwikkelde verweer over de materialiteit van de feiten, be-treffende de onjuistheid van die feiten en het toeschrijven ervan aan de eiseres.
  15. Het arrest oordeelt dat de verweerder niet heeft gehandeld met het vereiste bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Het onderdeel laat na dit oor-deel, dat de bestreden beslissing schraagt, te bekritiseren. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang, niet ont-vankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. V. Kosynsky S. Berneman E. Francis A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 93,91 euro, waarvan 58,91 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 9 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Ko-synsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.