id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.2 Rolnummer: P.18.0525.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 712 - laatst gezien 2026-06-28 22:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 6.6.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ingevoegd door artikel 108 Handhavingsdecreet Omgevingsvergunning met inwerkingtreding op 1 maart 2018 ingevolge artikel 145 van dit decreet en artikel 51, 1°, Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening, bepaalt uitdrukkelijk dat de uitvoering van maatregelen die krachtens deze titel zijn begrepen in een uitvoerbare rechterlijke beslissing nimmer vergunnings- of meldingsplichtig zijn; het principe dat de op vordering van de herstelvorderende overheden door de strafrechter bevolen herstelmaatregelen inzake ruimtelijke ordening niet vergunningsplichtig zijn, werd nochtans ook vóór de inwerkingtreding van deze bepaling algemeen aanvaard want het was en is ondenkbaar dat hij die zich schikt naar een door de strafrechter op vordering van een speciaal daartoe aangewezen publieke overheid bevolen herstelmaatregel, strafbaar zou handelen louter omdat hij niet over een vergunning beschikt
(1).
(1)M. ROOSEMONT, "Ambtshalve uitvoering van afbraakvonnissen en -arresten overeenkomstig artikel 68, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening", TROS 1998, 624-625; S. LUST, "De herstelvordering in het stedenbouwrecht. Een poging tot synthese", TROS 1997 , 251-256; D. D'HOOGHE, "De herstelmaatregelen inzake stedenbouw", RW 1988-89, 1012-1013; P. VANSANT, Zakboekje ruimtelijke ordening 2018, Mechelen, Kluwer, 2017, 880-881. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Artikel 6.6.1, § 1 - Artikel 108 Handhavingsdecreet Omgevingsvergunning - Artikel 51, 1° Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening - Uitvoering van maatregelen begrepen in een uitvoerbare rechterlijke beslissing - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Artikel 6.6.1, § 1 - Artikel 108 Handhavingsdecreet Omgevingsvergunning - Artikel 51, 1° Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening - Uitvoering van maatregelen begrepen in een uitvoerbare rechterlijke beslissing - Draagwijdte - Gevolg Fiche 3 Uit de bepalingen van artikel 1385bis, eerste lid, 1385quater, eerste lid, 1385quinquies, eerste lid en 1395, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, volgt dat de regeling van de dwangsom uitgaat van een strikte taakverdeling tussen de rechter die de dwangsom oplegt, zijnde de dwangsomrechter, en de rechter die moet oordelen over het verbeurd zijn ervan, zijnde de beslagrechter; de dwangsomrechter kan zich niet uitspreken over het verbeurd zijn van de dwangsommen, maar enkel over de onmogelijkheid aan de hoofdveroordeling te voldoen
(1).
(1)Cass 14 november 2008, AR C.05.0421.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.2, AC 2008, nr. 631; Cass. 20 oktober 2008, AR S.07.0059.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.7, AC 2008, nr. 561. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Rechter die de dwangsom oplegt - Bevoegdheid - Verbeuring van de dwangsom - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 6 Volgens artikel 6.1.41, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt de rechter een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelenen en deze termijn vangt aan indien de rechterlijke beslissing waarbij die termijn wordt bepaald, kracht van gewijsde krijgt maar de rechter kan naast de hersteltermijn op grond van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek wat betreft de dwangsom ook een respijttermijn toekennen die ertoe strekt de schuldenaar, desgevallend na het verstrijken van de hersteltermijn, nog enige tijd te geven om de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft; de rechter oordeelt onaantastbaar of hij een respijttermijn toekent en indien de rechter geen respijttermijn verleent, verbeuren de dwangsommen na het verstrijken van de hersteltermijn op voorwaarde dat de beslissing waarbij het herstel onder de verbeurte van een dwangsom werd bevolen, voorafgaandelijk werd betekend, waaruit volgt dat de afwezigheid van de betekening van een in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het herstel onder de verbeurte van een dwangsom werd bevolen, zonder belang is voor het doen ingaan van de hersteltermijn en de herstelplichtige uit die afwezigheid van betekening niet kan afleiden dat de herstelvorderende overheid niet aandringt op een herstel tijdens de hersteltermijn
(1).
(1)Cass. 31 januari 1995, AR P.93.1138.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2, AC 1995, nr. 107; P. VANSANT, Zakboekje ruimtelijke ordening 2018, Mechelen, Kluwer, 2017, 849-
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Artikel 6.1.41 - Uitvoering van de herstelmaatregelen - Toekenning van een hersteltermijn - Draagwijdte - Gevolg Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Artikel 6.1.41 - Uitvoering van de herstelmaatregelen - Dwangsom - Toekenning van een respijttermijn - Verbeuring van de dwangsom - Betekening van de beslissing - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Stedenbouw - Uitvoering van de herstelmaatregelen - Toekenning van een hersteltermijn - Herstel onder verbeurte van de dwangsom - Betekening van de beslissing - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0525.N O J L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wim Goossens, advocaat bij de balie Leuven, tegen
- A V, burgerlijke partij,
- M C, burgerlijke partij,
- STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Diestse-poort 6 bus 91, eiser tot herstel, met als raadsman mr. Philippe Declercq, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3320 Hoegaarden, Gemeenteplein 25, waar de verweerder 3 woonplaats kiest,
- COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN van de GE-MEENTE BEKKEVOORT, met kantoor te 3460 Bekkevoort, Eugeen Coolsstraat 17, eiser tot herstel, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters vermelden in hun arrest niet dat de behandeling van de zaak in openbare rechtszitting is gebeurd, zodat niet kan worden nagegaan of aan deze op straffe van nietigheid voorgeschreven vormregel is voldaan.
- Uit de in het middel vermelde bepalingen volgt niet dat de rechter in het vonnis of arrest noodzakelijk moet vermelden dat de zaak in openbare rechtszit-ting werd behandeld. De naleving van deze pleegvorm kan ook blijken uit het proces-verbaal van de rechtszitting, dat immers tot doel heeft authentiek vast te stellen op welke wijze de rechtszitting is verlopen en of de pleegvormen zijn ge-respecteerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het proces-verbaal van de openbare rechtszitting van 6 maart 2018, waarop de zaak werd behandeld, vermeldt dat het onderzoek heeft plaatsgehad volgens de voorschriften van de artikelen 190 en 210 Wetboek van Strafvordering. Aldus blijkt dat de zaak werd behandeld in openbare rechtszitting. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.6.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 108 en 145 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning (hierna Handhavings-decreet Omgevingsvergunning) en artikel 51 van het besluit van de Vlaamse re-gering van 9 februari 2018 betreffende de handhaving van de ruimtelijke orde-ning en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten (Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening): het arrest verwijst voor het oordeel dat voor het uitvoe-ren van de herstelvordering vanaf 4 januari 2012 geen vergunnings- of mel-dingsplicht bestaat naar artikel 6.6.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, maar die bepaling werd slechts ingevoerd door artikel 108 Handhavingsdecreet Omgevingsvergunning en die bepaling is ingevolge artikel 145 Handhavingsde-creet Omgevingsvergunning en artikel 51 Handhavingsbesluit Ruimtelijke Orde-ning slechts op 1 maart 2018 in werking getreden.
- Artikel 6.6.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ingevoegd door artikel 108 Handhavingsdecreet Omgevingsvergunning met inwerkingtre-ding op 1 maart 2018 ingevolge artikel 145 van dit decreet en artikel 51, 1°, Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening, bepaalt uitdrukkelijk dat de uitvoe-ring van maatregelen die krachtens deze titel zijn begrepen in een uitvoerbare rechterlijke beslissing nimmer vergunnings- of meldingsplichtig zijn. Het prin-cipe dat de op vordering van de herstelvorderende overheden door de strafrechter bevolen herstelmaatregelen inzake ruimtelijke ordening niet vergunningsplichtig zijn, werd nochtans ook vóór de inwerkingtreding van deze bepaling algemeen aanvaard. Het was en is immers ondenkbaar dat hij die zich schikt naar een door de strafrechter op vordering van een speciaal daartoe aangewezen publieke over-heid bevolen herstelmaatregel, strafbaar zou handelen louter omdat hij niet over een vergunning beschikt. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door na te la-ten de correcte wetgeving te vermelden, miskent het arrest de motiveringsplicht; met het oordeel dat er voor de herstelplicht vanaf 2012 geen vergunningsplicht is, terwijl de vermelde bepaling slechts in 2018 in werking is getreden, is het ar-rest intern tegenstrijdig en wordt het geacht niet gemotiveerd te zijn.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden en bijgevolg niet ontvankelijk is. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek: door met verwijzing naar artikel 6.6.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelij-ke Ordening te oordelen dat het niet beschikken over een geldige vergunning geen onmogelijkheid is, laat het arrest na te toetsen of er sprake was van een onmogelijkheid of een putatieve onmogelijkheid; de eiser is van oordeel dat er sprake is van een onmogelijkheid.
- Artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat op vordering van één der partijen de rechter de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Artikel 1385quater, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toekomt aan de partij die de veroordeling heeft ver-kregen en dat deze partij de dwangsom kan ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom kan verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Artikel 1395, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat vorderingen betref-fende middelen tot tenuitvoerlegging voor de beslagrechter worden gebracht.
- Uit de voormelde bepalingen volgt dat de regeling van de dwangsom uit-gaat van een strikte taakverdeling tussen de rechter die de dwangsom oplegt, zijnde de dwangsomrechter, en de rechter die moet oordelen over het verbeurd zijn ervan, zijnde de beslagrechter. De dwangsomrechter kan zich niet uitspreken over het verbeurd zijn van de dwangsommen, maar enkel over de onmogelijk-heid aan de hoofdveroordeling te voldoen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de appelrechters niet bevoegd zijn om: - te oordelen over de grieven van de eiser betreffende de vraag of en voor welke periode de bij arrest van 14 december 2010 opgelegde dwangsommen ver-schuldigd zijn; - vast te stellen dat de op 19 november 2015 verleende vergunning tot gevolg heeft dat de titel die de dwangsommen oplegt niet langer actueel is en om voor recht te zeggen dat er geen dwangsommen verschuldigd zijn. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met de eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het evenmin ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zich voor de appelrechters op een putatieve onmogelijkheid heeft beroepen. De appelrechters waren dan ook niet ertoe gehouden dit verweer te beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Uit het geheel van redenen die het arrest (p. 7-10, nr. 9-13) bevat, blijkt dat de appelrechters wel degelijk hebben getoetst of er sprake is van een onmoge-lijkheid aan de hoofdveroordeling te voldoen in de zin van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1385bis en 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat het hof van beroep niet bevoegd is om kennis te nemen van de argumenten van de eiser dat er geen dwangsommen zijn verschuldigd bij gebrek aan een correcte betekening en dat de termijn slechts ingaat bij de betekening van de beslissing waarbij de dwang-som is bepaald, miskennen de appelrechters de hun door artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek opgelegde verplichting te oordelen of er sprake is van een onmogelijkheid of een putatieve onmogelijkheid; met het oordeel dat de termijn van vrijwillig herstel inging vanaf het ogenblik dat de rechterlijke beslissing kracht van gewijsde heeft gekregen, terwijl die termijn slechts ingaat vanaf het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald, schenden de appelrechters artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek; zolang er geen betekening was, mocht de eiser ervan uitgaan dat de overheid niet aandrong op herstel en pas vanaf de betekening de termijn van drie jaar voor uitvoering een aanvang zou nemen; a fortiori was een van de twee betekeningen ongeldig.
- In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het derde onderdeel van het tweede middel is het, om de in antwoord op dat onderdeel gegeven rede-nen, te verwerpen.
- Volgens artikel 6.1.41, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier toepasselijk, bepaalt de rechter een termijn voor de uitvoering van de her-stelmaatregelen. Die termijn vangt aan indien de rechterlijke beslissing waarbij die termijn wordt bepaald, kracht van gewijsde krijgt.
- De rechter kan naast de hersteltermijn op grond van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek wat betreft de dwangsom ook een respijttermijn toe-kennen. Deze respijttermijn strekt ertoe de schuldenaar, desgevallend na het ver-strijken van de hersteltermijn, nog enige tijd te geven om de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft. De rechter oordeelt onaantastbaar of hij een respijttermijn toekent. Indien de rechter geen respijttermijn verleent, verbeuren de dwangsommen na het ver-strijken van de hersteltermijn op voorwaarde dat de beslissing waarbij het herstel onder de verbeurte van een dwangsom werd bevolen, voorafgaandelijk werd be-tekend.
- Daaruit volgt dat de afwezigheid van de betekening van een in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het herstel onder de verbeurte van een dwangsom werd bevolen, zonder belang is voor het doen ingaan van de herstel-termijn. Uit die afwezigheid van betekening kan de herstelplichtige niet afleiden dat de herstelvorderende overheid niet aandringt op een herstel tijdens de her-steltermijn.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel uit deze vergeefs aangevoerde wetsschendingen de onwettigheid afleidt van de beslissing over de onmogelijkheid aan de hoofdver-oordeling te voldoen overeenkomstig artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechte-lijk Wetboek, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: door na te laten te antwoorden op de argumenten van de eiser in verband met de betekening, miskent het arrest de motiveringsplicht; de appelrechters beslissen immers dat zij niet bevoegd zijn om te oordelen over die argumenten en dus dat zij niet moeten antwoorden.
- Met het oordeel dat niet het hof van beroep als dwangsomrechter maar wel de beslagrechter als executierechter bevoegd is om kennis te nemen van eisers argumenten betreffende de betekening, welke betrekking hebben op de vraag of de bij arrest van 14 december 2010 opgelegde dwangsommen verschuldigd zijn en niet op de vraag of er een onmogelijkheid is om te voldoen aan de hoofdver-oordeling, beantwoordt het arrest wel degelijk het door het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat een niet-eigenaar verplicht is om de uitvoering van een herstelvordering passief te gedogen waarbij men onmogelijk tot de conclusie kan komen dat dezelfde persoon de herstelvordering actief moet uitvoeren, is de motivering van het arrest intern tegenstrijdig en is het arrest bij-gevolg niet gemotiveerd; door het argument van de eiser dat die geen eigenaar was zodat hij in de onmogelijkheid was de herstelvordering actief uit te voeren, te beantwoorden met de reden dat een niet-eigenaar de uitvoering van een her-stelvordering passief moet gedogen, beantwoordt het arrest niet het bedoelde ar-gument.
- De verplichting de vonnissen en arresten te motiveren, is een vormregel. Een onjuiste reden levert mogelijk een schending van de wet op, maar geen mo-tiveringsgebrek in de zin van de in het middel vermelde bepalingen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest dat oordeelt dat de hersteltermijn inging op 4 januari 2012 en dat de eiser niet in de onmogelijkheid verkeerde om vanaf 4 januari 2012 over te gaan tot het herstel, laat na iets te vermelden over de periode waarin de dwangsom van toepassing was, namelijk vanaf 4 januari 2015; de onmogelijkheid kan maar zijn belang hebben na het verstrijken van de hersteltermijn van drie jaar, dit is vanaf 4 janu-ari
- Met het geheel van redenen die het arrest (p. 7-10, nr. 9-13) bevat, blijkt dat de appelrechters oordelen dat ook voor de periode van na 4 januari 2015 er geen sprake is van een onmogelijkheid aan de hoofdveroordeling te voldoen in de zin van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek. Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat de eiser wist, minstens behoorde te weten, dat het gezag van gewijsde van een definitieve uitspraak van de strafrechter waarbij herstelmaatregelen werden bevolen en het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten zich erte-gen verzetten dat de uitvoerende macht een vergunning zou verlenen voor het behoud van een bouwwerk waarvan de afbraak werd bevolen door de strafrech-ter, zijn de appelrechters uitgegaan van een onjuiste premisse; de eiser verkreeg immers een dergelijke vergunning; het arrest kon dan ook niet oordelen dat de eiser diende te weten dat hij een herstelplicht had en dat het geen zin had om het verlenen van een vergunning af te wachten; bijgevolg miskent het arrest de mo-tiveringsplicht.
- De verplichting de vonnissen en arresten te motiveren, is een vormregel. Een onjuiste reden levert mogelijk een schending van de wet op, maar geen mo-tiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. V. Kosynsky S. Berneman E. Francis A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 9 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Ko-synsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210924.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div