← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.3 Rolnummer: P.18.1170.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 252 - laatst gezien 2026-06-28 06:16 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer het openbaar ministerie een persmededeling heeft gedaan waarvoor de onderzoeksrechter niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, kan de rechter het bestaan van die toestemming afleiden uit alle hem voorgelegde gegevens die aan tegenspraak van de partijen zijn onderworpen. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Geheim van het onderzoek - Persmededeling van het openbaar ministerie - Toestemming van de onderzoeksrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 57, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Persmededeling - Gerechtelijk onderzoek - Geheim van het onderzoek - Toestemming van de onderzoeksrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 57, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1170.N A D B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Handelsstraat 124/3, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 24 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastleggingen C.II.1 tot 10, 12 en 15 tot 24, C.III, C.IV, D.III.1 tot 10, 12 en 15 tot 24, D.IV en D.V. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en artikel 57, § 3, Wetboek van Strafvordering: in antwoord op eisers verweer dat de straf-vordering moet worden afgewezen omdat de onderzoeksrechter geen toestem-ming heeft gegeven voor de persmededeling van het openbaar ministerie waar-door het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en het recht op pri-vacy van de eiser onherroepelijk werden geschaad, oordeelt het arrest dat de on-derzoeksrechter deze toestemming niet schriftelijk diende te verlenen en dat uit niets blijkt dat de onderzoeksrechter geen toestemming heeft gegeven voor een persmededeling; hierdoor stelt het arrest niet vast dat de onderzoeksrechter die toestemming daadwerkelijk heeft gegeven en dat alle wettelijke voorwaarden voor een regelmatige persmededeling van het openbaar ministerie aanwezig wa-ren; bovendien oordeelt het arrest minstens impliciet dat de eiser dient te bewij-zen dat de onderzoeksrechter geen toestemming heeft gegeven en dat hij dus de bewijslast dient te dragen van een negatief feit; het arrest onderzoekt evenmin de impact op de strafprocedure van de miskenning van het recht op privacy, zoals door de eiser gevraagd.
  4. Artikel 57, § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De procureur des Konings kan, met instemming van de onderzoeksrechter en indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt voor de inacht-neming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de in-verdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privéleven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven."
  5. Wanneer het openbaar ministerie een persmededeling heeft gedaan waar-voor de onderzoeksrechter niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, kan de rechter het bestaan van die toestemming afleiden uit alle hem voorgelegde gege-vens die aan tegenspraak van de partijen zijn onderworpen.
  6. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar met van het beroepen vonnis overgenomen redenen ook dat: - eisers klacht wegens miskenning van het beroepsgeheim naar aanleiding van mediaberichtgeving is geseponeerd door de procureur-generaal wegens geen misdrijf, voor zover deze klacht een lid van het openbaar ministerie viseerde; - in een brief van 7 augustus 2015 van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Mechelen, aan de procureur-generaal, in het kader van voormelde klacht werd vermeld dat de communicatie met de pers plaatsvond in overleg met de onderzoeksrechter en na diens uitdrukkelijk akkoord. Met het geheel van die redenen legt het arrest geen bewijslast op aan de eiser, maar oordeelt het op grond van de gegevens van het strafdossier onaantastbaar dat de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie wel degelijk toestemming voor de persmededeling heeft gegeven en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  7. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest dat de eerbiediging van het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces wordt beoordeeld met inachtneming van de rechtspleging in haar geheel en dat dit eveneens geldt voor het recht op privacy. Aldus onderzoekt het arrest ook de impact op de strafprocedure van de miskenning van het recht op privacy. Het feit dat het arrest over dat onderwerp niet verder uitweidt, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 491 en 505 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het basismisdrijf van de aan de eiser ten laste gelegde witwasmisdrijven bestaat in het misdrijf misbruik van vertrouwen gepleegd door medebeklaagde N., waarvoor geen vervolging is ingesteld; het arrest past de strafrechtelijke omschrijving van dat misdrijf verkeerd toe; uit de feitelijke ge-gevens die in het strafdossier voorhanden zijn, kan het arrest niet rechtsgeldig afleiden dat de constitutieve bestanddelen van dat basismisdrijf bij medebe-klaagde N. verenigd waren.
  9. Het arrest (p. 16, h en p. 17, a) oordeelt dat volgens het openbaar ministerie het misdrijf misbruik van vertrouwen gepleegd door N. het basismisdrijf is van de witwasmisdrijven bedoeld in de telastleggingen C.I, eerste tot vijfde streepje. Verder oordeelt het onder meer: "Van een gedeelte van de diamanten, nl. deze vermeld in tenlastelegging C.I eerste tot en met vijfde streepje (...) staat op grond van objectieve gegevens en verklaringen vast dat deze toebehoorden aan de BVBA HARMONY GEMS. Volgens beklaagde [N.] (...) waren er financiële moeilijkheden in de vennootschap en wou hij deze goederen weghouden van eventuele schuldeisers om zo, in geval van faillissement, verder zijn gezin te kunnen onderhouden. Hieruit en uit de feiten blijkt dat beklaagde [N.], die als zaakvoerder het precair bezit had, zich als eigenaar ten opzichte van deze goe-deren gedroeg en deze verduisterde. De goederen zijn derhalve bekomen door het misdrijf misbruik van vertrouwen." Uit die vaststellingen kan het arrest wel degelijk afleiden dat medebeklaagde N. ten nadele van Harmony Gems bvba misbruik van vertrouwen heeft gepleegd en dat de daaruit voortgekomen vermogensvoordelen zijn witgewassen met de te-lastleggingen C.I, eerste tot vijfde streepje. Aldus is de beslissing naar recht ver-antwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  10. Voor andere bewezen verklaarde witwasmisdrijven dan deze bedoeld onder de telastleggingen C.I, eerste tot vijfde streepje, oordeelt het arrest niet dat zij voortkomen uit een door medebeklaagde N. gepleegd misdrijf van misbruik van vertrouwen. In zoverre gaat het middel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 186,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 9 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky S. Berneman E. Francis A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.