← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019

§ 3

, eerste lid, wanneer de schul-dige, in de periode van 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vo-rig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 en 62bis opnieuw één van deze overtredingen begaat." Deze bepaling werd achtereenvolgens gewijzigd door artikel 11, 6° van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, gepubliceerd in het Bel-gisch Staatsblad op 15 maart 2018 en in werking getreden krachtens artikel 26 van deze wet op 15 februari 2018, alsook door artikel 2 van de wet van 2 september 2018 tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat de verbeurdverklaring en immobilisering van voertuigen betreft, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 2 oktober 2018 en in werking getreden op 18 oktober 2018. Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door artikel 11, 6°, van de voormelde wet van 6 maart 2018, maar vóór de wijziging door de voormel-de wet van 2 september 2018, bepaalde: "De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste 3 maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhan-kelijk maken van het slagen voor de vier

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eer-ste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen opnieuw wordt veroor-deeld voor één van deze overtredingen." Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, na de wijziging door de voormelde wet van 2 september 2018, bepaalt: "De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen af-hankelijk maken van het slagen voor de vier

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 be-treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan opnieuw over-treedt."

  1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wijzigende wet van 6 maart 2018 blijkt de bedoeling van de wetgever om, eensdeels, aan de lijst van overtredingen een nieuwe overtreding toe te voegen, namelijk de inbreuk op artikel 22 WAM, en, anderdeels, de uitzondering te schrappen ingeval de rechter artikel 37/1 Weg-verkeerswet toepast. Ook blijkt dat de wetgever het nodig vond om de formulering van de bepaling licht aan te passen teneinde toepassingsproblemen te vermijden en aldus besliste dat niet het aantal overtredingen in aanmerking diende te worden genomen om de aard van de strafverzwaring (enkelvoudig, dubbel, driedubbel) te bepalen, maar wel het aantal voorafgaande veroordelingen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wijzigende wet van 2 september 2018 blijkt expliciet dat de wetgever een nieuwe aanpassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet nodig achtte omdat de voorgaande wijziging had geleid tot een gebrek aan duidelijkheid door als tweede voorwaarde voor de toestand van strafverzwaring een nieuwe veroordeling te eisen en niet het begaan van een nieu-we overtreding. Uit het geheel van de vermelde parlementaire voorbereidingen volgt dat de wetge-ver niet de bedoeling had om het aannemen van de toestand van strafverzwaring afhankelijk te maken van een veroordelend vonnis wegens een van de vermelde overtredingen dat niet ouder is dan drie jaar. Er blijkt dus geen gewijzigd inzicht van de wetgever voor wat betreft de voorwaarden voor strafverzwaring. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  2. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing bevat geen onwettigheden die de eiser kun-nen grieven. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de open-bare rechtszitting van 9 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210303.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.5 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.200 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.063 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.098 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.073 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.074 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.